De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DE WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DE WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

11 minuten leestijd

Genesis 6 : 7 en 8. En de Heere zeide : Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de oogen des Heeren.

3e Serie.
XVII.
Gods oudste gemeente heeft reeds een zeer diep inzicht gehad in de beteekenis der wereldzonde harer dagen. Zij was diep doordrongen van de doemschuld der wereld, in welker midden zij leefde, zoodat zij van den ondergang gewis was. En deze ontdekking voor de verlorenheid was de keerzijde van haar Godskennis. Deze twee. Godskennis en zondekennis, gaan met elkander gepaard, daar de kennis der heiligheid, der heerlijkheid en der majesteit van Gods deugdenbeeld den mensch zijne onheiligheid, zijn gruwel en de verdorvenheid van het beeld Gods, dat hij draagt, openbaart. Het licht des Geestes maakt 's menschen duisternis, openbaar. En het blijkt hier, dat eeuwen, voordat er nog sprake kon zijn van een geschreven Woord, Gods Kerk in de oude wereld een open oog heeft gehad voor het recht Gods. Zijne openbaring had dus reeds zeer vroeg den uitverkorenen een helder licht geschonken over de zedelijke heerlijkheid in Gods Wezen, als te rein van oogen dan dat Hij het kwade kan zien. Zij verstond, hoe die wereld niet slechts in haar eigen oogen, maar hoe zij voor God wel zijn moest. Zij kende dus de waarheid van den wereld-staat, doorgrondde 'het wezenlijke harer zedelijke verdorvenheid, al achtte deze wereld zelve in hare ongebondenheid en Godvergetenheid, dat hare cultuur haar tot voorheen ongekende hoogte opgeheven had.
Het was met die oude wereld en de waardeering, die haar van de zijde van Gods gemeente te beurt viel, evenals met de moderne wereld en wat zij wezenlijk is in de waardeering van Gods volk. Ondanks den glans van haar cultuur-schatten, ondanks hare zelfverheerlijking, haar trots en waan, weet het kind des Heeren, koe innerlijk arm, hoe wezenlijk ijdel en onbeduidend het al voor God den Heere is. Die in den hemel zit zal lachen om al hare inbeelding, om den afgodendienst, dien zij bedrijft met zichzelve. Gods kinderen kunnen soms diep de verlorenheid der wereld inleven, zoodat zij verschijnt in het volle licht van Gods recht. En dan wordt het beseft, ten laatste zelfs door het geloof verstaan, hetgeen de apostel aldus omschrijft: „want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods." Want onder dat licht van Gods heilig recht, waarin haar de wereld verschijnt, schouwt Gods Kerk ook zichzelve als onrein te midden van een onrein volk. En alzoo heeft ook de eerste Kerk des Heeren de menschheid van hare dagen gezien in haren val, waarin de schepselen-wereld mede betrokken was, zoodat zij wel moest belijden, dat de Heere zeggen kon: „want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb." Zooals een zondaar in den weg der ontdekking met den psalmdichter aan God kan denken en misbaar maken, peinzen kan en overstelpt worden, zoodat zijne ziel weigert getroost te worden, omdat het hem schijnt als heeft de toezegging een einde, zoo heeft de eerste gemeente de wereld haars tijds gekend als zoo ver ontvallen aan hare waarachtige bestemming, dat de Heere wel van zulk een verzondigd schepsel zeggen moest: „het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.”
Maar nu is dit het schoone, het wondere, het ondoorgrondelijke, dat die kennisse Gods, die de Heere aan Zijne Kerk bereidt, haar niet alleen brengt tot een inzien in den spiegel van Gods recht, maar haar tevens een oog schenkt voor de oneindige liefde, voor de ongehoudene goedertierenheid Gods. Zij bleef niet staan alleen bij de kennis harer verlorenheid, beleed den Heere niet alleen als den God der wrake, die blinkende zou verschijnen als Rechter der aarde, doch mocht Hem ook ontmoeten als toevlucht en burg, als haren God, op welken zij vertrouwde, dewijl Hij een Vader der barmhartigheid is, die niet zal toelaten, dat Zijne heiligen de verderving zien. En daarom wordt tegenover den donkeren achtergrond van zonde en oordeel, waaronder de oude wereld gebukt ging, ook een uitzicht ontsloten op den lichtglans des ontfermens, die doorbreekt in de verkiezende daden Gods. Tegenover die gansche wereld, die in het booze lag en voorbestemd was om het recht te ondergaan, dat over hare zonde gebracht zou worden, verschijnt nu Noach in de geweldige tegenstelling als de eenige, die drager is van Gods genadeverbond. De Heere kende een berouw over des menschen schepping, zoo wordt het ons geteekend, om ons den gruwel der wereldzonde af te malen. Maar Noach vond genade in de oogen des Heeren.”
