De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

DE OPLEIDING ONZER ZENDELINGEN.
»Van Leiden naar Oegstgeest gaande«, schrijft G. W. Beumer in het „Correspondentieblad" der Vereeniginig van Chr. Onderwijzers, »langs den Rijnsburger weg en den Leidschen straatweg, komt men na een klein kwartier loopen aan een hek, dat toegang geeft tot het terrein van de Nederlandsche Zendingsschool.
In het gebouw is behalve de Ned. Zendingsscbool ook het Zendingsbureau der Samenwerkende Zendingscorporaties gehuisvest.
Een stuk historie van bijna 150 jaren gaat aan onzen geest voorbij, als wij onze gedachten bepalen bij dit gebouw en den arbeid, daar verricht.
In onze Zendingsgeschiedenis wordt herhaalde malen gesproken over de noodzakelijkheid om a.s. Zendelingen op te leiden. In 1816 bijv. achtte het Nederl. Zendelinggenootschap het beter om godsdienstige jongelieden, die bekwaamd moesten worden voor den Zendingsarbeid, op den duur niet in hun gewonen kring te laten verkeeren, maar ze liever in een stille landgemeente door 'n geschikten broeder te laten onderwijzen en zoo mogelijk ook bij hem te huisvesten. Men wilde niet vormen „wijsneuzige met sektengeest doortrokken, ligtelijk bij anderen dwaalleering riekende, ligtelijk twistende Polemieken , maar liefderijke en Christelijk gezinde verkondigers van de eenvoudige Evangelie-boodschap onzer Verlossing door Christus, onzer Verzoening met God in Zijn Kruisbloed".
De stille landgemeente vond men in Berkel, en den geschikten broeder in ds. Samuel Kam, die in Augustus 1816 het eerste vijftal kweekelingen ontving. De hygiënische toestanden bleken er echter zeer slecht. Bovendien was de pastorie te klein. Deze inrichting werd daarom opgeheven in 1821. In 1822 werd besloten de opleiding te splitsen in een voorbereidend en een voltooiend gedeelte. Het eerste zou gegeven worden op de woonplaats der aspiranten, het tweede te Rotterdam door of namens de Bestuurders. Hier zou op kennis van taal, land en godsdienst de nadruk vallen, en eenige bekendheid zou worden aangebracht van heel-en werktuigkunde. Deze opleiding bleef bestaan tot 1841. In 1838 betrok men echter reeds een huis in den Houttuin. In 1841 werd de opleiding uitgebreid. De Houttuin werd in 1854 verwisseld tegen de Rechter Rottekade, Waar men „'t Huis den Arend" aangekocht had.
In dit huis, later verbouwd en uitgebreid, bleef het Ned. Zendelinggenootschap en later de Ned. Zendingsschool (dus de opleiding van het Ned. Zend. Gen. en de Utrechtsche Zendingsvereeniging) gevestigd tot de verhuizing naar Oegstgeest. Tegenwoordig is men algemeen doordrongen van de noodzakelijkheid, dat de Zendelingen degelijk voorbereid worden voor hun taak.
Dr. A. M. Brouwer, van 1910—1921 rector van de Zendingsschool, zegt hiervan in zijn brochure: De opleiding der Zendelingen : »De tijd is voorbij dat men Christenwerklieden uitzendt om het Christelijk geloof tegelijk met nieuwe arbeidsmethoden over te planten. De diepere studie van het Oostersche volksleven heeft doen zien, dat de verhoudingen zoo gecompliceerd zijn, dat een zoo eenvoudige Zendingsopvatting weinig kans van slagen moest hebben. Men leze de klachten, die sommige werklieden hebben geuit, klachten over eigen benarde financiëele omstandigheden, 'klachten over totaal gebrek aan vrucht op den arbeid, klachten over gemis aan taalkennis en eenige passende voorbereiding. En men merke op, hoe de Gosznersche Zending te Berlijn, die oorspronkelijik van het uitzenden dier Christenwerklieden alle heil verwachtte, nu een opleiding heeft, die met de onze gelijk komt. Tegenwoordig wordt er van de Zendelingen op 't arbeidsveld iets anders verwacht dan eenige tientallen jaren geleden. Er is een tijd geweest, en dit tijdperk is nog niet geheel afgesloten, dat de taak van den Zendeling bestond uit: het prediken van het Evangelie, het vertalen van den Bijbel, onderwijs geven en geneeskundige hulp verstrekken.

