STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE MILLIOENENNOTA
De mededeelingen, die de Regeering, in de Nota betreffende den toestand van 's Rijks financiën, ter begeleiding van de ontwerp-Rijksbegrooting over 1935, doet, geven een duidelijk beeld van de totale ontwrichting van de geldmiddelen van den Staat.
Bedroegen de tekorten op de rekeningen van de dienstjaren 1931 en 1932, voor wat den gewonen dienst betreft, respectievelijk 45, 5 en 76 millioen en wijzen de voorloopige gegevens van den dienst 1933 op een nadeelig saldo voor dat jaar van 58.2 millioen, de begrootingspositie voor het dienstjaar 1934 wijst op een deficit van ruim 30 millioen gulden. Bij de vermelding van dit deficit teekent de Minister van Financiën in de Nota aan, dat naar het zich laat aanzien, het werkelijk tekort voor het dienstjaar grooter zal zijn dan de genoemde 30 millioen, omdat de opbrengst der middelen — in het bijzonder doordat de omzetbelasting nog niet tot haar volledige werking is gekomen — bij de raming ten achter zal blijven.
Wijzen deze tekorten reeds op zich zelf op een zorgelijken toestand van de Rijks financiën, daar bij komt nog, — wat de omstandigheden zoo hachelijk maakt — dat ter dekking van nieuwe tekorten uit de belastingen niets meer te halen valt.
In de Troonrede wordt het onomwonden gezegd, dat „verhooging van de reeds zoo zwaar drukkende belastingen zonder gevaar voor ineenstorting niet mogelijk wordt geacht.”
In dit licht der cijfers en feiten heeft men nu te bezien de ontwerp-Rijksbegrooting over 1935, waarop een nadeelig saldo geraamd wordt van niet minder dan 93 millioen gulden, welk tekort, ook al zullen alle tijdelijke maatregelen om de tekorten te dekken benevens alle tijdelijke heffingen door de Staten-Generaal verlengd worden, toch nog zeer aanzienlijk zal blijven.
Vandaar, dat de Regeering voor haar dekkingsplan om tot een sluitende begrooting te geraken — wat haar inderdaad gelukt is — naar verschillende maatregelen heeft moeten omzien, waarvan het intusschen de vraag is, of deze wel degelijk zullen kunnen medewerken om het gat in de begrooting te stoppen.
Een besparing zooals wordt voorgesteld, b.v. op het openbaar-en bijzonder lager onderwijs van 10.2 millioen, een vermindering van het spoorweg tekort — welk tekort nog dagelijks grooter wordt — van 10 millioen, een vermindering van uitgaven op de defensiebegrooting van 5 millioen zijn toch niet anders dan perspectievische bezuinigingen. Van eenzelfde aard is ook het voorstel om de door het Rijk te betalen annuïteit aan het Invaliditeitsfonds en het Ouderdomsfonds te verlagen met 14 millioen ; zulk een maatregel kan men voor één jaar treffen, doch men kan hem niet jaarlijks nemen.
Daarom is het niet te verwachten, evenmin als wij het hierboven zagen met de uitkomsten van de achter ons liggende jaren, dat het de Regeering gelukken zal, om ten aanzien van de begrooting over 1935 evenwicht in de ontvangsten en uitgaven te brengen.
Dat de Regeering de toestand donker inziet en voor wat de financiën betreft zeer somber gestemd is, blijkt duidelijk uit wat in de Nota op blz. 21 en blz. 22 geschreven werd.
Daar ter plaatse wordt opgemerkt:
Sinds het oogenblik waarop de begrooting voor 1934 werd ingediend, is de economische en politieke situatie in de heele wereld in geen enkel opzicht verbeterd, daarentegen in velerlei opzicht slechter geworden. In de eerste plaats heeft de zorgelijke toestand, waarin Nederlandsch-Indië blijft verkeeren, er toe geleid, dat ondanks de aldaar genomen budgetaire maatregelen, die op afbraak gelijken, de steun van het Moederland, vooral financieel, steeds onontbeerlijker werd. Men behoeft verder slechts aan de onrustbarende economische en vooral ook monetaire situatie te denken, waarin een voor de Nederlandsche volkshuishouding zoo uiterst gewichtig land als Duitschland zich thans bevindt, aan de enorme moeilijkheden, die de Vereenigde Staten van Amerika door te maken hebben, aan de onzekerheden van het verre Oosten, aan den nog chaotischer geworden toestand der valuta, aan de steeds verminderende koopkracht der volksmassa in vele landen, om te begrijpen hoezeer handel, uitvoer en scheepvaart worden belemmerd. Hoewel de Regeering niets ongedaan laat, dat haars inziens zou kunnen dienen om het Nederlandsch product in zijn worsteling om afzetgebieden zooveel mogelijk te steunen, is het duidelijk, dat zij op dit gebied maar zeer geringe macht bezit. Tegenover verminderende koopkracht in vroeger belangrijke afzetgebieden vermag zij niets ; tegen onmacht om betalingen in een reëel betaalmiddel te transfereeren staat zij dikwijls machteloos.
