GRETSKE „DE FREULE”
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Van huis uit in een heel andere omgeving opgevoed en later, gedurende de studiejaren ook in een geheel andere sfeer zich bewegend, was het hem alles zoo vreemd wat tot de religieuse wereld behoorde, doch niettegenstaande dat werd hij toch telkens tot het geestelijke aangetrokken. Neen, ook hij had nog nooit in een menschelijk lichaam eene ziel gevonden, maar zóó bestond er wel méér, 't welk niet met de oogen gezien of de handen getast kon worden en welks bestaan toch door niemand geloochend werd. Dat de mensch louter stof en met den dood alles uit was, wilde er daarom bij hem nooit in, en allerminst na hetgeen hij in de praktijk ervaren had, maar wat er dan nog méér was dan een lichaam en hoe het daarmee komen zou, dat wist hij niet. 't Was voor hem een open vraag of er iemand was die dit weten kon, terwijl de veelheid der bestaande godsdienststelsels hem ten dezen allerminst eenige zekerheid gaf, doch dit was een der oorzaken waarom hij gaarne in een ledig uur, na afgelegde taak, den weg naar de pastorie insloeg, om daar met den predikant te gaan redetwisten, of ook wel aandachtig naar hem te luisteren, wanneer deze, uit de volheid van zijn hart ging spreken van de dingen, die bij hem volkomen zekerheid hadden.
Daar kwam nog bij, dat hij als wetenschappelijk man hier kon kwijt worden, wat voor het gros der gemeentenaren te hoog of te diep was, terwijl het hem in de praktijk meermalen gebeurde dat het woord van den geestelijke, zoo hij den predikant noemde, méér uitwerking had, dan al zijn poeders en pillen met elkaar.
Wel is waar werd hij in sommige godsdienstige kringen met wantrouwen aangezien. Omdat hij zich nergens bij aansloot en geen positief standpunt innam. Ten opzichte van het kerkelijk leven niet en ook niet in de politiek.
Doch bij degenen die met allen godsdienst gebroken hadden, was hij evenmin op zijne plaats, en vandaar dat hij vrij wel een afgezonderde was, die met weinigen omgang had. Anders niet, dan met zijne patiënten, voor welke hij leefde en die steeds het voorwerp zijner zorg bleken te zijn en — zijne huisdieren, die hun meester op de prik kenden. De mooie hazewind met haar goedigen kop, die hem vaak vergezelde op zijne tochten, de duiven op hunne til en de vogels van verschillende pluimage in de volière niet te vergeten. Hier kon hij veel van zijn vrijen tijd besteden en dan met de dieren praten alsof het menschen waren, zoodat Martha niet zelden glimlachte als ze den geleerden dokter zoo tot die vogeltjes hoorde spreken, en de beestjes dan al naderbij kwamen, alsof zij hem verstonden.
Geen wonder dus dat er ook gemeenteleden waren, die zich niet konden begrijpen hoe zoo'n man zich in de pastorie thuis voelde en omgekeerd, hoe men daar op dit gezelschap gesteld was. Dat paste immers niet ? Een ongeloovige bij een predikant. Zelfs mevrouw had zich al eens in dien geest tegen haar man uitgelaten dat zij niet begreep, wat hem toch telkens in hunnen familiekring bracht. Zij had er geen bezwaar tegen ; zij vond het zelfs zeer vereerend, en als de dokter op zijn praatstoel zat, kon hij alleraangenaamst vertellen, zoodat dan de uren omvlogen, maar haar man was nu eenmaal dominé, en de pastorie geen gewoon huis en het werd altijd zoo ver gezien als hier iemand geregeld over den vloer kwam. Niet het minst wanneer er volwassen dochters in huis waren, al dacht wellicht niemand er aan, dat het hem daar om te doen was, omdat hij nog nooit in dien geest iets had uitgelaten en bovendien in leeftijd hen verre overtrof. Maar daar werd altijd zooveel onder de menschen gepraat en het publiek had het zoo spoedig voor elkander. Bovendien was de dominé een ernstig man, en de dokter, nu ja.
Maar toen had dominé geglimlacht. De jaren die achter hem lagen, hadden hem wel zooveel menschenkennis gegeven, dat hij wist hoe niet hen te moeten omgaan. Was hij niet tot een herder over de kudde gesteld, maar juist daardoor geroepen te waken voor haar heil, en had de ervaring hem niet geleerd, dat hij zich bij dezen arbeid te schikken had naar den gang van het werk ? Had de Heiland, toen Hij op aarde was, niet eveneens zoo gedaan met élk, die tot Hem kwam, en naar de eigenaardige behoeften van hun leven of de omstandigheden, waarin zij verkeerden, hun gegeven wat zij noodig hadden ? Het ging toch niet om het vormen van eene partij, maar het ging om zielen te brengen tot het geloof in Christus en daarbij diende rekening gehouden te worden met ieders bizonderen aanleg en karakter. Het werk in het Koninkrijk Gods was niet een arbeid van een dag, en evenmin als de landman oogenblikkelijk vrucht verwachten kon van 't zaad dat werd uitgestrooid, maar dit soms heel langen tijd verborgen bleef, voor het zich openbaarde, zoo ging het ook in den geestelijken arbeid niet altijd even voorspoedig en vlug. Maar de belofte lag er, dat het Woord Gods nooit ledig zou weer keeren, maar doen zou hetgeen den Heere behaagde en voorspoedig zou zijn in hetgeen waartoe Hij het zond. Daarom was de roeping: „Zaai uw zaad aan alle wateren, en zaai in den morgenstond en trek uwe hand 's avonds niet af, " want „na vele dagen zou het gevonden worden.”
Zóo dacht dominé er over, en daarom dééd hij gelijk hij deed, en als eene verstandige vrouw, die hoog bij haren man opzag, geloofde zij in hem en zweeg. Met het gevolg dat langzamerhand openbaar werd, hoe hij gelijk kreeg.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's