De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE REFORMATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE REFORMATIE

IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592—1620

9 minuten leestijd

2. Heerde.
De kerk te Heerde was oorspronkelijk gewijd aan H. Johannes, de Evangelist. In 1176 werd deze kerk door den bisschop van Utrecht losgemaakt van Epe. Onder deze kerk ressorteerden ook Veessen en Vorchten.
De middeleeuwen overspringende, komen we tot den tijd der Reformatie. Het blijkt dan, dat te Heerde een felle strijd gewoed heeft, daar het in den beginne nu eens Roomsch dan weer gereformeerd was.
De eerste predikant voor ons eigenlijke tijdsbestek was ds. P. van Bommel, 1581. Diens opvolger ds. Joh. Bernntss, van Strijholt, 1581— 1584. Daarna wordt Heerde weer Roomsch en heeft in Johannes Cleeffken tot 1593 een pastoor. Deze noemt zich substitutus, d.i. letterlijk ondergeschikte. Bij het examen van 4 Juli 1592 wordt hij onder de gewone pastoors gerekend.
Dezen pastoor ontmoeten wij dan op genoemden datum te Harderwijk (zijn koster-schoolmeester, Jan Jansen, was wel opgeroepen, maar niet verschenen) teneinde onderzocht te worden door ds. Joh. Fontanus, van Arnhem, omtrent zijne gevoelens in de stukken der leer en der kerk. Met de pastoors van Doornspijk, Vaassen en Oene (die van Epe had zich schriftelijk verontschuldigd) teekende hij protest aan tegen twee van de dertien artikelen, die hem ter onderteekening werden voorgelegd, te weten : de leer van den Heid. Catechismus en de kerkelijke tucht, waarbij de verplichting om de kerkelijke vergaderingen bij te wonen.
Nadat hem een maand of vijf beraad was gegeven, werd hij tegen 14 November 1592 opgeroepen om ter Classicale vergadering te Oldebroek te verschijnen, waaraan hij gehoor gaf. De vergadering oordeelde dat men met de weifelende pastoors moest afhandelen. Joh. Cleeffken begeerde echter nog langer tijd van beraad, daar hij op de beide artikelen nog geen uitsluitsel geven kon. Daarbenevens zeide hij, dat zijn diensttijd als substitutus met Paschen 1593 was verstreken.
Eigenlijk behoefde de vergadering zich dus om hem niet moeilijk te maken, daar hij niet langer te Heerde wenschte te blijven. De oorzaak zal wel gelegen hebben in het feit, dat de gemeenteleden van Heerde het hem zeer lastig maakten, want hij klaagde zijn nood aan de Classis, dat „de huisluyden hem dreigden en dwongen om op de heilige dagen te prediken.”
Om deze redenen lieten de Classicale broeders hem met rust, voornamelijk wegens zijn aangekondigd vertrek, hetgeen ook inderdaad in 1593 plaats vond. Hem zelf of zijn naamgenoot treffen we in 1596 aan als pastoor te Wilp, die geëxamineerd moet worden, doch uitblijft.
Zoo was Heerde vacant, doch niet lang, want in April 1594 is ter vergadering te Harderwijk aanwezig als predikant van Heerde de voormalige pastoor ds. Wesselus Matthei Salingensis, oftwel Wessel van Solingen (Duitschland). Hem was in de Synode van Arnhem kort te voren opgelegd om gedurende de schorsing van den pastoor van Epe die plaats te bedienen, en daar de predikant van Heerde vroeger ook dienst gedaan had, mocht hij zonder geëxamineerd te worden, het predikambt te Heerde waarnemen, doch toen ook nog eenige bezwaren rezen, werd hem opgedragen zijn stukken te toonen van de plaats, waar hij te voren gestaan had, daar de Classis zoo maar niet iemand mocht of kon erkennen. Deze stukken had hij nog niet, daar hij zeide van een geheime gemeente te komen en het reizen zeer gevaarlijk was. De Classis vond dit excuus aannemelijk, doch droeg hem op om met naarstigheid alle vlijt aan te wenden zijn getuigschriften te toonen, hetgeen hij beloofde deze op te vragen, ook uit de gemeente van Bentheim. Zoodra deze stukken er waren, zou hij te Heerde bevestigd worden, doch eerder niet.
