VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD
Genesis 6 : 10. En Noach gewon drie zonen : Sem, Cham en Jafeth.
3e Serie.
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD,
XXI.
Gods Woord is een profetisch, woord. Daarom opent het diepe perspectieven in de geschiedenis der menschheid. Het laat er over opgaan het licht van den Heiligen Geest, die den Raad der genade in en door het menschelijk geslacht heen voltrekt. Het ontsluit ons oog voor de gangen Gods in de historie. Daarom blijft het in zijne ontvouwing nimmer staan bij het heden, maar werpt een stralenbundel vooruit, opdat wij den samenhang zullen zien en alzoo een blik zullen krijgen in den voortgang der openbaring en daarmede in het proces der verkiezing Gods. Dat is zoo de gansche Schrift door. In het Oude Testament om ons te doen verstaan, hoe als uit de baarmoeder der eeuwen het Woord vleesch wordt, zoodat in de volheid des tijds het Licht der wereld zal opgaan en daarmede de verkiezende daad haar particularistisch karakter zal afleggen, opdat uit alle tongen, natiën en volken de Heere Zijn volk zich roepen zal. Het Godsvolk wordt daardoor een rein geestelijk volk, niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren. Die geboorte staat dus los naast de natuurlijke afstamming, is daaraan niet meer in volstrekten zin gebonden.
En als dan het Woord is vleesch geworden en de Heere Jezus Christus zelve is verschenen niet alleen als een verbond des volks, maar ook als een licht der heidenen, dan gaat ook van Hem weder een lichtende baan uit over de eeuwen, die na Hem nog komen zullen en verschijnt heel die historie als eene voleinding, als heendringend naar het wereldeinde, opdat de gansche schepping Gods daarin hare God verheerlijkende bestemming zal verwerkelijken. Zoo gaat er dus door heel die openbaring, gelijk zij in het geschreven Woord voor ons ligt, de gouden draad van den Raad der genade, die door de eeuwen der geschiedenis heen verwezenlijkt wordt. En nu worden wij zoo nu en dan, wanneer er om zoo te zeggen een knooppunt in de historie bereikt werd, op eene hoogte gesteld, vanwaar de Heere ons laat zien op de nieuwe wegen, die ontsloten zullen worden. Hij neemt ons mede als op een berg, om ons. te wijzen, hoe het nu alles verder wordt en werd geleid in de vaste banen van Zijn wegenplan. Hij toont ons vandaar wat Ethan, de Ezrahiet, in het licht van Gods Geest heeft aanschouwd, toen hij zong : „Uwe goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden." Hij zag het optrekken naar een vast bestek, zooals de Spreukendichter de wijsheid aanschouwde als een voedsterling des Heeren, spelende in de wereld zijns aardrijks, en Jesaja Hem zag, zittende boven den kloot der aarde. Zijn scheppingsraad verwerkelijkend, ook al merkte niemand op Hem. Zoo werkt Hij nu ook Zijn genaderaad uit naar een vast bestek, naar de groote lijnen, die Hij zelve heeft getrokken
En daarvoor heeft nu zelfs Gods oudste Kerk reeds een oog gehad. Hij heeft het haar doen zien, dat in de geschiedenis niet de willekeur van een dood toeval heerscht, maar de Raad van Zijnen goddelijken wil. Daarom wordt in het geschiedverhaal telkens, als: et punt bereikt werd. vanwaar Gods kinderen hun blik in de toekomst moesten richten, er nadruk op gelegd, dat hier iets geheel nieuws aanvangt. In Genesis 5 : 32 werd ons Noach's geslacht voor het eerst beschreven. Hij gewon Sem, Cham en Japheth. Dat werd ons daar gezegd om ons als in een grooten trek voor den geest te stellen, dat uit Noach als een levenscentrum drie geslachten uitgaan, als drie lijnen, die voortaan de ontwikkeling der menschheid zullen indeelen. En in ons tekstvers wordt hetzelfde herhaald', nadat ons Noach als de groote geloofsheld werd voorgesteld, als de man, die in zijn donkere dagen