Het vertalen van den Bijbel wordt thans aan taalgeleerden opgedragen — het Nederlandsch Bijbelgenootschap heeft hiervoor zijn eigen afgevaardigden — voor de medische hulp worden meer en meer doktoren en verpleegsters (diakonessen) uitgezonden, het onderwijs wordt voor een groot deel door onderwijzers en onderwijzeressen gegeven. De taak van den Zendeling is steeds meer geworden een taak van opvoeden, van leiding geven, van adviseeren. Het doel der Zending is het vestigen van een zelfstandige Christelijke kenk, een Oostersche kerk, die ingericht is naar de behoeften en de inzichten van het Oostersche volk. Over de verwezenlijking van dit doel zeggen we later wel eens een en ander.
De voorbereiding van den Zendeling moet met dit alles rekening houden.
Dr. Brouwer zegt: „Lettende op hetgeen de arbeid inhoudt; moet een goede opleiding dus aan de volgende eischen voldoen :
Ie. zij moet het 'Christelijk geloof versterken en bevestigen;
2e. zij moet tot bewustheid brengen, wat de gemeente in Christus bezit, wat in deze hoofdzaak, wat in deze bijzaak is ;
3e. zij moet den blik verruimen, het verband doen opmerken tusschen maatschappelijke welvaart en vatbaarheid voor het Evangelie, en daarom degelijke, practische mannen met algemeene ontwikkeling kweeken, die door de liefde van Christus gedrongen, hoog genoeg staan om het zieleleven van een vreemd volk te verstaan en te eerbiedigen ;
4e. zij moet zich in 't bijzonder bezig houden met theologie, zendingsstudie, taastudie, geschiedenis van land en volk, opvoedkunde en eenige kennis der geneeskunde, en dit alles moet door de idee der Zending tot één verbonden en bezield worden."
Er is een tijd geweest dat de beginselen van het Latijn en het Grieksch aan de Ned. Zendingsschool gedoceerd werden.
Vroeger werd de kennis der klassieke talen onmisbaar geacht voor het werk der Bijbelvertaling door Zendelingen. Het Nederl. Bijbelgenootschap heeft, zooals we reeds vermeld hebben, zijn taalgeleerden, die dit werk voor hun rekening nemen. Een dezer taalgeleerden, dr. N. Adriani, heeft er op gewezen, dat de bouw der Maleisch-Polynesische talen zoozeer verschilt van die der klassieke, dat de studie van Latijn en Grieksch hier eerder belemimerend dan helpend zal werken. Het Latijn is afgeschaft, het Grieksch is facultatief gesteld, zoodat het niet meer op de rooster voorkomt. Aan het Hebreeuwsch is de Ned. Zendingsschool zelfs nooit begonnen.
Het karakter der opleiding is niet hoofdzakelijk „theologisch", veel meer „aan de eischen der Zending beantwoordend". „De opleiding", zegt prof. van Nes, „behoort iets eigens te bezitten, de opleiding moet de hersenen en het gemoed der kweekelingen zoodanig imbibeeren, dat zij „Zending droomen". De geheele opleiding duurt zes jaar, de school is verdeeld in drie tweejarige klassen. De eerste klasse omvat de vakken : Duitsch, Engelsch, Nederlandsch, natuurkennis, wiskunde, boekhouden, aardrijkskunde, geschiedenis, bijbelsche geschiedenis, geloofsleer, uitlegging Oud-en Nieuw Testament, Zendingsgeschiedenis, stemvorming, zang, teekenen, kunstgeschiedenis, gymnastiek, muziek en timmeren.
In de tweede klasse wordt het onderwijs in het Duitsch en Engelsch voortgezet, dat in de Indische talen begonnen. De hoofdzaak is hier echter de behandeling der theologische vakken, welke zoo goed als alle gegeven worden door den rector der school. Aan het einde van het vierde leerjaar leggen de kweekelingen examen voor zendeling-leeraar en hulpprediker af bij de „Coimmissie tot de 'Zaken der Protestantsche Kerken in Nederlandsch Oost-en West-Indië", kortweg „de Indische Commissie" genoemd.
Wie daarvoor in aanmerking komen, worden door het Classicaal Bestuur van Leiden tevens geëxamineerd voor godsdienstonderwijzer.