Te Elburg op 3 Sept. van datzelfde jaar ter vergadering aanwezig, kon hij de stukken nog niet toonen, waarop hem nadrukkelijk werd belast te zorgen, dat ze op de eerstkomende Classis aanwezig waren. Doch toen excuseerde hij zich, dat degene die op reis was om een getuigschrift te halen, nog niet terug was. De Classis bleef aanhouden en stelde inmiddels pogingen in het werk om van ds. Franciscus te Deventer inlichtingen te verkrijgen. Om dergelijke onregelmatigheden te voorkomen en om zich in de grondslagen van de kerkelijke wet in te werken, werd hem belast de Acta van de Synode, in 1586 te 's-^Gravenhage gehouden, over te schrijven.
Door al deze dingen schijnt hij in de vergadering van 13 Mei 1595 te Hattem wat kregel geworden te zijn, zoodat hij deze zonder toestemming verliet, waarop de broeders besloten hem te censureeren zoo hij bij herhaling in dit kwaad viel. Inderdaad is hij September van dat jaar niet te Nijkerk, maar verontschuldigt zich, doch de broeders achten de reden niet gewichtig genoeg. Ja, men overweegt om hem aan het Hof voor te dragen hem van zijn dienst te ontzetten, daar hij met zijn getuigschriften draalt, en nu begint met van de vergaderingen weg te blijven, waarbij komt, dat hij zijn ambt slordig waarneemt, terwijl in de particuliere Synode een godzalig dienaar een slecht getuigenis omtrent zijn leven gegeven had.
In 1596 is hij ter vergadering te Harderwijk, waar hij een getuigschrift overhandigt, dat echter onvoldoende is. Men is de zaak moede en verwijst een en ander naar de Synode. Een paar maanden later blijkt, dat het onvoldoende getuigschrift ook nog valsch is, aangezien geen der onderteekenaren iets van dit stuk afwist. Ook was hij onzuiver in leer en leven. Om al deze redenen verdwijnt ds. Wesselus Salingensis uit het gezicht en wordt Heerde vacant omstreeks 1597. Nu was er een zekere Andreas Kassenborch voormalig pastoor te Kampen, die zich tot den dienst te Heerde aanmeldde. De Classis vertrouwde het echter niet, en terecht, daar zij met dezen voormaligen pastoor hetzelfde ervoeren als met ds. Wesselus Salingensis, daar hij geen getuigschriften kon toonen van leer en leven, ja nog erger, geen lid der Gereformeerde Kerk bleek te zijn. Zoo besloot de Classis de vacature niet al te overhaast te beëindigen, doch naar een getrouw dienaar om te zien, terwijl de broeders om de veertien dagen de predikdienst zouden waarnemen. Men zou zich met het Hof in verbinding stellen, opdat de Schout van Heerde zijn medewerking mocht verleenen met de predikanten te laten halen, die om beurten de dienst vervulden te weten die van Oldebroek, Doornspijk, Nunspeet en Elspeet.
Nadat dit dan een poos had plaats gehad, zien wij voor het eerst in April 1598 ter Classicale vergadering te Putten ds. Jacobus Schoonhoven, predikant te Heerde. Hij deed daar reeds een tijdlang zijn werk, gekozen als hij was door de gemeente, doch was nog niet bevestigd en ook nog niet als lid der Classis aangenomen. Nu werd hem opgedragen zijn getuigschrift van de Classe van Arnhem te vertoonen, hetzij aan de volle Classis, hetzij aan de gedeputeerden, voorts zich aan het examen te onderwerpen en een proefpredikatie te houden, naar algemeen gebruik dier dagen. In Juli 1599 staat de zaak eigenlijk nog precies zoo, alleen wordt dan vermeld, dat hij zich op het examen prepareeren zal, hetgeen ds. Joh. Zwitterius van Nijkerk hem zal afnemen, en zoo hij slaagt en zijn proefpreek goed is, zal hij bevestigd worden.
