VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 9. Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijne geslachten. Noach wandelde met God.
3e Serie.
XX.
Niets schaadt de prediking des Evangelies en Gods Naam en zaak meer in de wereld dan een goddelooze wandel dergenen, die zich voor belijders uitgeven. Een slordige levenswandel onder het masker der godzaligheid wekt een gevoel van afkeer op zelfs onder hen, die overigens ook zelven op het pad der deugd den voet niet plegen te zetten. Het is merkwaardig, hoe de kinderen dezer wereld, die openlijk in de zonde leven, nog met bitterheid plegen vervuld te worden, wanneer zij dezelfde zonden, die zij gretiglijk bedrijven, bij anderen waarnemen onder een masker van vroomheid. Hoe menigmaal geschiedt zulks en worden alzoo zij, die als evangeliebelijders bekend stonden, oorzaak van lastering der Waarheid Gods. De apostelen hebben daarom zoo dikwijls aangespoord tot godzaligen wandel, lot een leven in de vreeze Gods. Heeft niet de apostel Petrus ons vermaand, dat de geloovigen te midden eener wereld, die zich stoot aan het Woord, zouden bedenken en toonen, dat zij een uitverkoren geslacht zijn, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, daar het hunne roeping is de deugden te verkondigen desgenen, die het uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht! Daarom juist zegt hij, dat Gods kinderen zich zullen onthouden van de vleeschelijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel, dat zij hunnen wandel eerlijk zullen houden onder de heidenen, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in Gods kinderen zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.
Neen, het is volstrekt niet onverschillig, hoe wij wandelen te midden van de kinderen der wereld. Dat beteekent natuurlijk niet, dat Gods kinderen daarom aan de vijandschap der wereld zullen ontkomen. Het zal van hen waarheid blijven, dat zij om den Naam en de zaak des Heeren vervolging en hoon en smaad zullen hebben te dragen en dat zij daarom ook aan laster en nijdigheid en kwaadspreking niet ontkomen kunnen. Maar dit alles kan alleen overwonnen worden, zooals Petrus zegt, doordat het leven van Gods kinderen zelf het bewijs van het tegendeel brengt. „Want alzoo", zegt hij, „is het de wil van God, dat gij weldoende den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen." De vrijheid, waarmede Gods kinderen begenadigd zijn, mag geen deksel der boosheid wezen. En zoo laat hij ons het ware leven en den echten wandel der godzaligheid zien als een weg der genade, die er ook dan is, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. Maar dit is nu juist zoo dikwijls het geval, dat de haat der wereld wordt opgewekt doordat het leven der belijders niet is wat het zijn moet, dat zij geslagen worden, omdat zij zondigden. En als dit geschiedt, dan lijdt daaronder ook Gods Naam en zaak. De apostel wijst daarom op het voorbeeld van den Heere Jezus Christus, in Wiens mond geen bedrog was, die als Hij gescholden werd niet wederschold, als Hij leed, niet dreigde. doch het overgaf Dien, die rechtvaardig oordeelt. Zoo zullen ook Gods kinderen der zonde afsterven en der gerechtigheid leven, als een genadevrucht van Christus' werk.
Maar dan is het ook duidelijk, hoe het komt, dat na zoovele eeuwen van prediking des Evangelies te midden dezer wereld, de invloed en de beteekenis van Christus' Kerk nog zoo gering is, dat er van Gods volk zoo weinig te speuren is. Indien er toch iets met zekerheid kan gezegd worden dan is het, dat zij die den Naam van Christus noemen, maar al te vaak niet afstaan van de ongerechtigheid. Het is geen wonder, dat de wereld zich met minachting afkeert van het vroom gepraat, wanneer zij telkens wordt getroffen door de gelijkenis tusschen Kerk en wereld. Wat zij in haarzelve niet slechts draagt, maar gaarne kweekt, dat veroordeelt zij in hen, die het Kruis van Christus voor zich uit dragen. En dit is juist in onze dagen zoo in het oog vallend, dat het zedelijk verval, waardoor de ondergang onzer cultuur wordt gebrandmerkt, volstrekt niet alleen in de kringen dergenen, die aan God en Zijn dienst vreemd zijn, wordt aangetroffen. Soms kan het zelfs gezegd worden, dat de kringen der Kerk de zonden meerder maken dan de heidenen rondom. Zoo worden zij, die zeggen te belijden, oorzaak van den smaad over het schuldeloos hoofd van onzen Heere Jezus Christus, wordt de ware Kerk gebrandmerkt en is het onmogelijk, dat het evangelie ingang krijgen kan in de massa, die ten slotte toch ook vraagt naar de vruchten van den boom.