Indien mogelijk, wordt daarna het toekomstig arbeidsveld vastgesteld. In het vervolg kan dan daarmee rekening gehouden worden bij het individueel onderwijs in de 3e klasse. Hier komen de Indische vakken en de medische cursus aan de beurt. Behalve de Indische talen staan de Indische godsdiensten, de godsdienstwetenschap, de Zendingswetenschap, de Zendingsgeschiedenis en Zendingsmethode, de geestelijke en sociale stroomingen, de inleidingsvragen betreffende werelden levensbesdhouwingen, de psedagogiek, de practica met bijbehoorende oefeningen, de voortgezette exegese en Bijbelsche theologie, op het programma.
Er wordt heel hard gewerkt. Niet alle leerlingen behoeven de drie klassen te doorloopen. Wie genoeg gevorderd is, kan dadelijk in de tweede klasse komen.
Wie de theologische studie aan de Universiteit reeds achter den rug heeft, komt in de derde Klasse. Het Muziekkorps Zankamadali, dat alle Lunteranen wel eens hebben hooren spelen, getuigt er van, dat het muzikaal gedeelte op de Zendingsschool goed verzorgd wordt.
De aspirant moet voor de opneming medisch gekeurd worden. Kan men met reden veronderstellen, dat hij gezond is, een voldoenden aanleg bezit en een oprecht geloof in Christus, dan kan hij tot het proefjaar toegelaten word»n. Aardig is wat prof. Van Nes in het AprUnummer van Wolanda-Hindia vertelt: »Onze docent voor psedagogiek stelde verleden jaar een onderzoek in naar de beteekenis der school voor haar leerlingen. 'Hij vond deze in de drie factoren : verruiming van den geestelijken blik, overwinning van het intellectualisme en vorming der godsdienstig-zedelijke persoonlijkheid.«
De Nederlanidsche Zendingsschool is 15 Juli 1905 opgericht door het Ned. Zendinggenootschap
en de Utrechtsche Zendingsvereeniging. Sedert 1 Aug. 1919 gaat zij mede uit van de Nederlandsche Zendingsvereeniging. Dit neemt echter niet weg, dat ook andere Zendingsgenootschappen hier hun Zendelingen laten opleiden. We kunnen wel zeggen, dat zoo goed als ieder, die in onis vaderland tot Zendeling-leeraar of hulpprediker wordt opgeleid, zijn vorming in Oegstgeest ontvangt.
Slaan we het laatste Zendingsjaarboek op (1930 —'31 tot 1931—'32, met een supplement voor 1933) dan vinden we vermeld, dat dr. F. J. Fokkema de rector is, en de Zendeling-leeraar Adr. van der Endt, de internaats-director, voorts worden genoemd de Zendingsdirectoren : ds. Joh. Rauws, ds. B. J. C. Rijnders, dr. K. J. Brouwer en ds.
D. Crommelin.

In het jaarverslag van ds. Joh. Rauws (1928— '29) over het Zendingswerk in Ned. Oost-en West-Indië lezen we :
»De Ned. Zendingsschool zag de leerlingen der 3de klas naar het Zendingsveld vertrekken : 3 naar de terreinen der Utrechtsche Zendingsvereeniging, 1 naar het terrein van het Sangi-en Talaud-Comité, 1 naar dat van den Gereform. Zendingsbond, 1 naar Suriname. Opgenomen werden in de 3de klas 4, in de 2de klas 6, in de 1ste klas 11 leerlingen, zoodat deze klassen nu tellen respectievelijk 12, 15 en 11 leerhngen. Verder 1 onderwijzer in opleiding, 1 Zendeling van Bazel, 3 Zendelingen van Barmen.«

In het jaarverslag 1930—'31 :
»De Indische Kerk vaardigde dit jaar 6 nieuwe hulppredikers af, onder wie 1 Ambonees, 1 Menadonees, 2 Duitschers en 2 Hollanders; het Ned. Zend. Gen. eni de Utr. Zendingsvereeniging vaardigden ieder 3 nieuwe Zendelingen af.«

In het jaarverslag van 1932—'33 :
»De Ned. Zendingsschool nam dit jaar in de nieuwe eerste klas slechts 5 leerlingen op, en 1 die kon invallen in de tweede. Op verzoek der Regeering werden dit jaar geen nieuwe leerlingen aangenomen voor de opleiding tot hulpprediker der Indische Kerk.«

Over de geschiedenis der opleiding en de geschiedenis der oprichting van de Ned. Zendingsschool zou nog heel wat te zeggen zijn. Wij meenen echter, het hierbij te moeten laten en wijzen belangstellenden op het volgende studiemateriaal :
Ie. De opleiding onzer Zendelingen, door dr. A. M. Brouwer, geschreven in den tijd, dat prof. Brouwer rector der Zendingsschool was
2e. De Ned. Zendingsschool 1905—'15, door prof. dr. H. M. van Nes.