Den 15den April 1600 is hij ter vergadering in Epe. Men besluit dat hij den volgenden dag 's morgens om zes uur met gesloten deuren zijn proefpreek zal houden, waarna hij voorts geëxamineerd zal worden, 't Was dus vroeg dag ! Dit geschiedde dan, en de acta luidt als volgt: Jacobus Schonhovius, deinar thot Herde heefft sein propositie gedan, gelich hem opgelegt was von den Classe ende ist (ver-)volgens in de vornamtoste stuck der Christelicker religie sumanarisdher weise ondersocht worden, ende howell de Eroderen des Classis, so ahn sein propositie als ock ahn sein antword gegeven in examine ghetan seer goedt behagen gehadt hebben, nochtans dweil he tegenwordig in den Deinst ist, so ordelen de Eroderen dat he darin sal worden geoonfirmert, ende nerstig vermandt omb vorthan flitig tho studeren ende sal de confirmatie (bevestiging) doen Johannes Sanderus, deinar thot Hattem tho geleigener tidt.”
De dominee was dus geslaagd.
Op die vergadering bracht iedereen en dus hij ook verslag uit van den staat der kerk. Hij verklaarde, dat zijn aantal hoorders betamelijk goed was, doch dat dit den laatsten tijd achteruit ging, omdat de Schout onder de preek de Heden vermaande om de belasting te betalen, en dat de kramers vergunning hadden om tijdens de preek hun tenten met allerlei koopwaar open te hebben.
In de komende jaren klaagt hij geregeld over het verval van de pastorie, welke zaak nu eens naar het Hof, dan weer naar de Synode wordt verwezen. Ook moeten de Classicale Deputaten aan den kerkeraad van Arnhem verzoeken, of deze bij het Hof te Arnhem wil pleiten voor een behoorlijk tractement.
Gelijk op zoo vele plaatsen werd ook ds. Schoonhoven vermaand geen lijkpredikaties te houden, als in strijd met Gods Woord.
Toen in April 1604 te Heerde voor het eerst Classicale vergadering werd gehouden, hield de plaatselijke predikant de gebruikelijke predikatie. De broeders wezen hem daarna met liefde de fouten en gebreken aan, vermaanden hem in het bijzonder om Gods Woord vlijtig te lezen, en te bidden om meerdere gaven des H. Geestes, opdat hij vruchtbaar in zijn dienst mocht voortgaan, hetgeen hij dan ook beloofde.
Tevens maakte hij van de gelegenheid gebruik om te vragen hoe hij zich te houden had tegenover een kastelein, die een openbare herberg hield, waar nog ai eens gevochten werd. Moest hij die nu tot het H. Avondmaal toelaten of niet.
De Classis oordeelde, dat hij met ernst en vlijt probeeren moest om zulke misstanden te voorkomen, en zoo hij niet vorderde, de zaak maar weer ter sprake moest brengen, hetzij bij de gedeputeerden van de Classis of op de geheele Classicale vergadering.
Wegens het opkomende Remonstrantisme vergaderde de Classis in combinatie met die van Over-Veluwe in 1612 te Barneveld, alwaar ook ds. Schoonhoven aanwezig was en de belijdenisschriften onderteekende.
In 1613 zien wij voor het eerst een ouderling van Heerde mede ter vergadering. Mogelijk is in dat jaar een kerkeraad te Heerde ingesteld.
In 1618 is te Heerde een zeer belangrijke Classicale vergadering gehouden, met het oog op de naderende Dordtsche Synode.
(Wordt vervolgd).

Vaassen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE REFORMATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's