De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

6 minuten leestijd

ERASMUS (2).
Voor de Reformatie was niets van Erasmus te hopen. Men rekende telkens mis. En dat kwam, omdat men Erasmus niet kende. De „Lof der zotheid" was z'n beroemde boek, z'n Nieuwe Testament gaf hij als fijn taalgeleerde, z'n „Handboek voor den christen-strijder"' als humanist en geestverwant Yan de Renaissance „met haar wensch van een stille, blijde en toch ernstige conversatie van goede en wijze vrienden in de koelte van een huis onder boomen.”
Erasmus leefde bij een „voorname skepsis''. „Geen der strijdende meeningen, noch van Rome, noch van Luther, kon de waarheid volkomen uitdrukken; menschelijke haat en kortzichtigheid verbinden den menschelijken geest altijd." Met zijn „voorname skepsis" wilde hij liever maar buiten den strijd blijven I Hij had een rijke en gemakkelijke geest, die hem altijd een argument deed vinden ; met citaten werkte hij uiterst gemakkelijk en altijd had hij „gevallen" als voorbeelden bij de hand, om tot voorzichtigheid te manen en er tusschen uit te komen I „Hij trachtte te blijven in de oude Kerk, na haar buitengewoon geschaad te hebben en verloochende de Hervorming na haar bevorderd te hebben." Erasmus kende geen weg naar Damascus, zooals Paulus en Luther. Zijn geestesgeschiedenis kent geen crisis. Als hij in 1500 te Oxford onder invloed van Colet overgaat naar de theologische studiën, gaat die overgang niet gepaard met bekeering. Hij droomde van den gouden tijd, die aanstaande was. Rechtschapenheid en vroomheid zouden opbloeien, met de herleving der zuivere letteren en wetenschappen. Hij pleit voor den „vrijen geest" en Jezus is hem de wereldleeraar, het voorbeeld voor ons leven, om te komen tot een goede moraal. Erasmus was een satyricus, maar geen geloovige als Luther. Hij was een humanist, dorstend naar den geest der oudheid, zooals de Renaissance. Hij was taalgeleerde, geen filosoof, noch theoloog. Zijn Pelagiaansch standpunt komt steeds en overal voor den dag. De vrijheid wordt overal genoemd en de vrijheid van den menschelijken wil wordt overal geleerd.
Hoe langer hoe meer werd Erasmus noch door Rome, noch door de Reformatie vertrouwd. „Ik zie, " schrijft hij, , 4at het mijn lot is, terwijl ik beide partijen van nut tracht te zijn, dat ik door beide gesteenigd word." Hij was Humanist, geen' theoloog, geen geloovige, geen Godsgezant, geen Christus-prediker naar de Schriften.
Luther heeft het wel goed gezien, toen hij reeds in Maart 1517, een half jaar vóór zijn 95 stellingen, aan Lang schreef : „De menschelijke dingen weet Erasmus méér dan de geestelijke". De Humanist en Gods Woord stonden in andere verhouding dan Luther en zijn Bijbel! Erasmus wilde de wetenschap het licht der wereld doen zijn en de deugd des menschen zou dan de reddingsplank zijn.
Wanneer wij dan ook ten slotte nog eens afzonderlijk de vraag onder de oogen willen zien : waarom gingen Erasmus en Luther niet samen ? Dan kan men misschien met eenig recht zeggen: dat is te zoeken in de lafheid en de ijdelheid van Erasmus. Dat er bij den taalgeleerde gebrek aan heroïsme was, blijft uit alles. Maar de diepste oorzaak is : tusschen Erasmus en Luther was een groot, diep verschil in religie. Zijn Godsbeschouwing èn zijn menschbeschouwing verschilde grootelijks en daarom ook zijn Christusbeschouwing. Erasmus dacht anders over genade en heil dan de Paulus-figuur te Wittenberg, die Psalm 130 had leeren zingen, omdat hij 't alles geestelijk zóó van zijn God geleerd had ! Luther was gekomen tot de beleving van de rechtvaardiging des zondaars uit loutere genade door 't geloof in Jezus Christus, belijdende : „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden — óók Maarten Luther". Dat dorst en mocht de geloofsheld van Wittenberg voor God neerleggen, voor de menschen belijden en het den duivel in 't aangezicht slingeren. „Zoo is er dan geen verdoemenis meer voor degenen, die in Jezus Christus geborgen zijn." Dat heeft Erasmus nooit geleerd en nooit beleden.