In deze woorden wordt ons de antithese in al hare scherpte klaar voor den geest gesteld. „Maar, " zoo luidt het, om de onverwachte tegenstelling ons te ontdekken, die er was tusschen die wereld en dezen éénen mensch. En deze tegenstelling vond haren grond niet daarin, dat er in den persoon van Noach zelven iets was, waardoor deze in contrast met de wereld verschijnt. De onderscheiding bestond slechts in de verhouding, waarin de Heere stond tot de wereld en tot dezen Noach. Die wereld verschijnt hier voor de vierschaar Gods, als tot het oordeel onherroepelijk voorbestemd vanwege hare goddeloosheid. En dit trof haar in haar geheel, zoodat zij onder de straffende gerechtigheid moest verkeeren. Slechts de eenige uitzondering die, hoe hij ook zelve mocht wezen, voor des Heeren aangezicht stond als de man, die genade vond in de oogen des Heeren. De Heere zelve stond dus in eene andere verhouding tot dezen Noach en uit die andere verhouding volgde voor dezen Noach een geheel andere betrekking tot het goddelijk Wezen. En deze wordt ons aldus omschreven, dat hij in des Heeren oogen genade vond.
In den grondtekst wordt voor dit „vinden" een woord gebezigd, waarin ons geteekend wordt, hoe deze Noach een leven gekend had, dat het best vergeleken kan worden met wat de dichter van den 27en Psalm van zichzelven heeft gezongen in deze woorden : „Mijn hart zegt tot U : Gij zegt: zoek mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o Heere !" Hij vond genade in des Heeren oogen, want daarnaar ging zijne ziel uit. En zijne ziel ging daar naar uit en kwam tot die genade, omdat de Heere naar hem uitging, naar hem zocht en hem dus ook vond. Hij vond „genade." En in dat woord wordt ons in het Hebreeuwsch het eigenlijk zoó voorgesteld, dat daarin openbaar wordt de nederbuiging Gods, het zich neigen naar dezen Noach, om hem Zijne goddelijke erbarming te doen ervaren. Met die gunst wordt hij door den Heere bezocht. Zooals de Psalmist zich tot den Heere wendde met dé bede : „Gedenk mijner, o Heere ! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil, " zoo bezocht de Heere Noach met Zijne gunst, die de vrucht was van de verkiezende liefde, van de geneigdheid Gods tot dezen Noach. Deze Noach heeft dus op een zeer bijzondere wijze langs een weg van diep geestelijk leven de verkiezing beleefd.
Daaruit wordt het duidelijk, hoe deze mensch reeds te midden der oude ondergaande wereld de verkiezing heeft gekend. Zij was voor hem een levensstuk, waarin hij op wondere wijze leerde verstaan bij ervaring, hoe God zich verheerlijkt in de begenadiging der zondaars. En de oude wereld heeft daarvan de uitwerking wel gezien, maar niet begrepen. Ook hiervan kan gezegd, als van den Heere Jezus in de vleeschwording des Woords : „het licht scheen wel in de duisternis, doch de duisternis heeft hetzelve niet begrepen." De oude, ondergaande wereld, stootte zich wel aan Noach's verschijning en aan zijne prediking, ergerde zich aan hem, vond hem zeker wel een verschrikkelijk mensch, haatte hem, zou hem hebben willen dooden, maar zij begreep hem niet. Zooals de Hebreën-brief zegt : „hij veroordeelde de wereld." En dit niet alleen doordat hij de ark heeft gebouwd, maar ook lang van te voren reeds door zijne prediking, door zijn gansche leven, dat als een brief was, uit den hemel geschreven. Doch zij had geen oog en geen oor voor het wezenlijke zijner persoonlijkheid. Zij kende de diepe, de onoverbrugbare klove, die er was tusschen haar leven en de levensidealen, waarvan deze Noach getuigde. De tegenstelling tusschen die wereld en Noach was onverzoenlijk. Het licht van Gods genade blonk in Noach, zoodat hij als een brandende kaars was te midden van een krom en verdraaid geslacht, maar dit geslacht deed hem geen recht wedervaren, waardeerde hem niet alleen niet, maar keerde zich van hem af, omdat de Heere Zich naar dezen Noach had toegewend om hem te zoeken met Zijn gunstrijk welbehagen. En deze wereld verstond maar niet, hoe in dit zich keeren Gods naar Noach eene zoekende liefde Gods zich naar haar zelve uitstrekte, opdat zij nog zou worden behouden van den toekomenden toorn. Er was dus te midden van dezen gruwel van zonde nog een gedenken Gods aan ontferming, maar de wereld had er geen oog voor. Zy ging voort in hare ellende, zonk steeds dieper en daartegenover werd de genade steeds wonderlijker geopenbaard' in Noach. Want hij was de eenige en dus voor die wereld als een wonderteeken der verkiezende genade.
