De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSPREIDE GEDACHTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSPREIDE GEDACHTEN

8 minuten leestijd

Het subjectivisme in zijn scherpsten vorm vinden we daar, waar God en Zijn getuigenis op zij worden geschoven of zelfs worden geloochend en alleen de mensch overblijft met zijn godsdienstig leven. God heeft hier geen plaats meer dan in het godsdienstige voorstellingsleven van den mensch. Hij wordt van den mensch afhankelijk, in plaats dat de mensch van Hem afhankelijk zou zijn. Niet God brengt den mensch voort, maar de mensch brengt hier zijn God voort. Zoo deden de heidenen, die zich goden vormden naar hun eigen gedachten en het subjectivisme in zijn scherpsten vorm doet niet anders dan terugkeeren tot het heidendom, wijl men voorbijgaat aan de openbaring, met welke de levende God zich geopenbaard heeft en nog immer openbaart. Hier breekt de wortel der zonde zeer krachtig door : als God willen zijn.
Echter ook in meer gematigder vormen treedt het subjectivisme ons in de geschiedenis tegemoet en misschien is het dan nog gevaarlijker. Men loochent dan het object niet, maar zet het toch een oogenblik op zij en laat het buiten beschouwing, om zoogenaamd den mensch op zich zelf te nemen. Het subject in den godsdienst wordt dan object van beschouwing en onderzoek ; hij neemt in dit onderzoek en in deze beschouwing de plaats in, die God in den godsdienst inneemt. Zooals de oogen van den godvruchtige in den dienst van God op God zijn geslagen, zoo zijn in dit beschouwend leven de oogen op den godsdienstigen mensch geslagen.
Het gevaar zal de meesten der lezers misschien nu duidelijk worden. De zondige mensch, wiens hart afkeerig is van den levenden God, is nochtans godsdienstig gebleven. Daarom komt hij er toe, terwijl zijn hart zich voor God toesluit, In zijn beschouwingen aan God en de goddelijke dingen een ruime plaats toe te kennen. Hij wil wel kennen, maar slechts door beschouwing, want dan blijft God en Zijn Woord op een afstand van hem en behoeft hij niet bevreesd te zijn. Zoo wil hij zelfs het bevindelijke leven wel kennen, n.l. met een beschouwende kennis, en in zijn dwaasheid verbeeldt hij zich, dat hij het veel nauwer neemt dan de man van de algemeene verzoening, terwijl ze in werkelijkheid precies op dezelfde plaats staan, d.i. in het beschouwende leven, al is het dan, dat de een in zijn beschouwing zich bezig houdt met de verzoening en de ander met de bekeering.
In de godsdienstwetenschap houdt men zich bezig met den godsdienst van den mensch in het algemeen. Het godsdienstig leven van den Mohammedaan is hier evengoed voorwerp van onderzoek als het godsdienstig leven van den Christen. Velen onder ons zoeken ook meer godsdienstkennis dan Godskennis, al is het dat hun belangstelling zich niet richt op den godsdienst van den natuurlijken mensch, die Christen wordt genaamd, maar uitsluitend wordt aangetrokken door den godsdienst van den waren Christen. Juist hierdoor echter wordt het zelfbedrog des te grooter. Zich met belangstelling wijdende aan het onderzoek van wat niet tot een uitwendig dienen van God behoort, maar betrekking heeft op het dienen van God in geest en waarheid, acht men zich zelf onwillekeurig iemand, die behagen heeft in dien dienst in geest en waarheid. Men mag er dan zelf niet of nog niet in staan, men hoort er graag van en onderzoekt deze dingen met lust en verklaart met voorliefde een ieder, die meent, dat men er zoo nog niet komt, tot een vijand van het bevindelijk leven.
Het is duidelijk, dat het subject, d.i. in dit geval de bekeerde mensch met zijn gemoedsleven en werkzaamheden en bevindingen, hier de plaats is gaan innemen van den levenden God. Maar omdat men een ander voorwerp tot voorwerp van beschouwing heeft genomen en zich niet bezig houdt met God zelf of met de geopenbaarde waarheden, maar met het bevindelijke leven, meent men aan de beschouwing ontkomen te zijn en naar de diepte te zijn afgestoken. Daarom zijn deze menschen — naar den mensch gesproken — veel moeilijker aan de dwaling huns wegs te ontdekken, dan de anderen, die met een beschouwend leven zich tevreden stellen. In de jaren mijner bediening heb ik het menigmaal meegemaakt, dat, als ik tot deze menschen zeide te vreezen, dat zij zich met ijdele beschouwingen ophielden, die hen geen nut konden doen, zij niet alleen ongeloovig glimlachten, maar ook hun vijandschap openbaarden door te schamperen, dat tal van menschen, en ook leeraars, er tegenwoordig zoo licht over heen gaan, maar — en dat is dan in den regel het eind van het liedje dat zij zingen en waarmede zij zich zelf overeind houden : het zal zoo gemakkelijk niet gaan, dominé !