Nergens komt dit zoo duidelijk uit, als in den strijd tusschen Erasmus en Luther „over den vrijen wil des menschen" (de libero arbitrio). In de verhouding tot God beschikt de mensch over een vrijen wil. Door de kracht in het menschelijike wilsleven beschikt de mensch over het goede. Als de mensch valt, , is 't 's menschen eigen schuld, als hij 't haalt, komt dat door z'n eigen wilskracht. Laat het dan gewoonlijk weinig zijn dat de mensch doet, maar „iets" doet hij toch wel. Er is een „werkverdeling tusschen God en mensch". Hij kan de genade aannemen en verwerpen, zooals hij wil. En Erasmus was altijd bezig het zóó af te wegen, dat God Zijn deel krijgt èn de mensch. Met name van het gebed bijv. leerde hij, dat 't de ééne keer werking Gods is, de andere keer bidt de devote mensch.
Luther gevoelde, dat de volstrekte genade Gods werd verworpen door Erasmus, die Pelagiaan was en geen discipel van Paulus en Augustinus. En daarmee hangt samen — zoo schrijft Luther — de heilsverzekerdheid. Want de mensch moet dan zelf voor grooter of kleiner deel voor z'n zaligheid zorgen ; en dan kan men nooit weten of het wel genoeg is voor God. Als de ladder, om over de muur te klimmen, eens te kort zou zijn, dan zou men mislukken. Men weet maar nooit, of God met de werkprestaties van den mensch tevreê is !
De waarachtige deemoed stond Erasmus tegen. De mensch heeft z'n vrijen wil en daardoor het recht zich wegens zijne verdiensten tegenover God te beroemen. Er blijft voor den volstrekten religieusen ootmoed, bij de „werkverdeeling tusschen God en den mensch" geen plaats meer. En de heilsverzekerdheid is er niet. Want, zal God ons wel helpen en bijschieten met Zijn helpende-genade, na onze werkprestaties, hoe vroom ook verricht ?
Dat Erasmus hier de Humanist is en Luther de discipel van Jezus Christus, het geesteskind van Paulus en Augustinus, is duidelijk, 't Gaat om het werk en het vermogen der menschen of om God als gever van alle goed, het begin, het midden en het einde van alle werk.
Te Dordrecht, in de jaren 1618/'19, ging het in den grond der zaak om dezelfde allesbeheerschende, fundamenteele, diep religieuze kwestie: is God de bron van zaligheid in de verzoening onzer zonden in Jezus Christus, öf is er „werkverdeeling tusschen God en den mensch" met Christus als helper en voorbeeld ?
Gomarus verdedigde het Reformatische standpunt. Arminius, de geestelijke vader der Remonstranten, schaarde zich aan de zijde van Erasmus. En laat men alle bijkomstige dingen weg, dan lijdt het voor ons geen twijfel, of Gomarus is hier het diepst in het religieuze leven door­ gedrongen, geestverwant van Paulus zijnde. Gomarus heeft de souvereniteit Gods volstrekt willen handhaven naast en bij de volstrekte verlorenheid van den mensch, die zondaar is, om te prediken de leer, dat de in Christus gerechtvaardigde zondaar alleen door het geloof getroost kan leven en zalig kan sterven.
Bij Arminius liep de leer van de souvereiniteit Gods en de leer van de volstrekte en alleen zaligmakende genade Gods beslist gevaar.
En dat is het hart der Reformatie, het fundament en de sluitsteen van het Gereformeerd Protestantisme, ook ten onzent.
Daarom kan Erasmus ook in deze onze man niet zijn !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's