De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

9 minuten leestijd

DE BEZUINIGING.
De Minister van Financiën heeft goed gedaan in zijn radiorede van de vorige week tot toelichting der Rijksbegrooting nog eens met grooten nadruk te wijzen op den desolaten toestand, waarin de Staatsfinanciën verkeeren.
Dat dit noodig is, blijkt dagelijks.
Er zijn toch nog groote groepen van ons volk, die er zelfs geen flauw begrip van hebben in welk een hoogst zorgelijken tijd wij leven en die maar niet schijnen te willen begrijpen, dat onder Gods zegen alleen een eendrachtig optreden van heel ons volk aan de steeds moeilijker wordende omstandigheden het hoofd kan bieden.
Het is een feit, dat de grootste pessimist, de man, die bij het begin, der crisis de toekomst het meest zwartgallig inzag, wanneer hij kennis zou hebben gehad van den toestand, dien wij op dit oogenblik beleven, een optimist zou zijn geweest.
Niet alleen hebben de begrootingen van 1931 en 1934 een tekort opgeleverd van 210 millioen, maar er is bovendien nog in die jaren een bedrag van ruim 178 millioen als restant op het tekort der crisisdiensten ingeteerd geworden. Daarbij komt, zooals wij reeds de vorige week bij onze bespreking van de Miliioenennota opmerkten, dat de raming van het tekort op de rijksbegrooting over 1935 ruim 90 millioen bedraagt, welk bedrag nog 24 millioen hooger zou zijn geweest, wanneer de meevaller uit de conversie der Staatsleeningen niet had kunnen geboekt worden.
Stelt men nu naast deze cijfers een paar andere cijfers, die van de publieke lasten, welke op de bevolking drukken en die ten behoeve van het Rijk 700 millioen en van de gemeenten 600 millioen bedragen, in totaal dus 1300 millioen, welke lasten uit het volksinkomen moeten komen, welk volksinkomen op 1 Mei 1932 niet meer dan 3600 millioen bedroeg en dat naar te verwachten is op 1 Mei 1933 wel weer belangrijk naar beneden zal zijn gegaan, dan geven deze cijfers een beeld van den zeer zorgwekkenden toestand, waarin de financiën van het Rijk en van het volk verkeeren.
En bestond er nu maar uitzicht, dat de ongunstige jaren, die achter ons liggen en de moeilijke omstandigheden, waarin wij in het heden leven, spoedig tot het verleden zouden behooren om voor gunstiger tijden plaats te maken, dan bleef de toestand van het oogenblik wel heel erg, doch hij zou zijn te overkomen. Maar zoo staan de zaken helaas niet. Integendeel, de zorgen worden steeds grooter en het uitzicht op de toekomst steeds somberder.
Dit blijkt bijzonderlijk uit de toenemende verwarring in het economische leven en uit de ingewikkeldheid der problemen, die om oplossing vragen.
De betalingsmoeilijkheden van ons land met Duitschland zijn daarvan een voorbeeld.
Doch om tot de rijksfinanciën terug te keeren, heeft de Minister van Financiën in zijn hierboven genoemde radiorede ook niet nagelaten om den weg aan te wijzen, waarop de Rijksfinanciën op een gezonder basis kunnen en moeten gebracht worden.
Immers het is voor een Regeering onmogelijk om met chronische tekorten, jaarlijks van tientallen millioenen, hare taak naar behooren te verrichten, afgezien nog van het feit, dat bij een dergelijken staat van zaken inflatie van het geld op den duur niet zou zijn tegen te houden.
Daarom moet het huishouden van den Staat en ook dat van de Gemeente op eenvoudiger voet worden ingericht. De Rijks-en Gemeentelijke overheid zullen een kleinere woning moeten gaan betrekken.
Nederland leeft naar de berekening, die mr. Oud gaf, op een voet, die ruim 130 millioen te hoog is.
Groote besparingen op de uitgaven is dientengevolge noodzakelijk.
De Troonrede sprak het reeds in deze woorden uit, dat de uitgaven, teneinde binnen de grenzen der beschikbare middelen te blijven, nog verder verlaagd moeten worden.
Natuurlijk zal, als gevolg van de inkrimping der uitgaven, veel dat ons volk lief is en dat noode gemist kan worden, aan de bezuiniging ten offer moeten worden gebracht. Vele geriefelijkheden, die ons volk gaarne wil behouden, zullen moeten worden prijsgegeven. Zelfs noodzakelijke dingen zullen er aan moeten gelooven.
Wanneer de Regeering, zoo sprak de Minister in zijn radiorede, straks de afschaffing van vele zaken zal moeten voortzetten, is dit niet, omdat zij aan deze zaken geen waarde zou hechten. Wij bevinden ons in de positie van den scheepskapitein, die een deel van zijn lading moet uitwerpen. Niemand zal hem verwijten mogen, dat hij de uitgeworpen goederen niet op prijs stelt. Men weet, dat hij het alleen doet, om te voorkomen, dat geheel zijn schip met bemanning en lading een prooi der golven wordt.
Dit beeld door mr. Oud gebruikt is alleszins juist.
Het schip van Staat moet met Gods hulp in veilige haven worden gebracht.
De Regeering handele echter onverwijld !