En zoo is nu Gods volk nog in deze wereld een wonderteeken, dat de wereld ziet, maar waaraan zij schouderophalend voorbij gaat. Het licht schijnt alzoo nog in de duisternis, maar zij verstaat het niet. Het oog der wereld is gericht op de dingen dezer wereld, zoekt niets anders, begeert niets anders. Het heft zich niet op naar de hemelen, om van daaruit de redding te verwachten. De leid-sterren Gods bemerkt zij niet. En zoo gaat zij voort op den weg van afdwaling en verderf, totdat aan de lankmoedigheid des Heeren een einde bomt en het oordeel wordt voltrokken. En dan wordt het onderscheid openbaar tusschen de kinderen Gods en de wereld, waarin zij verkeerd hebben, als waren zij vreemdelingen op aarde. Dan blijkt het, dat dit wortelde, niet in de menschen, niet in hun wü en deugd, maar in Gods verkiezende daad, die eene andere verhouding schiep tusschen God den Heere en Zijn volk. Als de Schrift ons hier meedeelt, dat in tegenstelling met de wereld Noach genade vond in de oogen des Heeren, dan wordt het in de wijze, waarop dit wordt gezegd, ons duidelijk, dat het uitgangspunt voor die andere betrekking niet gelegen heeft in Noach, maar in den Heere zelven alleen.
In den Heere zijn de uitgangen des levens, in Zijne hand ligt de schepping. Hij is die God, die de hemelen geschapen heeft, die God, die de aarde heeft geformeerd. En ook nadat zij door Hem werden voortgebracht, heeft Hij ze niet overgelaten, want, zoo zegt Jesaja, „die God, die haar gemaakt heeft, heeft ze ook bevestigd." Alle geslachten moeten weten, dat Hij de Heere is en niemand meer. En ook hare geschiedenis gaat niet om buiten Hem, zoodat Zijn Woord tot de volken uitgaat. Wie heeft dat laten hooren van oudsher ? Wie heeft dat van toen af verkondigd ? En Hij antwoordt op Zijn eigen vraag: „Ben ik het niet, de Heere ? " Niemand behoeft Hem wetenschap te leeren en Hem bekend te' maken den weg des veelvuldigen verstands. In Zijne hand is het al. De volken zijn als niets voor Hem en de vorsten maakt Hij te niet. En zoo is de geschiedenis der menschheid in Zijne hand. En Zijn volk moet dat weten, opdat het zich tot Hem zal keeren. Maar ook dat volk zelf heeft Hij geroepen, niet omdat er in dat volk iets was, dat Hem daartoe kon nopen. Heeft Hij niet in latere eeuwen van Israël gezegd, dat het een heilig volk is den Heere uwen God, verkoren opdat het Hem tot een volk des eigendoms zijn zou uit alle volken, die op den aardbodem zijn ? En dit heeft Hij gedaan, niet omdat Hij lust tot dat volk had om de veelheid boven andere volken, want het was het geringste van alle volken. Doch Hij deed het, omdat de Heere het lief had, opdat Hij den eed hield, aan de vaderen gezworen, omdat Hij het verbond en de weldadigheid houdt. En diezelfde vrijmacht in de verkiezing dier vaderen gold nu ook voor de linie der genade, waaruit ten laatste Noach was gesproten. Hij vond genade in de oogen des Heeren te midden eener goddelooze wereld, waaraan God het recht zou voltrekken. Hij onderscheidde dezen Noach, bezocht hem met de teekenen Zijner gunst, wederbaarde hem en stelde hem tot Zijn profeet, opdat die wereld, wanneer zij dan haren ondergang tegemoet ging, toch zou weten, dat zij verloren ging om eigen zondeschuld.
Zoo heeft dus de eerste gemeente in Noach's exempel het licht van de openbaring reeds zien opgaan over de eeuwige verkiezing Gods. Zij aanschouwde in hem, dat de genade particulier is. Zoo verscheen hij als een wonder Gods voor de oogen zijner tijdgenooten, die de veroordeeling voelden in Noach's verschijning en daarom juist in stede van zich te verootmoedigen, in vijandschap, in hoon en smaad zich tegen hem keerden. Maar Gods gemeente, hoe klein ook, heeft in hem gezien de Souvereine majesteit des Heeren, zich openbarend in de vrijmacht der genade. En zij heeft, als zij trachtte het werk haars Gods te toegrijpen, beleden : Er is geene doorgronding van Zijn verstand.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DE WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's