Als wij daarop zien wat de Kerk moest zijn en wat zij is, dan is er reden tot diepe verootmoediging voor Gods aangezicht en wordt het mede hare schuld, dat de wereld volhardt in haar ongoddelijk drijven. Zij geeft maar al te dikwijls een exempel van ontrouw en ongerechtigheid, biedt het schouwspel vaak van al die ondeugden, waardoor de wereld wordt verpest. Zoo blijkt, hoe haar geloof inzonk, haar geestelijk leven verdorde. Zij is niet meer een licht op den kandelaar, eene stad op den berg, geeft niet meer de leiding aan te midden van een 'krom en verdraaid geslacht, wijst het niet meer naar het eeuwig licht. Waar zij zelve duisternis werd, daar is zij als het smakelooze zout onnut geworden. Doch daarom is er voor het ware volk, dat er nog over is, verscholen hier en daar in de heggen en stegen, zooveel te meer oorzake om door een godzaligen wandel de belijdenis te versieren. Of wij al roepen: „des Heeren tempel, des Heeren tempel!" en de kracht der godzaligheid missen, het zal ons geen nut doen. Vóór alles komt het aan op de ware vreeze Gods. De belofte ligt er voor Gods echte kinderen : „Want de oogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijne ooren tot hun gebed." Doch ook de dreiging blijft: „Het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen." Laat ons niet meenen, dat des Heeren hand is verkort. In Zijne genade en in Zijn recht is Hij eeuwig dezelfde en Zijn Woord zal bestaan.
En dit alles nu wordt ons ook in Noach's geestelijke levensgeschiedenis voorgesteld. Reeds de eerste, oudste, voor-historische Kerk heeft gestaan onder een openbaringslicht, waarbij zij Gods verkiezende daad leerde kennen in haar kracht tot godzaligen wandel. Zij heeft Noach's verschijning gezien als een vrucht der vrijmacht van Gods genade, waardoor deze man Gods, deze machtige profeet, als een vuurbrand uit het vuur gerukt, den Maren glans des Woords liet stralen in een wereld, die in diepe duisternis en zedelijke ellende verkeerde. Noach was de geroepene Gods, de eenige in eene gansche wereld. Naar de dwaasheid der schijnvromen was deze Noach een prediker van het ongelooflijke. Een God, die zich slechts een enkelen Noach had verkoren en overgehouden, daarvan wilde zij niet weten. Maar Gods Kerk heeft hem toch zoo gezien vanaf die tijden na den zondvloed, toen er nog van een geschreven Woord geene sprake wezen kon. En deze uitverkorene, die der wereld eene dwaasheid scheen, kende zij als eenen rechtvaardige, als een man, die naar de wet des Heeren gemeten, een vrome, een godvruchtige heeten mocht, omdat zijn leven de kenmerken droeg van de verkiezende daad, die de Heere in hem had voltrokken. Ja, hij leefde zoo, dat diezelfde goddelooze wereld, die hem een dwaas achtte vanwege zijne vreeze Gods en de waarschuwende prediking, die hij haar bracht, toch op zijn leven niets aan te merken had. Hij mocht haar lastig zijn en hinderlijk, doordat hij tijdig en ontijdig aanhield met zijne vermanende prediking, één ding moest zij toch erkennen, dat zijne daden niet in strijd waren met zijne woorden. Als deze Noach voor des Heeren aangezicht verscheen, dan beleed hy van zichzelven, hoe onverdiend Gods gunsten hem bewezen werden. Het ging hem als den hoofdman over honderd, die den Heere Jezus bad toch zijn knecht te genezen en toen de Heere zeide: „Ik zal komen en hem genezen'", antwoordde: „Heere ! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen." Van dezen man getuigde de Heere Jezus: „Ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden." Doch van dien zelfden man hadden zelfs de ouderlingen der Joden getuigd: „Hij is waardig, dat Gij het hem doet." Zijn wandel had zelfs bij deze Joden den eerbied opgewekt voor zijn persoon. En zoo was het nu ook met Noach en de wereld, waarin hij verkeerde. 