3e. De Ned. Zendingsschool 1905—"30, door prof. dr. H. M. van Nes, artikel in het tijdschrift voor Zendingswetenschap, 2e stuk 1931.
4e. De Ned. Zendingsschool, artikel in Wolanda-Hindia, April.

VAN OUDS : »DE SCHOOL MET DEN BIJBEL« VOOR DE GEDOOPTE JEUGD.
Een School met den Bijbel is niet iets van de laatste jaren. Neen, sedert de dagen der Hervorming, toen de Bijbel weer onder ons volk is gekomen, in de Kerk en in de gezinnen, is de Bijbel óók gekomen op de Scholen. En de Gereformeerde Kerk van Nederland heeft daarvoor van den beginne af aan groote zorg gedragen.
Als men dus op onze dorpen — en waarlijk daar niet alleen, want in de steden weet men ook van die redeneering ! — wel eens wil vertellen : »de Openbare School is de oude school en de Christelijke School is een uitvinding van den nieuweren tijd« (waarmee men menig ouder verschalkt en beweegt om de kinderen naar de Openbare School te zenden), dan is men er geheel en al naast; dan spreekt men de waarheid niet. Want de Openbare, z.g.n. Neutrale Openbare School (die men dan geschikt acht voor een gemengde bevolking van stad en land) is een uitvinding van den modernen tijdgeest, die na de revolutie beslag kwam leggen op de menschen en die nog altijd geëxploiteerd wordt om het Christelijk Onderwijs te bemoeilijken en van de plaats, welke aan de School met den Bijbel toekomt, te verdringen.
Een bewijs voor de oudheid van de School met den Bijbel vinden we — we wezen er reeds vroeger meer dan ééns op — in de Handelingen van de Dordtsche Synode. Want in de 17de zitting der Synode werd gehandeld over het schoolwezen en besloten : »opdat de Christelijke jeugd van haar teedere jaren aan, naarstig in de fondamenten der ware religie onderwezen en met godzaligheid vervuld moge worden, zoo moet drieërlei wijze VEin catechiseeren waargenomen worden. In de huizen door de ouders; in de scholen door de schoolmeesters, en in de kerken door de predikanten, ouderlingen en lezers en ziekenbezoekers. En opdat deze allen hun ambt naarstig mogen doen, zullen de Christelijke magistraten (overheidspersonen) verzacht worden een zoo heilig en noodig werk door haar autoriteit te bevorderen : zullen ook al degenen, aan wie het opzicht en het bezoeken der kerken en scholen bevolen is, vermaand worden, dat zij inzonderheid over dit stuk zorg willen dragen.«
In overeenstemming met dit besluit, luidde dan ook artikel 21 van de Dordtsche Kerkorde, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, spreken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in den Catechismus onderwijzen
We weten wel, dat het schoolwezen vroeger anders was ingericht dan tegenwoordig. Wie oude schoolverordeningen leest en de schoolgeschiedenis in ons Vaderland van den beginne af aan nagaat, weet dat wel.
De Heere heeft ons ook in den loop der geschiedenis wel nader onderwezen, zoodat wij beter dan onze Vaderen en de oude Magistraten weten, aan wie in de eerste plaats het onderwijs onzer kinderen moet worden toebetrouwd, zijnde de ouders. Niet de Overheid, ook niet de Kerk, maar de ouders zijn in de allereerste plaats van den Heere geroepen, om te zorgen voor de opvoeding en toet onderwijs van hunne kinderen, zoodat ook onder ons leeft de gedachte, dat de School aan de ouders behoort en dat de School van de ouders moet uitgaan. Maar dat verandert niets aan de stelling, dat van ouds hier in Nederland de volksschool geweest is een School met den Bijbel, een Christelijke School, waar Gods Woord en de Catechismus als leiddraad bij het onderwijs was.
Dat moet in het midden van de Christelijke gemeente leven, dat aan de gedoopte kinderen Christelij k Onderwijs moet worden gegeven, op Scholen met den Bijbel, waartoe de ouders geroepen worden to.v. óók bij den Doop van hun kinderen. Dan verplichten zij zich omzelf, in hun gezin, hun kinderen Christelijk en godzalig op te voeden en te onderwijzen; zij verplichten zich om hun kinderen in de Kerk, door de predikanten. Christelijk en godzalig te laten onderwijzen (op de catechisatie) ; maar zij verplichten zich óók om hun kinderen op School Christelijk en godzalig te laten onderwijzen.