een lichtende zon was, opdat de wereld, wanneer zij onderging, zou weten, dat zij, ondanks Gods vermaning, rechtvaardig door Zijne oordeelen werd getroffen. Alle verontschuldiging ontviel haar, daar Noach tot haar gezonden was als een rechtvaardig en oprecht man te midden zijner tijdgenooten. En als de Schrift hem alzoo geteekend heeft in zijne geestelijke grootheid, als de lichtende figuur in dien nacht der oude wereld, dan wordt ons in ons tekstwoord ten tweeden male gezegd, dat hij drie zonen gewon : Sem, Cham en Japheth. Deze herhaling is niet toevallig, heeft een doel, heeft de strekking om er, onze aandacht op te vestigen dat wij hier van doen hebben met een historisch moment, dat ook voor de geestelijke ontwikkeling der komende menschheid eene groote beteekenis heeft. De Heere ontsluit daardoor de oogen Zijner Kerk voor de drie geestelijke lijnen, die van dezen verbondsdragenden Noach uitgaan in de wereldgeschiedenis. En deze geestelijke belichting wordt nu nog weer versterkt, als straks bij de komst van den vloed de uitverkoren Noach in de redding biedende ark gaat. Ook dan wordt er. Genesis 7 : 13, weer bijgevoegd, dat niet alleen Noach daarin ging, maar ook Sem, Cham en Japheth, Noach's zonen. Wij moeten er alzoo goed van doordrongen worden, dat de Heere die lijn der genade blijft vasthouden. En als straks in Genesis 9 Noach de ark weder verlaat, dan worden zijne zonen, Sem, Cham en Japheth, wederom met name genoemd, want zij zijn met Noach samen als een contactpunt voor de nieuwe komende historische ontwikkeling, waarin deze met de oude, ondergegane wereld verbonden is. En als dan het 10e hoofdstuk aanvangt met de beschrijving van de geslachtenreeks, zooals die in de nieuwe, na den zondvloed opgekomen, wereldgeschiedenis zich ontplooit, dan verschijnen wederom Noach en zijne drie zonen Sem, Cham en Japheth. En zoo worden zij ook in 1 Chron. 1 : 4 samen eerst genoemd, terwijl daarna deze drie zonen in hunne geslachten ons worden voorgesteld. Deze stelselmatige herhaling is uit den aard der zaak niet zonder bedoeling. Zij heeft de strekking om ons telkens weer aan dezen vader met zijne drie zonen te herinneren, opdat wij zullen begrijpen, dat wij in de verschijning van dezen Noach en zijne drie zonen te doen hebben met een zeer gewichtig moment in de geschiedenis der menschelijke historische ontwikkeling. Er is in dezen Noach en zijne zonen een knoop-punt van drie gangen door de geschiedenis. Van Noach uit, gaan drie de historie beheerschende groepen uit.
Ook hierin wordt het nu duidelijk, dat wij in de Heilige Schrift en in het algemeen in de wereldbeschouwing van Gods Kerk, zooals deze onder de verlichting van Gods Heiligen Geest geboren werd, dus onder de bijzondere openbaring Gods, van doen hebben met een geheel eenige waardeering der menschheid, die geen enkel ander volk der oudheid heeft gekend. De oude volken hebben zulk eene universeele, de gansche menschheid omvattende genealogische waardeering der volkeren niet gekend. Alle oude volken hebben een zoo geweldig zelfbesef, dat wie tot hun volkslichaam niet behoorden, werden verfoeid' en gehaat en als vijanden beschouwd en als het er op aankwam, ook behandeld. Grieken en Romeinen hebben alle andere volkeren als „barbaren" veracht. Zij golden hun voor onmenschen. Plato wilde in zijne Republiek zelfs geene „barbaren" dulden. Zij zouden er dan ook nimmer toe hebben kunnen komen eene historische beschouwing voort te brengen, waarbij ook zij zelven door afstamming verwanten werden van die zoo diep verachte „barbaren." Ja, die verachting ging zelfs zoó ver, dat de beroemde geneesheer Galenos, die in 131 n. Chr. te Pergamon geboren werd, de „barbaren" met ossen en zwijnen gelijk stelde. En hij was niet de eenige Griek, die zoo oordeelde.
