MEDITATIE
GODDELIJK ONTFERMEN.
En de Heere zeide ; Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hunne drijvers ; want Ik heb hunne smarten bekend. Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren. Exodus 3 vers 7 en 8a.
Waarde Lezer.
God ziet de verdrukking, gelijk ons tekstwoord zegt : „Ik héb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is." De Heere wilde daarmede aan Mozes, die voorzeker menigmalen daar in de eenzame en stille uren van de 40 jaren, in welke hij de schapen in de woestijn hoedde, en nadacht over zijn zoo zwaar verdrukt geslacht in Egypte, en zal gevraagd hebben of God het wel zag en wist — te kennen geven hoe door en door Hij alles met de blikken Zijner Alomtegenwoordigheid en Alwetendheid aanschouwd heeft. Daar was niet ééne smart, niet ééne mishandeling, niet ééne striem, die Hij niet gezien en aanschouwd heeft. Hij heeft meer en beter gezien dan Mozes zelf.
Zeer wel gezien, geeft dus te kennen, de medelijdende kennisneming en doorgronding van alle lijden en smart.
Hoe wonderlijk zorgde Hij voor Israël. Farao wenschte het volk te verminderen, daarom verdrukte hij het zoo ; maar hoe meer hij het verdrukte, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies, zoodat hij verdrietig werd vanwege de kinderen Israels. Zoo ijdel was al zijn raadslag tegen hen ; en dat was, omdat God met Zijn volk was, en het vermeerderde, niettegenstaande Farao trachtte het te verminderen. Alle instrument, dat tegen hen bereid werd, kon niet gelukken, omdat God in het midden van hen was. Israël had menigmaal gedacht: het is hopeloos met ons ; het zaad Abrahams gaat te gronde ; de vijand is te wreed en te machtig, de Heere heeft Zijne beloften aan de vaderen" vergeten. Hoe troostrijk is dan deze verzekering voor Gods volk in zulke tijden : „Ik heb het zeer wel gezien." Daar komen immers zoo dikwijls tijden, wanneer het volk van God in donkerheid verkeert, en gansch geen licht heeft, dat het dan met Israël moet uitroepen : „Mijn weg is voor God vergeten en mijn recht gaat van mijnen God voorbij. De Heere heeft mij verlaten ; de Heere heeft mij vergeten." O ! de nood kan soms zoo hoog gaan, zooals met Israël hier in Egypte. Alles was tégen hen, en niets scheen vóór hen te zijn. Zij konden eindelijk niets meer doen dan zuchten en schreien. In zulke tijden is het dan dat de ziele volkomen met Asaf vraagt, wanneer haar wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt: „Zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? " Dit doet haar smeekend roepen tot God :
»Geef 't wild gediert', dat niets in 't woên ontziet De ziele van Uw tortelduif niet over; Laat, Groote God, om een gehaten roover. Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet«.
En wederom :
»Dat elk verdrukt' Uw bijstand ééns erlang ; Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeeren; Maar wil van hen ellend' en nooddruft weren. Opdat z' Uw Naam verheffen in gezang !«
O ! wanneer de ziele onder zware bestrijding zich bevindt, en de Satan op haar aanvalt, dan is er voor haar zoo grooten troost in deze verzekering des Heeren : „Ik heb zeer wel gezien uwe verdrukking." Daarom, m.l, laten wij onder hoon en smaad van den vijand, onder verdrukking en lijden, nooit moedeloos vragen: „Zou God het ook weten ; ziet Hij ook mijne moeiten en mijn verdriet ? " Brengt liever al die duizend angsten en zorgen over uzelf, over Kerk en land en volk tot Hem, Die alles ziet en weet, en roept met den dichter voor Hem uit: „Gij ziet het immers ; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uwe hand geve ; op U verlaat zich de arme."