DE WEDERINVOERING DER DOODSTRAF.
De Banier schreef dezer dagen een artikel over de geestelijke en zedelijke verwildering van ons volk benevens over de toenemende criminaliteit, met welk artikel, wat den materieelen inhoud betreft, wij ons ten volle kunnen vereenigen Het artikel luidt:
Allergruwelijkst is het snood bedrijf, ons in enkele weken meermalen door de bladen gemeld, waarin zedeloosheid en diefstal, kortom bruut verzet tegen de orde in de samenleving, aan twee jonge meisjes het leven kostte, terwijl nog andere jonge levens groot gevaar liepen te worden afgesneden door de hand van den moordenaar, wellusteling en brandstichter.
Te Amsterdam liet een 8-jarig kind het leven in den worgenden greep van een 21jarigen pakhuisknecht, die reeds eerder terzake van misdrijf tegen de zeden met den rechter was in aanraking geweest. Daarop volgt in Haarlem de worgdood van een 18jarig meisje, hetwelk door de ouders den omgang met den jeugdigen moordenaar was ontzegd. Deze doodt het meisje, steelt geld en steekt daarna den boel in brand, zich niet bekommerend dat nog jonge kinderen op een hoogere verdieping liggen te slapen. De waakzaamheid van een politiedienaar wist grooter ramp te voorkomen. De moordenaar begeeft zich naar Amsterdam om ook daar een hem bekend meisje om te brengen. Doordat dit meisje niet thuis was, is zij wellicht den dood ontsnapt. Het derde geval speelt zich af op de Hilversumsche heide, waar een jongeman een meisje aangrijpt, dat nog juist door voorbijgangers op haar geroep wordt verlost. Maar indien niemand te hulp had kunnen komen ? Was dan dit leven, schoon geknakt, gespaard gebleven ? De zonde kent geen toom, geen grens. Eens de eere des naasten geschonden, jaagt de satan aan tot het volkomen afwerpen van alle Godsordinantie en dan is zelfs het leven niet meer veilig.
Wij herhalen met den meesten aandrang den roep om invoering van de doodstraf.
Hoe lang nog, hoe lang nog ?
Het vergoten bloed roept te luider om wrake, het geschonden recht van God, den Schepper, eischt voldoening, eischt wrake. Het is alsof het ons volk niet aangaat, dat de moordenaar het door God gegeven leven maar uitbluscht.
Wij roepen, ja, we schreeuwen om erkenning van Gods recht op den mensch. De schuld van Nederland schreit sinds lang ten hemel !
Bedenke een ieder, ook onze Overheid, dat de Heere geen ledig aanschouwer is. Hij zal dit alles zien en zoeken.
Kwam men tot gehoorzaamheid aan den eisch Gods, dan ware, naast de volkomen instemming van allen die voor Gods Woord en Wet beven, ook deze zegen verkregen, dat strenge justitie van misdaad zou afschrikken.
Bloedschuld raakt bloedschuld.
En dat in een land, dat nog fier mag gaan op zijn „issu de Calvin", als van Calvijn geboortig. Een land, waar een groot deel der rechtsgeleerden op den naam van den grooten reformator prijs stelt.
Moge toch de uitleving eens bevestigen dat Gods Woord wordt gekend en Calvijn wordt gevolgd.
Straffeloos zal onze Regeering den eisch van Gods Woord niet kunnen terzijde stellen. Het kan geen uitstel meer lijden.
Wij zijn, zooals wij hierboven reeds opmerkten, het met den zakelijken inhoud van dit schrijven volkomen eens.
Inderdaad, de moordpartijen, die men schier dag aan dag in de bladen kan lezen, schreien ten hemel. Er is geen eerbied meer voor het leven, dat God geschapen heeft. Men schiet er met het vuurwapen op in en slaat er met het mes op los, alsof de moordenaar het recht op zijne zijde heeft.
Daarom onderschrijven wij den oproep van De Banier, zooals van Antirevolutionaire zijde reeds tientallen van jaren werd gedaan, om wederinvoering van de doodstraf.
Echter wij zouden zoo gaarne gezien hebben, dat de schrijver van het stuk eens duidelijk had uiteengezet, hoe die wederinvoering van de doodstraf in onze Strafwet te krijgen is.
Zou een voorstel dienaangaande bij de Staten-Generaal worden ingediend, dan zou het, als wij de neuzen goed tellen, de stemmen krijgen van de Antirevolutionairen, van de Staatkundig Gereformeerden, van enkele Chr. Historischen, benevens van een aantal Roomsch Katholieken.
Als wij het ruim nemen, zouden het misschien 30 stemmen kunnen zijn, die voor het voorstel werden uitgebracht. Het Kabinet zou dan wel kunnen heengaan en door een ander vervangen worden, maar de zaak zelve zou daardoor niet veranderen.
En zooals het met de doodstraf staat, is het ook gelegen met tal van andere principieele vraagstukken, waarover Antirevolutionairen en Staatkundig Gereformeerden één van gevoelen zijn.
Er is in de Staten-Generaal voor dergelijke vraagstukken geen meerderheid te verkrijgen, zoo oordeelden ook mr. Heemskerk en mr. Donner, toen zij met de portefeuille van Justitie belast waren.
Weet De Banier een anderen weg ? Het zal ons tot blijdschap strekken, wanneer wij dien weg vernemen.
Natuurlijk behoeft de wetenschap, dat het Parlement geen wederinvoering der doodstraf wil, voor de voorstanders der wederinvoering geen reden te zijn om er het zwijgen aan toe te doen.
Maar in dat geval moet de actie van De Banier iets anders worden opgezet.
Met kracht zullen Antirevolutionairen en Staatkundig Gereformeerden voor het recht Gods, ook waar het betreft de ordinantie : „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden", opkomen.
Wie weet. God de Heere mocht dit opkomen voor Zijn recht nog eens willen zegenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's