De ouders moeten telkens tot dien plicht geroepen en bij hun taak bepaald worden en voor Christenouders is er dan maar één School en dat is : de School met den Bijbel.
De Openbare School is in deze misleiding en verzoeking voor Christenouders.
Daar is de Bijbel contrabande. Daar mag men niet merken, of de onderwijzer geloovig of ongeloovig is, Jood, Roomsch of Protestant, 't moet alles zijn »zonder leerstellig onderwijs«, zóó, dat van zonde en verlorenheid niet gesproken mag worden en de Naam van den Heiland niet mag genoemd worden.
En waar over de leer van de zonde heen gepraat wordt, misleidt men onze kinderen, en waar men den Naam van den Heiland verzwijgt, berooft men onze kinderen van 't hoogste goed, ingaande tegen het woord van Jezus : »laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.«
Geen wonder, dat de geloovige Christenen nu meer dan een eeuw lang in Nederland hebben gestreden tegen de neutrale Openbare School, die de Overheid pasklaar heeft gemaakt voor een gemengde bevolking, door Gods Woord uit te bannen en den Naam van den Heiland te verzwijgen, door niet te spreken noch van de Wet, noch van het Onze Vader, noch van zonde, noch van verlossing, noch van Doop, noch van Avondmaal, noch van 't morgen-, noch van het avondgebed, het gebed vóór en het gebed na het eten, enz. enz. Nocto het Kort Begrip, noch de Catechismus worden gebruikt.
En nu zegt men wel, dat op de Openbare School na schooltijd of tusschen de schooluren (geheel afgezonderd van het gewone onderwijs) hier en daar „godsdienstonderwijs" gegeven wordt en dat nu de kinderen uit Christelijke gezinnen daar gerust ter schole kunnen gaan — maar dan vergeet men, dat het eigenlijke onderwijs, door het personeel der school te geven alle dagen van de gansche week, „godsdienstloos" is, met verloochening van het Woord des Heeren: »Zonder Mij kunt gij niets doen« én ,,Ken Mij in al uwe wegen". Men negeert God en Zijn Woord. En ook als er „godsdienstonderwijs" naast het gewone onderwijs gegeven wordt, moet den ouders, die van de Openbare School voor hun kinderen gebruik maken, worden aangezegd, dat ze on-trouw zijn, dat ze hun roeping en plicht niet nakomen, doordat ze weigeren hun kinderen te zenden naar een School met den Bijbel, waar al het onderwijs staat in het teeken van Gods Woord en Waarheid.
Wij zullen ons dan ook niet verzetten tegen de pogingen, die, vooral in de groote steden, in werking worden gesteld om op de Openbare Scholen „godsdienstonderwijs" te geven. Maar we zullen tegelijk niet nalaten ons te verzetten tegen de voorstelling, alsof het dan zoo prachtig in orde is met het onderwijs, dat daar gegeven wordt. Het is voor ons een toewijs, dat het niet in orde is. En den ouders, die onder de Doopbelofte liggen en plechtig hebben toegezegd en voor hun rekening hebben genomen (»en voor u neemt« uit het Doopformulier beteekent »en voor uw verantwoording neemt«) om hun kinderen Christelijk op te voeden en Christelijk te doen onderwijzen en te helpen onderwijzen, waarbij zéér zeker behoort het schoolonderwijs van onze kinderen !
En Christenouders zijn ontrouw als ze hierin nalaten wat hun heilige en dure roeping is.
Ze weten beter. Met drogredenen wil men z'n consciëntie stillen of z'n doen en laten goedpraten. Maar dat is het kwaad bestendigen en verergeren. Beter is, dat men z'n wegen doorzoekt en leert wederkeeren tot den weg des Heeren naar Zijn Woord. Zijn wil is ons in deze niet verborgen en we zullen ons nooit kunnen verantwoorden voor Hem, Die al onze paden ziet en voor Wien niets verborgen is.
Vooral in deze tijden van grooten en vreeselijken afval moet worden aangedrongen op getrouwheid in het doen van hetgeen de Heere van ons eischt, opdat er geen geslacht opgroeit, dat den Heere niet vreest en Hem den rug toekeert.
Dat de Scholen met den Bijbel voor land en volk, voor gezin en Kerk, voor Staat en maatschappij tot rijken zegen mogen worden gesteld, naar den rijkdom van Gods genade en liefde in Christus !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's