Toen Israël daar dagelijks in nood tot den God zijner vaderen riep, had het voorzeker eindelijk, toen er geen uitkomst kwam, gedacht: Neen, de Heere ziet en aanschouwt niet, onze God hoort ons niet. Het was met hen, zooals het later met hunne afvallige kinderen ging, ten tijde van Jesaja : daar scheen geen gebed door die dikke wolk der ellende, die over hun hoofd ging, te kunnen doorgaan ; het oor des Heeren scheen zwaar geworden, zoodat Hij niet hooren kon, en Zijn arm verkort, zoodat Hij niet redden kon. Bij dagen en bij nachten riepen zij en schreiden, maar de verdrukking en ellende werd al grooter en zwaarder. O ! m.l., om in zulke dagen, zulke donkere dagen, nog geloof en moed te houden, daartoe is bijzondere genade van God noodig. Wanneer een kind van God een zwaar kruis te dragen heeft, en daarbij komen dan nog smaad en hoon des vijands, die spottend vraagt: „Waar is nu uw God ? ", zooals de vijanden van David aan hem deden, toen hij voor zijnen zoon Absalom vluchtte, dan is er genade toe noodig om zooals een Job toch aan zijnen God vast te houden en niet te twijfelen.
David zegt het ons in Psalm 42, hoe het hem te moede was, toen de hoon en smaad bij zijne ellende kwam. Mijne tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, omdat zij den ganschen dag tot mij zeggen: „Waar is uw God ? " Met eenen doodsteek in mijne beenderen hoonen zij mij, als zij den ganschen dag tot mij zeggen: „Waar is uw God ? " Gij weet het, de vijand is zoo gewoon in zulke dagen te vragen: „Waar is de dag Zijner toekomst ? " Hij gaat goddelooslijk voort den rechtvaardige te verdrukken en zegt: „De Heere ziet het niet en merkt het niet" : om dan in zulke dagen nog te hopen op God en stil in Zijnen wil te berusten, ziedaar wat voor vleesch en bloed alleen onmogelijk is. Alleen door een waar en kinderlijk geloof is het, dat men tot zijne medekruisdragers kan spreken en zeggen ; De Heere ziet het, en de Heere weet alles.
Zoo lezen wij ook in Maleachi 3, dat in zulke dagen tweeërlei sprake gehoord wordt; sommigen, die in de beproevingen bezwijken, zullen zeggen : „Het is tevergeefs God te dienen, want wat nuttigheid is het, dat wij Zijne wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan voor het aangezicht des Heeren der heirscharen ? En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig ; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd, ook verzoeken zij den Heere en ontkomen." Telkens dezelfde strijd, de ellende van Gods volk en de voorspoed der goddeloozen. Maar ook in die duistere dagen van Maleachi nog enkelen van het geslacht van Gods oprechte kinderen. Want de profeet zegt verder : „Alsdan spreken, die den Heere vreezen, een ieder tot zijnen naaste : „De Heere merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den Heere vreezen, en voor degenen, die aan Zijnen Naam gedenken."
Zalig zijn zij, die van dezen geest zijn, die onder alle tegenheden aan hunnen God vasthouden door het geloof, niet twijfelende, maar volharden Hem na te volgen. Gewisselijk, zwaar moet die beproeving voor Israël in Egypte geweest zijn, onder al de verdrukking. Het scheen of de Heere hunne smeeking en hun gekerm niet hoorde. Hoe troostvol dan die verzekering des Heeren : „Ik héb hun geschrei gehoord vanwege hunne drijvers !" Onze zuchten voor Hem niet verborgen. Elke zucht, het bange hart ontgleden, hoort Hij ; hunne tranen telt en vergadert Hij in Zijne flesch. Zingt dan, inplaats van ongelukkig te klagen, in den geloove :
»Al laagt g', o Is'rel, als weleer Gebukt bij tichelsteenen neer. Toen gij uw juk moest dragen En zwart waart door uw dienstbaarheid, U is een beter lot bereid ; Uw heilzon is aan 't dagen.«
De Heere kende hunne smarten.
„Want Ik heb hunne smarten bekend." Dit kunnen wij beschouwen als de slotsom, waartoe de Heere gekomen was, na het zien hunner smarten en het hooren van hun geschrei. De Heere spreekt hier van Zichzelven op menschelijke wijze, om aan de menschen eenigszins eene bevatting te geven van de zekere en volkomene kennis, die Hij heeft van al wat met Zijn volk gebeurd was. Het wordt zoo treffelijk voorgesteld in hoofdstuk 2 : „En God hoorde hun gekerm en God gedacht aan Zijn Verbond met Abraham en met Izak en met Jakob. En God zag de kinderen Israels aan en God kende hen." Hij kende en doorgrondde niet alleen hunne smarten en de stem van hun geroep, maar Hij kende hen in al hunne verdrukkingen en smarten als Zijne kinderen, voor wie Hij zorgen moest als een Vader. Daarom zeide Hij zooveel als : Het is Mijn volk, dat daar in Egypte zoo kwalijk behandeld wordt. Ik gedenk weder aan het Verbond voor hen met hunne vaderen opgericht; Ik zal hen niet in hunne ellende verlaten. Ik heb hunne smarten bekend.
