KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK EN DE AFSCHEIDING. (1)
Het treurig verschijnsel doet zich voor, dat 14 October a.s. het feit van de Afscheiding zal worden herdacht (14 October 1834-1934) èn door de Christelijke Gereformeerde Kerk èn door de Gereformeerde Kerken èn door honderden en duizenden in de Hervormde Kerk, saam levend uit de Gereformeerde Waarheid, maar kerkelijk gescheiden, ja, niet zelden scherp tegenover elkander staande. Saam zal men spreken van Gods genade en trouw, waar Hij in ons Vaderland de liefde voor de Gereformeerde Waarheid bij duizenden en honderdduizenden heeft bewaard, terwijl men kerkelijk gescheiden, niet zelden scherp tegenover elkander staat en openlijk niet zonder wrevel en nijd tegen elkander optreedt in woord en daad.
’t Scherpst komt het uit in de allesbehalve vriendschappelijke verhouding die er bestaat tusschen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerken; waarbij men ook zou kunen zeggen —de orde omkeerend — tusschen de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerk. En 't moet ieder die met belangstelling de wegen des Heeren in het midden van ons volk gadeslaat, met smart vervullen, dat men nu 100 jaar na de Afscheiding, van verschillende kanten naar Ulrum — de bakermat der Afscheiding — optrekt, om daar te gedenken en te danken — terwijl men bij den zelfden gedenkzuil elkander met haat en nijd vervuld aanziet en op scherpe. wijze laat voelen : wij zijn de ware broeders — en gij zijt vreemdelingen en bijwoners.
De Gereformeerde Kerken zeggen tot de Chr. Gereformeerde Kerk : gij leeft in zonde, omdat gij als een scheurkerk u verre houdt van de ware Kerk. En de Chr. Gereformeerde Kerk zegt tot de Gereformeerde Kerken : wat doet gij hier ? Gij moogt den naam van de Afscheiding niet noemen, gij moet u wègschamen vanwege uw afvalligheid en ontrouw.
En zoo zijn de stammen Israels verdeeld en vereten en verbijten elkaar, nu het gedenkjaar van de Afscheiding is aangebroken en men toch gedenken en danken wil !
Dat wij hier nu maar niet van de Hervormden spreken, die ook dit jaar aan het feit van de Afscheiding denken, vindt z'n oorzaak hierin, dat we dan het probleem nog maar zwaarder maken en dat willen we nu op dit oogenblik juist niet doen. De Hervormden van Gereformeerde belijdenis gedenken en danken op hun manier — maar het aanschouwen van de broederen die „vrijgemaakt" zijn en nu met elkaar vechten bij den gedenkzuil te Ulrum, vervult ons harte met droefheid.
Wij kwamen er toe hierover even te schrijven, door het lezen van het Gedenkboek, uitgegeven bij de herdenking van het eeuwjaar der Afscheiding in opdracht van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Uitgegeven bij D. J. van Brummen te Dordrecht. Dat boek, keurig uitgegeven in royaal formaat en rijk versierd met portretten en afbeeldingen (o.a. van de strafgevangenis te Groningen, waar ds. De Cock opgesloten is geweest), is samengesteld door de H.H. professoren van de Theologische School te Kampen en enkele predikanten.
Prof. Geels, de jongste van de professoren, de tegenwoordige rector-magnificus te Apeldoorn, is de gangmaker. Hij schrijft het eerste artikel over „De Kerk in verval". Dan komt prof. de Bruin, de oudste van de hoogleer aren ; hij schrijft over , !De Afscheiding 1834—1839." Ds. Salomons geeft een derde artikel: „De Kerk in de branding." Prof. Van der Schuit, tegenwoordig niet de minste onder de strijdbare mannen in deze, schrijft over : „Het jaar 1869—Vereeniging." Ds. Jongeleen, aan polemiek niet vreemd, geeft een artikel : „De strijd voor Kerkherstel." Ds. Hilbers volgt z'n voorganger en zet z'n meening uiteen inzake : „De Doleantie." Ds. Janssen, de opperveldprediker, geeft een hoofdstuk over: „De Vereeniging in 1892", waarbij het zwaard niet in de schede blijft; ds. Van der Meiden schrijft over : , De Chr. Geref. Kerk na 1892", waarin voor de toekomst trouw bij het opkomend geslacht gevraagd wordt voor de Chr. Geref. Kerk. En het is prof. Wisse, vroeger vooraanstaand predikant in de Gereformeerde Kerken, die de rij sluit en een hoofdstuk geeft over: „De Afscheiding en het openbare leven.”
