VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 9. Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijne geslachten. Noach wandelde met God.
3e Serie.
XVIII
De oudste gemeente heeft dus reeds een diep inzicht gehad in de souvereiniteit onzes Gods. Het openbaringslicht, dat onmiddellijk na den val in het paradijs is opgegaan en aan Adam de diepe tegenstelling ontdekte tusschen het vrouwenzaad en het slangenzaad, tusschen Gods Geest en de machten der duisternis, die in de komende geschiedenis der menschheid met elkander zouden worstelen, was nu zoover doorgedrongen, dat aan Gods Kerk de souvereine vrijmacht ontdekt werd, die in het genadewerk optreedt. Zij aanschouwde reeds, hoe te midden dier in hare zonde en ellende ondergaande wereld er een geslacht Gods was, dat zijn geestelijken adeldom dankte aan de uitverkiezende genade alleen, dat uit deze wereld was uitgerukt als een brandhout uit het vuur. Zij verstond, dat er eene particuliere, geheel bijzondere werking van het goddelijke Wezen uitging, waardoor zij zelve te midden dier wereld verscheen als de drager van een ander, van een goddelijk leven, dat haar in onverzoenlijk conflict bracht en hield met hare omgeving. God de Heere streed met de gevallen menschheid in en door Zijn uitverkoren geslacht. Zij had reeds besef van hetgeen eeuwen later Mozes, Jesaja, een Jeremia en een Paulus hebben verstaan en aldus omschreven: „Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben." Alzoo vond Noach genade in de oogen des Heeren. En om ons dat nu nader toe te lichten, ons te laten zien, hoe Noach eigenlijk Noach was geworden, wordt nu in de traditie ons zijne geestelijke levensgeschiedenis verhaald.
Reeds voordat er van een Schrift sprake kon zijn, was er aan Gods Kerk dus al een openbaringslicht opgegaan over de oorsprongen des geestelijken levens, want zij kende deze uit Noach's levensgeschiedenis. En daarom zoodra zij ons de volstrekte tegenstelling onthuld, om zoo te zeggen de antithese voorgesteld heeft, die er tusschen de ondergaande "wereld en de uitverkoren geslachten .bestond, geeft zij ons ook de verklaring daarvan door ons in de diepe gronden, waaruit zij was opgekomen, in te leiden.
Noach was de eenige in deze oude, naar het verderf neigende wereld, die nog drager was van hooger geestelijk leven. In hem alleen blonk nog als in eene lichtende ster aan den nachtelijken hemel het eeuwig licht onder een menschheid, die in de duisternis harer zonde wegdoolde naar volstrekt God-loos leven. En de traditie had het voor de latere geslachten bewaard, dat deze Noach zulks niet dankte aan zijne eigene voortreffelijkheid, niet aan zijne goedwilligheid, maar uitsluitend aan de verliezende genade Gods. De Heere waardeerde hem in Zijne genade, in de vrijmacht Zijner liefde. Noach heeft Hij liefgehad, de wereld gehaat. Niet geheel mocht de door Hem geschapen menschheid ondergaan, opdat niet Satan zich beroemen zou tegenover den Heere, opdat de vorst der duisternis niet over en in Gods schepping triumipheeren zou. God geeft Zijne eere aan geen ander. En daarom. Hij zet Zijn genadewerk door, opdat Hij in de voleindiging der wereld den nieuwen hemel en de nieuwe aarde voor de nieuwe menschheid zal bereiden. Onsterfelijk moet daarom Gods geslacht wezen, want Gods eigen eer en souvereine majesteit is gemoeid met de redding Zijner schepping.