Deze beschouwingen brengt de Regeering dan tot die conclusie, dat thans het oogenblik gekomen is om het toekomstig levensniveau op een aanzienlijk lager vlak — hoeveel lager is nog niet vast te stellen — te stabiliseeren, waarbij het dan een onafwijsbare eisch is, de kosten der publieke huishouding aanzienlijk verder in de richting van dat lagere vlak te doen dalen.
Geen opvoering dus meer van de reeds zwaar drukkende belastingen, die een zeer ernstige belemmering voor het Nederlandsche volk vormen, in zijn zoo moeilijken strijd voor het bestaan, en die als gevolg daarvan de concurrentiemogelijkheden, in het bijzonder voor de exportbedrijven op de buitenlandsche markt, knotten.
Van deze alleszins juiste gedachte, dat de kosten der publieke huishouding aanzienlijk verder naar beneden moeten, vinden wij den terugslag in de Troonrede, waar in de desbetreffende passage wordt opgemerkt, dat de uitgaven, ten einde binnen de grenzen der beschikbare middelen te blijven, nog verder verlaagd zullen moeten worden.
Alzoo geen verhooging der belastingen, maar verlaging der uitgaven. Dit is ook o.i. de eenige weg om op den duur tot een sluitende begrooting te komen en de begrooting sluitend te houden.
Het voornemen der Regeering om maatregelen te treffen tot vermindering der uitgaven, zal de algemeene instemming hebben.
In de Nota lezen wij, dat de voorstellen tot versobering der overheidsdiensten reeds in voorbereiding zijn.
Dat daarbij — zoo zegt de Minister van Financiën — veel zal moeten vallen, wat nuttig is, behoeft geen betoog. Het gaat er thans om, zeer groote algemeene volksbelangen te redden en niet om allerlei op zichzelf, zeer nuttige en gewenschte onderdeelen der Overheidsbemoeiing tot eiken prijs in stand te houden. Het spreekt vanzelf, dat in de eerste plaats die uitgaven in ©ogenschouw zullen moeten worden genomen, die sedert den oorlog het meeste zijn verhoogd, in het bijzonder als zij onevenredig zijn uitgezet. Men zal er echter niet komen zonder tegelijkertijd maatregelen te nemen om de kosten van het levensonderhoud, die thans ten deele een zekere stijging vertoonen, verder te doen dalen, al zal daarbij de bestaansmogelijkheid der producenten in het oog moeten worden gehouden. Tot deze maatregelen behoort mede het weder op gang brengen van den bouw van goedkoope arbeiderswoningen.
Vervolgens zal de regel moeten worden gesteld, dat overal waar in eenigen vorm door de Overheid steun of hulp wordt verleend, die steunverleening steeds zal moeten geschieden in zoodanigen vorm, dat de aanpassing aan een lager niveau daardoor wordt bevorderd. Alleen op deze wijze zal de vereischte verlaging der productiekosten kunnen worden verkregen, die noodzakelijk is voor de versterking der positie van het bedrijfsleven en de vermindering der werkloosheid.
De Regeering stelt zich voor de maatregelen tot verdere verlaging van het budget, voor zoover zij de goedkeuring der wetgevende macht behoeven, zoo mogelijk in één wetsontwerp samengevoegd, aan de Staten-Generaal voor te leggen, wier medewerking zij bij een zoo bij uitstek nationaal werk stellig verwacht. De afdoening van deze aangelegenheid zou dan zoo tijdig moeten geschieden, dat de uitwerking in het budget voor 1936 zonder moeite kan plaats vinden, teneinde daardoor te bereiken, dat de te treffen maatregelen hun invloed op dat budget aanstonds zullen kunnen doen gevoelen.
Wij gelooven, dat, wanneer de Regeering aan deze hare plannen uitvoering zal geven, zij op den goeden-weg is.
Met belangstelling zal ons volk zekerlijk de indiening der voorstellen tot ingrijpende vermindering der uitgaven tegemoet zien.
Wat de Regeering in de Millioenennota schreef, is klare en duidelijke taal.
Zij heeft open en rond in dit Staatsstuk den toestand der Rijksfinanciën uiteengezet en het daarbij nog eens onomwonden uitgesproken, dat aan het nog steeds door sommigen aanbevolen middel — het verlaten van den gouden standaard — door de Regeering niet wordt gedacht.
Wij zijn de Regeering voor haar krachtig optreden ook in de Millioenennota dankbaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's