Wij willen trachten uit de verschillende hoofdstukken enkele dingen naar voren te brengen, die onze aandacht trokken.
Prof. Geels schetst ons op duidelijke wijze de tijdsomstandigheden, die aan de gebeurtenissen van 1834 vooraf zijn gegaan en mee de oorzaak van de Afscheiding zijn geworden. De ongelukkige 18de eeuw gaat aan de 19de eeuw vooraf en de vruchtgevolgen blijven niet uit. „De 18de eeuw was roemloos ten grave gedaald ! Aan haar sterfbed was geen traan geschreid, geen klacht was aangeheven in de ure van haar verscheiden, of het moest zijn vanwege den desolaten inboedel, welken zij haar erfgenaam naliet. Met een zwarte kool staat de 18de eeuw in de geschiedenis geteekend. Het was de eeuw van de afbraak. Van het eens zoo machtige staatsgebouw der „Zeven Provinciën", gegrondvest en opgetrokken in tijden van nationale grootheid, was slechts een ruïne over. De geestelijke goederen, vrijheid en recht, gekocht met het bloed der martelaren, was verkwanseld voor een schotel linzenmoes. De Nederlandsche Leeuw, die met zijn gebrul de verste stranden deed sidderen, lag in smartelijke kluisters. De nationale driekleur, eens geëerbiedigd tot in de uiterste hoeken der aarde, was in stukken gescheurd, vertreden in het slijk. Oranje, onder wiens vanen de overwinning was bevochten op de machtigste vijanden, Oranje, dat goed noch bloed had gespaard in den strijd om de rechten en vrijheden des volks. Oranje was uitgeworpen als een melaatsche. Oranje zwierf als banneling in den vreemde !
Het maatschappelijk leven kwijnde. Handel en industrie stonden ten doode opgeschreven. De fabrieken werkten niet meer, de kantoren waren gesloten. De groote steden werden ontvolkt. Het nationaal vermogen was verteerd, de volkskracht gebroken. Het eens zoo rijke Holland was tot den bedelstaf gebracht, erger nog, het was uitgewischt uit de rij der volkeren, als een „aanslipsel van den Rijn" was het bij Frankrijk ingelijfd.”
„Te midden van deze, nationale ontreddering stond de Kerk, helaas zelf een beeld van vervallen grootheid. Als een cederboom Gods had zij hare wortelen diep in den Vaderlandschen bodem ingeslagen, sinds het licht der Reformatie deze lage landen aan de zee had beschenen. In veelbewogen dagen was zij een pilaar en vastigheid der Waarheid, een schuts der vromen. Zij had de Gereformeerde Waarheid als een kostelijk kleinood verdedigd en gehandhaafd tegen krachtige aanvallen. Zij was eertijds de hoeksteen der Republiek, met wie zij was saamgegroeid vanaf de ure harer geboorte. Sterren van buitengewone grootheid hadden aan haar hemel geschitterd ; mannen, wier geleerdheid en godzaligheid tot verre buiten de grenzen bekend was.
Uiterlijk had zij naam en plaats gehouden, scheen er niets veranderd. Maar innerlijk was zij van kracht beroofd, was zij „een aangestooten muur, een ingebogen wand." De Kerk was aan haar historie ontvallen, zij was haar heilig beginsel ontrouw geworden. Het fundament, Gods Woord, waarmee zij stond en viel, was ondergraven.
De decadence der 18de eeuw belichaamde zich in het diep verval van de Kerk des Heeren. Van haar ging geen-kracht tot behoud meer uit. Het zout was smakeloos geworden. 'Zij was tot een aanfluiting en tot een spreekwoord geworden.
Dat was niet op éénmaal zoo geworden. Het was een procesmatige ontbinding. Een boom moet sterven, als hij van zijn wortel is afgehouwen, een rivier moet verloopen, wanneer zij van haar bronnen wordt afgesneden.”
Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's