O ! hoe troostrijk wederom voor Gods volk in lijden. Hun Vader weet al hun lijden en smart. Hij aanschouwt niet slechts de uiterlijke zijde van hunne smarten, zooals onze aardsche ouders en vrienden dikwijls blijken geven te doen, omdat zij ons in het harte niet kunnen lezen, neen, Hij leest elke verborgene smart des harten en Hij proeft de nieren. Hij weegt nog gedurig het kruis van elk Zijner kinderen en geeft hun daarenboven de mate der krachten, die zij van noode hebben om dat kruis te dragen.
Troostelooze, verdrukte, door onweder voortgedrevene zielen ! Hier is een Woord Gods tot u. Laat dit woord uw staf zijn op uwen eenzamen lijdensweg. „Ik heib hunne smarten bekend." Ik heb al uwe smarten ook gekend, zegt uw God en Koning. Uw Heiland en Koning, de groote, barmhartige Hoogepriester, de groote Doorbreker der schapen. Hij weet alles, wat er onder strijd en lijden en versmading in uw hart omgaat. Want dezen lijdensweg heeft Hij voor u bewandeld. En waar gij misschien denkt alleen te zijn, wandelt Hij als de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs aan uwe zijde, en belooft u : „Ik zal u niet begeven, noch verlaten." Op den tijd, door Hem te voren bepaald, zal Hij tot al die stormen zeggen : Zwijgt, weest stil, en gij zult u in grooten vrede verblijden.
„Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren.”
Het bekennen van de smarten van Israël werd voorgesteld als de slotsom van het zien en hooren des Heeren van hunne smarten en hun geschrei. Nu zien wij in het komen des Heeren om het te verlossen, het zalig gevolg van dat alles :
„Daarom, zegt de Heere, ben Ik nedergekomen.”
De tijd der minne was nu daar; de maat van hun lijden in Egypte was nu vol, de tijd om hen te verlossen en te troosten was nu eindelijk gekomen. Hoe verheugt was dan ook het volk, volgens hoofdstuk 4, toen Mozes en Aaron met deze blijde tijding tot hen kwamen : „En het volk geloofde en zij hoorden, dat de Heere de kinderen Israels bezocht, en dat Hij hunne verdrukking zag, en zij neigden hunne hoofden en aanbaden.”
God Zelf komt als het ware neder om Zijne ellendigen te redden. Dat had Israël niet meer kunnen hopen en verwachten. Want o, hun lijden duurde toen al zoo lang, hun roepen was zoo lange tevergeefs geweest. Daarom : Zoo de Heere vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen en Hij zal niet achterblijven. Hij moge menigmaal toelaten, dat de wateren der beproeving aan uwe lippen komen, maar Hij zal niet toelaten, dat zij u geheel wegrukken. Wanneer de nood de door Hem te voren bepaalde hoogte bereikt heeft, dan zal Hij u ter verlossing komen.
Komen, o welk een dierbaar woord voor de ooren dergenen, die den Heere geduriglijk met sterk zielsverlangen verwachten. Hij komt, gij gevangenen des Heeren, die daar hoopt op Zijn Woord. Hij komt, gij door onweder voortgedrevenen, ongetrooste zielen, om u eene eeuwige vertroosting te brengen. En waar de Kerk des Heeren in het laatste der dagen weder In de vreeselijkste verdrukkingen en vervolgingen zal moeten verkeeren, daar zal dit woord : , 31)' komt" hare kracht en hare sterkte zijn. Hij, die zoo dikwijls kwam om Zijn volk te redden, zal eindelijk komen om het voor eeuwig vrij te maken van alle smart - en pijn, van alle moeite en verdriet, van Satan, zonde en dood, opdat er eeuwige blijdschap op de hoofden Zijns volks moge zijn.
