GRETSKE „DE FREULE"
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Hier haakte een oogenblik het gesprek, gedurende welke stilte elk met zijne eigen gedachten bezig was, maar waarbij het Kruis der verzoening in het middelpunt stond. Het Kruis, — voor den een tot een ergernis of dwaasheid, voor den ander een kracht Gods tot zaligheid. Voor den een ten léven, voor den ander ten doode. Gelijk voor alle tijden en geslachten het Kruis een voorwerp van aanstoot of aanbidding blijft.
Toen maakte mevrouw een einde aan de stilte. „Maar zullen wij nu toch niet eens naar binnen gaan ? " — vroeg zij. „Anders vrees ik dat wij morgen de gevolgen zullen ondervinden. Toe dokter, help u mij eens mee, mijn man laat zich door mij toch niet gezeggen."
„U hebt gelijk mevrouw, neem mij niet kwalijk dat ik uw man zoo verwaarloosd heb, en enkel met eigen gedachten bezig was. En laat ik dan tevens opstappen."
„Maar dat is heelemaal mijne bedoeling niet, " — vervolgde mevrouw, bevreesd, dat aan hare woorden een uitlegging gegeven zou worden, welke zij niet bedoelde.
„Wij gaan naar binnen, onder voorwaarde dat u mee gaat, " — vervolgde dominé, en opstaande legde hij de 'hand op den schouder van den geneesheer, die met zichzelf nog in tweestrijd was, wat te zullen doen. Hoe het kwam wist hij niet te verklaren, maar het bezoek aan de pastorie gaf hem dezen avond niet wat hij er van verwacht had. Kwam het, omdat hij zelf niet in de rechte stemming verkeerde en men vandaag zijn Zondagsrust zoo dikwijls verstoorde ? Of omdat onder de gesprekken door zijn hoofd zoo vervuld was met de gedachte aan die jonge moeder, wier leven zoo aan een zijden draad hing en waarbij de kunst vrij zeker weinig vermocht ?
Of kwam het, omdat het gesprek van zoo juist hem in een nog somberder stemming bracht, waar hij tot hiertoe zich nooit had kunnen vinden in de gedachte, dat door middel van een ruwe kruisbalk, uit haat en vijandschap door Joden en heidenen opgericht voor Eenen, dien men niet verstond, en die, naar hij meende, zijn tijd en volk ver vooruit was, verzoening komen kon ? Hij wist het zélf niet, maar dat hij voor 't gezelschap dezen avond geen aangename visite was, dat gevoelde hij zelf het diepst en het hinderde hem. Zou de rust in eigen studeerkamer niet weldadiger zijn ?
Doch het was alsof de wijze zielenherder dezen tweestrijld bij den man der wetenschap merkte. „Kom, dokter, 't Is nog maar pas tien uur en u hebt niets geen haast. Ik heb nog een extra merk sigaren — cadeautje van een paartje, welks huwelijk ik heb ingezegend — en dat zullen wij eens aanspreken.”
Intusschen wierp het pas verkregen electrisch licht een vriendelijk schijnsel door de opengeslagen tuindeuren en verlichtte de gezellig ingerichte woonkamer tot in de hoeken. Terwijl een der dochters bij het buffet bezig was een fruitschaal te vullen en een ander van het boekenrek hare lievelingslectuur nam, schonk mevrouw nog thee en zaten de heeren, weldra weggedoken in zachte fauteuils, op hun gemak van de geurige sigaar te genieten. Geen woord werd meer gesproken over het gewichtig onderwerp van zoo juist, 't Ging thans over allerlei andere dingen, zooals de veelbewogen tijden deze genoeg aan de hand gaven en waardoor ook de dames gelegenheid kregen nu en dan iets te zeggen. Soms klonk een gulle lach door het vertrek, vooral wanneer de dokter door een bizonder heid uit zijn studententijd te vertellen, of een pittige opmerking over hetgeen hij in zijn practijk te hooren of te zien kreeg, het gezelschap wist bezig te houden. Nu was hij weer als altijd de vroolijke huisvriend, die langs dezen weg eigen zorg of verdriet voor een wijle vergat, om zich te verkwikken aan de warmte van het familieleven, zooals hij het hier vond. Hoe guitig keken die oogen soms. Hoe fijn besneden was dat gelaat. Hoe sprak uit heel dat profiel de diepe denker, de ernstige geleerde, maar ook, vooral zooals hij daar thans zat, de vroolijke causeur, die, zonder daarbij af te dalen tot het banale, of de platvloersche nieuwtjes van 't straatpubliek, het gezelschap aangenaam wist bezig te houden. Zoo vloog de tijd om. Tot op een gegeven oogenblik de dokter inviel: „O ja, wat ik u straks nog vertellen wilde, toen ik het over zwarte Ka had, maar ik ben blijven steken - weet u wel wie haar verpleegster is? ”
„Neen, houdt zij er dan óók nog een pleegzuster op na ? "
„Ja, en een beste, al draagt zij geen costuum. Tenminste ik heb respect voor dat mensch."
„Wie is dat dan" — werd er nieuwsgierig gevraagd, terwijl aller oog op den spreker was.
„Gretske. Of zooals zij haar daar noemen: „de freule." U weet wel, die vroeger lange jaren op „Landlust" bij de familie Grondsma gediend heeft."
„Ik kan niet zeggen, dat ik haar ken" — sprak mevrouw eenigszins teleurgesteld, omdat zij iets heel bijzonders verwacht had.
„Och jawel, " vulde dominé aan ; — „'t is die oude vrouw, die ons onlangs nog tegen kwam op den weg, met een paar korven aan een juk, en ons toen zoo vriendelijk toeknikte."
„Zoo’n oude vrouw? "
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's