En nu wordt ons deze geestelijke geboortegeschiedenis van Noach verhaald en daarmede getoond, hoe reeds van die oude tijden af Gods openbaring aan de uitverkoren Kerk een helder licht over haar eigen geestelijk leven had doen opgaan. „Dit zijn de geboorten van Noach, " zoo vangt het aan, om ons er op voor te bereiden, dat nu Noach's geslachtsgeschiedenis zal volgen, wie hij zelve was en wie zijne zonen waren. Het is alsof met dezen Noach in het boek van Adams geslacht een eindpunt werd bereikt, een nieuwe periode in de geschiedenis van Gods genadeverbond aanbreekt. En daarom wordt groote nadruk gelegd op de verkiezing van Noach en op de vruchten daarvan. De eerste gemeente heeft daarvoor reeds een open oog gehad, dat de verkiezing Gods niet slechts een soort theoretische beschouwing is over de onder menschen niet zeldzame vraag of anderen ook zalig worden, of er velen of weinigen zalig worden. Zelfs kan men soms de dwaaste opmerkingen hooren, wanneer er tegen de gereformeerde belijdenis wordt aangevoerd door hare tegenstanders, dat het getal dergenen, die zalig worden, zoó klein is, dat het toch te dwaas zou zijn nog aan de uitverkiezing vast te houden. Ja, er heerscht onder gereformeerden en niet-gereformeerden aangaande de leer zeer veel onkunde, die vaak het gevolg is van nijpend gebrek aan waarachtig geestelijk leven. Die uitverkiezing is het blok, waarover velen struikelen, die niet beginnen bij het begin, maar de leer omzetten in een soort van wijsgeerig stelsel. Eigenlijk is dat woord er veel te mooi voor en is het beter te spreken van een rekensommetje. Heeft de Kerk er ooit zoo over gesproken, of heeft Gods Woord er zoo over gesproken ? Dat zij verre. Hebt gij wel opgemerkt, dat als de apostel Paulus in Rom. 9 ons Gods verkiezende genade leert, ons inleidt in de souvereiniteit en de vrijmacht der genade Gods, dat hij dan begint met deze woorden: „Ik zeg de waarheid in Christus ? " Dat staat er niet vergeefs, doch kan ons leeren, dat alleen in Christus over de uitverkiezing gesproken kan worden. In Hem ziet hij Israël, „de vaders, uit welken Christus is, zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, Amen." Van uit Christus ziet hij de scheidingslijnen door de historie getrokken over Abraham en Izaak, tot hij komt voor de scheiding tusschen Jacob en Ezau. Jacob heeft Hij liefgehad, Ezau gehaat. Voor die verborgenheid staat hij ontroerd stil, als hoorde hij de loochenaars van Gods souvereine majesteit, zooals zij tot op dezen dag buiten Christus zich tegenover de waarheid der verkiezing stellen. Hij wist wel, dat er rekenmeesters zouden zijn, die van Gods onrechtvaardigheid zouden praten en van een in hunne oogen te klein getal der uitverkorenen, omdat zij wel voelen, dat zij er zelven buiten staan. Daarom zegt hij : „onrechtvaardigheid bij God ? dat zij verre." Neen, hij wijst ons naar ons zelven en legt ons de levensvraag voor, waarmede hij zijne beschouwing over de verkiezing aanving, door ons in herinnering te brengen, dat hij de waarheid zeide in Christus. Wie buiten Christus is, kan over de verkiezing niet spreken, wel theoretiseeren en redeneeren, zoodat de verkiezing geene verkiezing en de genade geene genade meer is. Wie in Christus is, die weet uit zijn eigen levensweg, waarlangs de Heere hem geleid heeft onder de ontdekking van Gods Heiligen Geest, dat hij tot Christus kwam, doch zoo, dat ook van hem geldt : „Zoo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods." Vraagt dien mensch, die door den weg van wedergehoorte en bekeering ging, ook of er velen of weinigen zijn, die zalig worden ? Integendeel, hij staat voor de verborgenheid der godzaligheid en hij weet, dat de Heere Zich zijner heeft ontfermd, toen hij niet ontfermd was, dat hij naar Gods Naam werd genoemd, hoewel hij dien Naam niet droeg, noch kende. Die man zal verstaan, dat de Heere barmhartig is, dien Hij barmhartig is, en dat in de wereld Zijn Raad wordt volbracht en dat Hij in de volbrenging van dien Raad bekend maakt den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij tevoren bereid heeft tot heerlijkheid. Doch dat kan alleen hij verstaan, die den apostel verstaat, toen hij in Christus de Waarheid zeide en niet, zooals hij er nadrukkelijk heeft bijgevoegd, de leugen sprak.