M. L. Is deze God ook uw God? Of behoort gij nog tot degenen, die Zijn volk smaden en verdrukken ? Indien nog het laatste, dan is het voor u een vreeselijk woord : „Hij komt". Want Hij komt niet alleen om Zijn volk te verlossen, maar ook om Zijn volk te wreken. Hoe schrikkelijk is het einde geweest van Farao en zijn volk, toen de Heere tot Egypte gekomen was. Gij reist ook dagelijks met groote schreden uwe reize naar de eeuwigheid, en wat zal het eenmaal in die geduchte eeuwigheid voor u zijn ? Daar zal geen schuld meer uitgewischt worden, maar gij zult daar om uwe schuld uitgeworpen worden in de buitenste duisternis, waar de rook van uwe pijniging zal opgaan tot in alle eeuwigheid. Daarom, hoort nog naar des Heeren stem : Betert u dan en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewischt worden. Wendt u in den weg der middelen tot den troon der genade, in Christus ontsloten voor .een arm en ellendig zondaarsvolk. Ziet dan op den lijdenden Verlosser van Zion, die eene eeuwige verzoening heeft teweeg gebracht op Golgotha's kruis. Nu is er nog een bloed, dat betere dingen sipreekt dan dat van Abel. Een bloed, dat men met alle recht en bevoegdheid den aanklager der zielen kan voorhouden, waarmede men de zonde en den duivel overwinnen kan.
Die dorst heeft, kome en drinke van het water des levens om niet. Want een iegelijk, die van dit water drinkt, zal in eeuwigheid niet dorsten, maar hij zal het leven hebben, volkomene verlossing en eeuwige zaligheid !
Kinderen Gods ! Gods weg loopt voor Zijn volk door de donkere diepten van het dal. 'Ziet het aan de helden des geloofs onder den Ouden Dag ; die bange zieleworsteling, zooals die door een Job, een David, een Asaf en een Jeremia ervaren werd. Maar wat in die worsteling door deze Godsmannen der oudheid nog maar ten deele verstaan werd, dat wordt volkomen doorgrond door den Man van Smarten, die 't kruis heeft verdragen en schande veracht, om de vreugde, die Hem voorgesteld was. Door Hem, Wiens diepe vernedering ook door Israël in zijne bange verdrukking werd aangeduid, werd de levenswet des Koninkrijks : „Door lijden tot heerlijkheid" gegrepen en vervuld. Maar waar dan nu ook door Hem, het Hoof dl der .Gemeente, het voetspoor geteekend is, daar ontmoedige het u niet, maar zij het juist een kenmerkend bewijs van uw kindschap, als gij door vele verdrukkingen moet ingaan. Door Egypte naar Kanaan, dat is door lijden tot heerlijkheid, door het kruis tot de kroon, door strijd tot zegepraal.
Daarom : O ! gelukkig volk, gelukkig reeds hier beneden, omdat gij een nieuw hart hebt ontvangen, omdat uwe zonden zijn uitgewischt en omdat God u reeds telkens vertroost met het zalig gevoel Zijner nabijheid, hetwelk de wereld niet kent. Maar o, driemaal gelukkig zult gij zijn, als gij hier uw hoofd eens zult nederleggen op uw doodsbed. Als uwe betrekkingen en vrienden over u treuren, dan zult gij reeds juichen voor den troon. Als de doodsklok over u zal luiden, om uwen uitgang uit dit jammerdal aan de menschen toekend te maken, dan zult gij u reeds bevinden in het liefelijk gezelschap der engelen en gezaligden. En dat voor eeuwig, en dat zonder eenige zonde, smart of kruis of Godsgemis. Hoe kunt gij hier menigmaal nog treuren over kleine verdrukking. Hoe laat gij nog meenigmaal onnodig uw hoofd nederwaarts hangen. Komt toch, verblijd u in den Heere! Juicht, vromen, om uw lot;
Verblijdt u steeds in God !
Roemt, roemt Zijn heiligheid!
Zoo word' Zijn lof verbreid
Voor al dit heilgenot.
Schelluinen, L.G. Bolkestein
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's