'Zij wilde van zijne prediking en van zijne vermaning en waarschuwing niet weten, vond deze zelfs eene dwaasheid, waarom zij hem bespotte en belachte, maar op zijn leven kon zij geenerlei aanmerking maken. Als zij daarop zagen, dan moesten ook de goddeloozen zelfs zeggen, dat hij een man was, wiens levensdaden harmonieerden met zijne woorden. Daarom wordt er dan ook bijgevoegd, dat Noach was een „oprecht man in zijne geslachten, '" waarmede de Schrift bedoelt ons te zeggen, dat hij bij zijne tijdgenooten bekend stond als een man, op wiens levensgedrag niets aan te merken viel. Hij was onberispelijk naar den maatstaf der wereld, te midden waarvan hij verkeerde. Hoe zij ook zich afkeerden van zijne woorden, hoe zij deze soms tandenknersend aanhoorden, hoe de vijandschap ook in hunne zielen brandde, als het op zijn levenswandel aankwam, dan moesten zij zwijgen. Daarvan ging een getuigenis uit, dat zij niet konden weerspreken. Zij moesten erkennen, dat zij in dezen Noach van doen hadden met een man van bijzondere gaven, van buitengewone beteekenis, van een geheel eigen karakter, van geheel eenige waardij, ook al mochten zij hem niet en konden zij hem dikwijls niet begrijpen, noch verdragen. Hij was „een oprecht man". Het woord in den grondtekst, dat met „oprecht" hier wordt overgezet, wordt soms gebruikt om de offerdieren als van alle gebreken vrij te noemen, gelijk het ook gebezigd wordt om de volkomenheid van Gods inzettingen en van Zijne wegen te roemen. Op menschen toegepast, dient het om hen in hunne onstraffelijkheid en schuldeloosheid, in hunne rechtschapenheid aan te wijzen.
Zoo hebben dus de nageslachten onder de leiding der traditie Noach gekend als den man, die door zijn handel en wandel Tan zijne tijdgenooten zich onderscheidde, doch zoo, dat zij allen moesten erkennen, dat op zijn levenswandel geen aanmerking te maken viel. En de verklaring daarvan geeft ons de Schrift ook, wijl hetgeen eertijds van Henoch gezegd was, nu ook op Noach toegepast wordt. „Noach wandelde met God." Door deze woorden wordt ons omschreven het ware leven van Gods kinderen. Zij wandelen met God en zijn daardoor onderscheiden van alle mondvromen, die wel spreken over de leer, die op de gemakkelijkste wijze zich heenwerken over de grootste levensvragen, met eene beklagenswaardige oppervlakkigheid zich beroepen op leerstukken, op doop en verbond, op het behooren tot een Kerk, op het doen van goede werken, maar in hun innerlijk leven vervreemd blijven van Gods gemeenschap. Hoe betreurenswaardig lichtzinnig verhoudt zich de massa soms tegenover de diepe levensvragen, van welker beantwoording ons eeuwig wel of wee afhangt! Voor duizenden is de religiositeit het modeartikel, de godsdienstigheid een vorm, waarin men zich vermeien wil, omdat er de gevoelsbehoeften door worden gestreeld, terwijl zij van het ware kindschap Gods geheel onkundig bleven. Zij kennen juist niet dat leven, dat de Psalmdichter bezong als „Gods verborgen omgang", die gesmaakt wordt door de zielen, waar Zijne vrees in woont. Het religieuse is hun eene levenstheorie, een gevoels-surrogaat, dat men gemakkelijk kan genieten zonder dat er van wedergeboorte en bekeering sprake behoeft te zijn. Den weg des kruises kennen zij niet en daarop gewezen, breekt de vijandschap maar al te dikwijls los van het schijnvrome, natuurlijke hart, dat in den diepsten grond God niet vreest en daarom de Godvreezenden niet dragen kan.
Noach was een man, die met God wandelde, diep geestelijk leven kende, met godzaligen wandel gesierd. Alzoo verkeerde hij te midden der oude wereld, die hoewel zij zijne uitnemendheid moest erkennen, zijne profetische prediking versmaad heeft. Zij ging door in hare onbekeerlijkheid den ondergang tegemoet. De Heere Jezus Christus heeft dan ook op hem gewezen ais op den man Gods, machtig in woorden en werken, wiens dagen waren als de toekomst van den Zoon des menschen. Hij staat dus als de drager van den fakkel van Gods recht over de geschiedenis der menschheid van alle eeuwen na hem, opdat Gods uitverkoren volk zal worden geroepen uit de duisternis tot het licht, opdat het zijne ziel zal uitdragen als een buit en ziende het wonder van genade, eeuwiglijk Gods lof verkondigen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's