GRETSKE „DE FREULE”
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Maar dominé antwoordde, dat zij het dus, op den keper beschouwd, wel aardig eens waren. De hond vreest zijn meester, omdat hij weet, dat deze boven hem staat, en het kloppend geweten verraadt eveneens een hoogere Wetgever, Die, naar het woord der H. Schrift, Zijn wet heeft ingeschreven op de tafelen van elk menschenhart. Met dezen Weigever krijgt de mensch het te doen, — en dat voelt hij — en vandaar zijn onrust en vrees, — aldus vervolgde de prediker. „Want het eeuwige leven is het loon voor hem die doet hetgeen geschreven staat in het Boek der Wet, " maar niet minder beslist klinkt het veroordeelend vonnis : „Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in 't geen geschreven staat.”
„Maar hoe komt het dan dat de eene mensch heel anders leeft dan de andere ? " — vroeg dokter. „Daar zijn toch genoeg, die nu niet bepaald godsdienstig zijn en zeker van al die diepzinnige theologische quaesties niets af weten, en er zich ook niet mede bemoeien, maar die toch een voorbeeld zijn van nauwgezetheid en deugd en in alles hun plicht doen. En daar zijn er ook die nergens mee rekenen, die geheel voor zichzelf leven, die opgaan in allerlei dingen welke u zeker zonde zult noemen, en van wie men toch nooit den indruk krijgt dat het leven hen te bang wordt. Zelfs heb ik wel gevallen bijgewoond, dat men vloekend of spottend van hier ging. Waar moet ik daar dan mee heen ? ”
„Volkomen waar, " — aldus de predikant — „en ongetwijfeld zijn er verschillende invloeden en machten, die op de vorming van den mensch innerlijk en dus ook op zijn leven werken, waar door het te verklaren is dat het begrip van den een, vooral waar het betreft de dingen, die des Geestes zijn, verschilt bij dat van den ander. Geboorte, opvoeding, omgeving, zelfs de arbeid welke verricht wordt, en tal van andere factoren hébben iets te zeggen bij de vorming van iemands karakter en temperament niet alleen, maar ook bij de beschouwing van het leven in het licht der eeuwigheid. In den middellijken weg is van iemand, die opgevoed werd in een godsdienstigen kring, meer teederheid van gemoed te verwachten, dan bij dezulken, die nooit of ternauwernood van God en Zijn dienst hebben gehoord, maar in den diepsten grond is er tusschen deze allen slechts een gradueel verschil, omdat het waar is dat allen gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven en om niet gerechtvaardigd worden. U hebt thans in oude Ka het voorbeeld, hoe zelfs menschen, die lang en ver van God hebben geleefd, in uren van angst of in 't gezicht van den dood sidderen voor 'Zijn oordeel, en zonder dat zij het weten, de Schrift gaan bevestigen, welke zegt dat allen onder de zonde liggen.”
„U wilt dus zeggen dat er tusschen óns en haar in den igrond maar weinig onderscheid is ? "
„Ja, want God heeft uit éénen bloede hét gansche menschelijk geslacht geschapen om op den aardbodem te wonen, en u weet als geneesheer wel, dat, hoeveel verschil er tusschen de kinderen van ons geslacht ook zijn mag in taal, in gelaatskleur, in zeden en gewoonten, in beschaving en ontwikkeling, en in tal van andere dingen nog, zij allen menschen zijn, die bij alle onderscheid één geslacht vormen, welks toekomstige bestemming in de eeuwigheid ligt."
„En wordt er dan in die eeuwigheid in het geheel geen rekening gehouden met de verschillende omstandigheden waaronder een mensch geboren wordt en te midden waarvan hij misschien gedoemd is te leven ? "
„Zeker. Dat doet zelfs een aardsche rechter. Hij geeft acht op wat iemand bij het doen eener misdaad daartoe mag hebben gedrongen en bepaalt de mate der straf naar de meerdere of mindere schuld. Hoe zou dan de hemelsche Rechter, Die recht is in al Zijn weg en werk dat niet doen ? Daarom staat er geschreven dat wie den weg wél geweten en niet bewandeld heeft, met vele slagen geslagen zal worden, maar die den weg niet geweten heeft, met weinige. M.a.w. daar zal verschil zijn in de mate der straf, naar mate de schuld is. Bovendien oordeelt Hij als de Alwetende, voor Wien niets verborgen is, maar alle dingen naakt en geopend zijn, niet enkel naar het woord der lippen, maar naar de daad van het hart. „Niet een iegelijk, die daar zegt „Heere, Heere !" maar die daar doet den wil des Vaders, zal ingaan in het Koninkrijk Gods." Daarom is een van deze vierschaar in hooger beroep gaan niet mogelijk, maar óók niet noodig. 't Is een rechtvaardig oordeel 't welk hier valt."
„Zonder eenige clementie ? " „U bedoelt? "
„Ik bedoel dat er dus voor niemand kans toestaat hieraan te ontkomen, omdat zooals u zegt alle menschen bedorven zijn en overtreders van de wet Gods ? "
„Dat is een andere quaestie."
„Maar hoe kan dit nu ? Als God zóó rechtvaardig en gestreng Is als u zegt, dan ontkomt niemand aan Zijne straffende hand'; want kwaad is kwaad, en kan vooral voor Hém nooit worden goed gepraat."
„Volkomen waar, maar daarom moest de verlossing ook langs een wonderlijken weg komen, door geen mensch noch Engel uit te denken!' „En die is ? "
„Het Kruis van Golgotha." „Altijd dat Kruis, " — mompelde de dokter met iets wreveligs in zijne stem.
„God was in Christus de wereld met Zich zelven verzoenende, hare zonden haar niet toe rekenende. Want Hij is eene verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld. Want Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's