Wie buiten Christus is, die kan de leer der verkiezing daarom niet begrijpen, omdat het in-Christus-Zijn moet worden beleefd om er iets van te kunnen verstaan. En daarom, als zij, die de verkiezing verwerpen, over Christus en het in Christus zijn spreken, dan zijn zij ook daarin wezenlijk vreemdelingen. Het zijn woorden geworden en in het gunstigste geval gevoelsuitingen, waaraan de diepe levenswortel, die uit de wateren van Gods Geest wordt gevoed, ontbreekt. Er is vooral in onze dagen een ziekelijke gevoelsreligie gangbaar, waaraan alle werkelijke grond ontbreekt, die niet meer is dan de vrucht eener autosuggestie, die van den toets van Gods Woord niet wil weten, omdat zij tot de diepte des Woords niet afdaalt.
Daarom zijn er velen, die als zij lezen, hoe de oude wereld onderging en Noach als de uitverkorene Gods alleen werd behouden, de schouders in ongeloof ophalen, omdat tegenover die massa der verlorenen alleen deze Noach als verkorene verschijnt. Als zij voor deze teekening der historie staan, dan zijn zij zeker van oordeel, dat het omgekeerd had moeten worden en eigenlijk, dat heel de goddelooze wereld, evenals Noach had behouden moeten worden. Maar daarin wordt dan ook juist openbaar, hoe zij als de bestrijders van Mozes, de profeten en Paulus, behooren tot die menschen, van wie de Schrift zegt : „Maar toch, o mensch ! wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt ? " Inderdaad, er zijn er wel, die meenen, dat zij de ontwikkeling der historie heel wat beter zouden hebben geleid, dan zij in werkelijkheid verloopt. Maar de werkelijkheid zelve verandert daardoor toch niet en ook de werkelijkheid, zooals deze in henzelven bestaat, verandert daardoor niet. Die in den hemel zit, zal lachen over de dwaasheid en waan der menschen. De Raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
Tegenover die gansche oude wereld is er maar die ééne Noach, die behouden wordt, en van dezen eenling wordt ons de geschiedenis meegedeeld, opdat ook de geslachten na hem den weg der behoudenis zullen kennen. De „geboorten" Noach's worden ons beschreven, de geschiedenis van zijn gansche leven, opdat elk van Gods kinderen na hem op dezen prediker der gerechtigheid zal zien als op het exempel der bewaring Gods. Hij staat als het beeld des levens aan het einde der oude wereld en aan den ingang der komende, opdat wij zullen vragen naar den weg des levens, zullen strijden om in te gaan. Niet om , de vraag te stellen, of er ook weinigen of velen zijn, die zalig worden, is ons Gods verkiezende genade geopenbaard, maar om ons te leeren, dat de zaligheid niet is desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. Zij werd dus daarom reeds aan de oude gemeente geopenbaard, opdat zij zich voor Gods aangezicht zou verootmoedigen, hare zonde en verlorenheid bekennen en voor de vierschaar van Gods recht te belijden, dat Hij alleen God is, die eene zaak voleindt en afsnijdt in rechtvaardigheid. De Heere zal eene afgesneden zaak doen op de aarde. En dus, wie deze afsnijding niet doorleeft, wie weigert zich voor des Heeren aangezicht te verootmoedigen in stof en asch, diens zaak zal afgesneden blijven. Hij zal ook den Heere Jezus Christus niet waarachtig kunnen kennen, die immers gekomen is om zondaren zalig te maken en onrechtvaardigen tot bekeering te roepen.
Dit zijn de geboorten van Noach : hij vond genade in de oogen des Heeren en daarom kende hij een geestelijk leven, waarin de souvereine majesteit Gods haar licht deed schijnen over zijne ziel, zoodat in hem als den laatste van Gods kinderen de Heere nog het schijnsel Zijner lankmoedigheid liet uitstralen in den nacht der oude wereld. Ook Noach was een licht schijnende in eene duistere plaats. Gelijk de avondzon haar stralen uitgiet over de schemering, die den nacht voorafgaat en tevens profeteert van den komenden morgen, alzoo was Noach profeet van haren ondergang, maar ook als verkorene Gods waarborg van de onsterfelijkheid van Gods Kerk in de geschiedenis der menschheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's