Ik mag niet nalaten hier een ernstige beschuldiging in te vlechten tegen tal van Christenen, en ook leeraars, die deze menschen niet alleen sparen, maar soms nog de hand opleggen als menschen, die toch aan het begin van den weg staan. En dat doen zij niet, omdat zij zoo kortzichtig zijn en deze menschen voor ware Christenen aanzien, maar zij doen het, omdat het zoo streelend voor hun vleesch is, dat deze menschen zich aan hun voeten zetten en met eerbied tot hen opzien, zeggende bij ieder woord met een goedkeurenden knik : ja, zoo is het.
Den Christen in zijn leidingen en bevindingen gade te slaan en te kermen is voor menigeen het belangrijkste, dat hij kent; het wordt godsdienst voor hem; en het moet met smart gezegd worden, dat menig Christen het vleiend voor zich zelf vindt, dat hij zoo belangrijk is geworden en dit subjectivisme steunt en tegemoet komt, wijl het zijn eigen ik streelt en een leidende positie hem daardoor geboden wordt.
Als Petrus, op grond van de openbaring, hem geworden, met de dienstknechten van Cornelius meegaat naar Caesarea, komt Cornelius hem in zijn huis tegemoet en vallende aan zijn voeten, aanbad hij. Maar Petrus richtte hem op, zeggende : Sta op, ik ben ook zelf een mensch. En als Petrus daarna zijn mond opendoet, is het niet om te spreken van de wegen en leidingen, die God met hem gehouden had, maar hij getuigt in allen eenvoud en klaarheid van Christus Jezus, dien God tot een Zaligmaker in de wereld had gezonden.
Wanneer alle Christenen dit voorbeeld van Petrus volgden, zou er al veel gewonnen zijn. Want zij, die nu op den Christen en zijn leidingen zien, zooals men behoort te zien op God en Zijn deugden, zouden in elk geval in de practijk des levens tot de ontdekking komen, dat de ware Christen een ander leven kent dan zij zelf. Maar nu tal Vian Christenen hun hulde in ontvangst nemen, meenen zij te mogen gelooven op den rechten weg te zijn en zij zien niet, dat zij niet alleen zelf dwalen, maar ook die Christenen, op wie zij met zulk een eerbied zien.
Een gevolg van dit subjectivisme is onder ware Christenen een verdeeldheid, die geen grenzen kent, en onder naam-Christenen een kennis van het geestelijk leven, die opgeblazen maakt en geheele groepen van menschen doet vormen, die zich vereenigen om in farizeesche opgeblazenheid alles te veroordeelen, wat niet met hen vereenigd ligt, ja, die zich niet schromen om het ware werk des Geestes, zoodra het hun geestelijke armoede aan den dag brengt, te vertrappen als gestolen genade of vrucht van duivelsche inbeelding.
Wie eenigszins kennis heeft genomen van de gezelschappen en hun geschiedenis, wie in de Kerk en buiten de Kerk onderzoek doet naar de gemeenschap des geloofs, weet, hoe ontzaglijk verdeeld de vromen onderling zijn, zoodat het op sommige plaatsen al niet meer mogelijk is dat twee van hen tezamen gaan, maar ieder vormt een eigen kring rondom zich en ontwijkt zijn broeder in de genade of veroordeelt hem als iemand, die boven zijn stand leeft. Dit is de natuurlijke vrucht van het subjectivisme, dat den Christen in het middelpunt der beschouwing plaatst en dat daarom onmiddellijk moet voortvaren tot de vraag : Is die en die wel een oprecht Christen ? en de vraag, die daar direct naast ligt: Wie is het verst op den weg gevorderd ? Wie heeft de diepste en de klaarste weg gehad ?
Op den weg van het subjectivisme moeten de Christenen, die elkander ontmoeten, zich door elkander laten onderzoeken aangaande de oprechtheid van hun bekeering, moeten zij zich ook met elkander meten om te beslissen, wie de meeste is. Daardoor worden zij krachtens het stelsel, waaruit men leeft, van den beginne elkanders vijanden in plaats van elkanders broeders, en evenals eertijds onder de discipelen, wil ieder van hen de meeste zijn. Dit geeft tot een oneindige reeks van scheuringen en twistingen aanleiding, zooals ook in de dagen der Afscheiding te zien is, en het fataalste is dan nog, dat ieder van hen een groep onbekeerde menschen te hulp roept om zich tegenover zijn broeder in de genade te handhaven als iemand, die van God is gekroond.
Men acht ten slotte zich zelf zoó belangrijk, dat men niet in den strijd om erkenning der waarheid, maar in den strijd om eigen erkenning op de meest vleeschelijke wijze naar het zwaard des Geestes grijpt en met het woord van den profeet: Wie Gods volk aanraakt, raakt Zijn oogappel aan, zich zelf denkt veilig te stellen. En uit dank voor de hulp, die wereldsche menschen daarbij verleenen, moet men hen eenigszins in het gevlei komen en meer of minder duidelijk erkennen, dat hun liefde voor Gods volk doet verwachten, dat er toch nog wel iets goeds in hen ligt.
Zoo ontrooft het subjectivisme God zijn eer, het verwoest de gemeenschap der heiligen en leidt tot menschverheerlijking en afgoderij.

O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERSPREIDE GEDACHTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's