Het merkwaardige is dus, dat wij hier van doen hebben met eene beschouwing over den oorsprong der onderscheidene, de toenmalige bekende aarde bewonende volken, die op eene geheel andere menschwaardeering berust. Wij hebben dit bijzondere uitgangspunt ons wel voor den geest te stellen, opdat wij niet vervallen in de dikwijls voorkomende dwaling, alsof wij hier in de Schrift voor ons hadden eene soort van rassen-theorie, zooals die door de moderne wetenschap wordt opgebouwd op den grondslag van allerlei natuurkundige gegevens. Dat is de bedoeling der Heilige Schrift niet. Zij bedoelt allerminst ons eene zoogenaamde „descriptieve anthropologie" te geven, maar zij laat alleen zien, hoe de genade-werking Gods in de toenmalig bekende volkerenwereld optreedt. Zij trekt voor ons in groote en algemeene trekken de lijnen, waarlangs de bonds-daad Gods zich door de geschiedenis der menschheid beweegt. En de Schrift blijft daarbij getrouw aan de door de geheele Schrift veronderstelde eenheid van oorsprong der menschheid. Daarom kan zij slechts in genealogische, in lijnen van geslachten, ons de historische ontwikkeling laten zien. Zij kent geen andere menschheid dan eene, die uit „één bloed" is. Maar daaruit volgt nu ook van meetaf een geheel andere zedelijke waardeering der onderscheidene volkeren. Ook in de Schrift zijn al die volken niet gelijk gewaardeerd. De zonen van Sem en die van Japheth stelt zij hooger dan de Chamieten. Maar in den diepsten grond blijven het toch de afstammelinigen van denzelfden Noach. En als later Israël zich verheft tegenover en boven de „Gojim", boven de heidenen, dan is dit niet op grond van eene vleeschelijke afstamming, die omgaat buiten Noach en zijne drie zonen, maar alleen omdat Israël zich kende als het van God uitverkoren volk. Die zelfverheffing was dus een gevolg van hun „afhoereeren" met de gaven Gods. Het geestelijk goed verdierven zij door vleeschelijken hoogmoed. Maar zij dachten er niet aan de volkeren te verachten, omdat deze eene andere afstamming zouden hebben uit een anderen man dan Noach. In de Schriftuurlijke genealogische waardeering is de grond gegeven voor eene zedelijke waardeering van alle volken als leden van het ééne, allen omvattende lichaam der menschheid.
Dit licht gaat op uit de telkens herhaalde voorop-stelling van Noach en zijne drie zonen. Het laat alzoo alle volken zien als, hoe verschillend zij ook verder mogen zijn als gevolg van hunne levensomstandigheden en cultureele zonden, zij toch uit één bloed zijn, daar zij allen zijn te herleiden tot dien éénen vader, uit wien de drie zonen zijn, welker geslachten de aarde vervullen, zoover den ouden deze bekend was. Zoo hebben wij dus hier in de Schrift van doen met eene menschheid, zich ontwikkelend onder de inwerking van Gods genade-licht. Daarin zijn zij niet allen gelijk, hunne gaven, ook hunne geestelijke gaven, verschillen. Het stralend licht der verkiezing, zooals deze in de geslachten openbaar wordt, zet breede gebieden in de schaduwen van een nacht, die eerst zullen wijken voor den dag, waarin de eenheid van afstamming mogelijk maakt de herboren eenheid in Christus.
Zoo is dus in Gods Woord van de vroegste oudheid af reeds de grond gelegd voor eene onderlinge zedelijke waardeering der volkeren, die de heidenen, die ook Grieken en Romeinen, hoe hoog zij ook stonden op de trappen der cultureele ontwikkeling, niet hebben gekend, niet hebben kunnen kennen, omdat zij niet verworven worden kan door de wijsheid en de wetenschap van den natuurlijken mensch, maar slechts kan worden ontvangen uit de genade des Heeren, die zich eene gemeente heeft geroepen uit de duisternis tot het wonderbare licht Zijner openbaring. Op dat hoogtepunt leidde Hij reeds de oude gemeente, wanneer zij in Gods licht mocht aanschouwen, hoe de wereld der volkeren zou opkomen gelijk als uit het rijsje eener afgehouwen tronk. Zij zag, hoe uit de oude ondergaande wereld eene nieuwe zou opkomen en hoe ook in die wereld Gods verkiezende genade zou werken, zoodat Noach's oudste zoon het geslacht zou openen, dat een koninklijk priesterdom droeg. Cham, de tweede zoon, zou in vernedering worden gebracht, dank zij de vreeselijke afgoderij, waartoe zijn geslacht zou vervallen, terwijl Japheth deelen mocht in den zegen van Sem. Zoo werd dus de gang der geschiedenis door Gods oudste gemeente reeds doorzien, zooals zij verscheen bij het licht, dat eenmaal in Christus zou opgaan en waarin alle volken, als gesproten uit één stamvader van deze aarde, kinderen zouden mogen genaamd worden uit kracht der wedergeboorte van den Heiligen Geest, van den éénen Vader, die In de hemelen is. Wiens Naam heilig is en die in het verhevene woont, maar ook wonen wil in het hart van den diepst vernederden zondaar, die in het stof ligt neergebogen, verbroken vanwege zijne ongerechtigheden, verbrijzeld van geest vanwege zijne schulden voor des Heeren heilig aangezicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's