De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PRACTIJK DER GODZALIGHEID (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PRACTIJK DER GODZALIGHEID (1)

9 minuten leestijd

Met tweeërlei verontschuldiging moet ik beginnen.
De eerste betreft het feit, dat ik hier sta om dit onderwerp in te leiden.
Ons moderamen is gewoon reeds vroeg referenten uit te noodigen voor deze vergadering, opdat men zich rustig kan voorbereiden.
Ook dezen keer is zulks gedaan, en hij, die was uitgenoodigd om over dit onderwerp te handelen, had bereidwillig de uitnoodiging aanvaard. In den loop van den zomer echter heeft hij zich onder medische behandeling moeten stellen en werd hem het advies gegeven van onthouding van allen niet strikt noodzakelijken arbeid.
Voor onzen secretaris was dit een groote teleurstelling. IJverig werd her-en derwaarts een uitnoodiging verzonden, maar tevergeefs. Om hem uit zijn verlegenheid te redden en de vergadering van thans niet aan een slechts ten halve gedekte tafel te plaatsen, heb ik op mij genomen dit onderwerp te behandelen.
De tweede verontschuldiging Iaat zich thans gissen. Wijl de tijd van voorbereiding zoo kort was, heb ik mij moeten onthouden van een gedocumenteerd historisch overzicht.
Mijn lezing wil dan ook meer een inleiding dan een referaat zijn, een voorbereiding van een naar ik hoop vruchtbare samenspreking over de gedachten, die op den achtergrond van dit onderwerp voor ons oprijzen.
Nadenkend over de wijze, waarop ik dit onderwerp zou aanpakken, heb ik mij laten leiden door het karakter van deze vergadering.
Onze vergadering is gevormd uit onderscheidene groepen, maar we wenschen allen te staan op den grondslag der belijdenis. Ons samenkomen op dezen grondslag beteekent niet, dat wij de geschillen wenschen te vergeten of weg te doezelen, maar dat wij willen trachten vanuit den gemeenschappelijken grondslag die geschillen te peilen. Het kan zijn, dat de afstand, die ons van elkander scheidt, daardoor kleiner wordt. Het zou ook evengoed kunnen zijn, dat die afstand grooter bleek te zijn dan men oorspronkelijk vermoedde.
Hoe het zij, het is noodig, dat wij elkander leeren verstaan, en het is nog noodiger, dat we ons zelf en onze richting — ik neem dit woord hier niet In zijn specifieken, maar in zijn algemeenen zin — kennen, opdat we niet uit sleur, maar uit hartgrondige overtuiging In een bepaalde richting koers zetten.
Ons onderwerp is daartoe bizonder geëigend en geeft gelegenheid te over om te doen zien, dat de vragen, die ons altijd hebben bezig gehouden en waaruit de onderscheiden groepeering Is voort gekomen, ten nauwste in verband staan met de vragen van den dag op het terrein der theologie.
De term „de practijk der godzaligheid" moet niet genomen worden in den algemeenen zin, waarin hij in de Chr. Encyclopaedle wordt verklaard als de godzaligheid in de practijk des levens.
We hebben hier te doen met een uitdrukking, die historisch bepaald is. Zij roept onmiddellijk voor onze aandacht op een krachtige godsdienstige beweging in de kerken der reformatie, in het bizonder in de kerken van het Gereform. Protestantisme. Engeland — Schotland inbegrepen — en Nederland, zijn de bakermat van deze beweging. In den titel, die het onderwerp aangeeft, moet godzaligheid dus genomen worden als een genit. object. ^) Practijk beteekent dan beoefening. Men wenschte ernst te maken met het woord van den apostel: oefen u zelf tot godzaligheid. De beoefening der godzaligheid moet verder bepaaldelijk nog gezien worden als een methodische, stelselmatige beoefening ; niet door lust of onlust, maar door vaste orde en regel laat men zich bij de beoefening leiden. Zij, die in hun werken op een dergelijke beoefening der godzaligheid aandrongen, werden practici genoemd, in het oud-Hollandsch practicijns.
Wanneer men een zeer globale onderscheiding wil maken, kan men zeggen, dat de zeventiende eeuw de eeuw der practici is geweest en de achttiende eeuw de eeuw van wat meestal het piëtisme wordt genoemd.
Wie het onderscheid tusschen deze beide bewegingen niet ziet, heeft ze wel zeer oppervlakkig benaderd.
Genomen als reactie tegen verwerpelijke geestesstroomingen uit den tijd, waarin zij ontstaan, komen zij zeer duidelijk uit verschillende motieven op en bewegen zij zich langs verschillende lijnen. ³)
De eenige groote overeenkomst tusschen beide bewegingen ligt misschien hierin, dat beide het leven van den christen zien als een reis of als een weg, waarover men reist. Deze weg en eveneens het doel, dat men najaagt, is echter niet bij beide gelijk.
De practici der zeventiende eeuw nemen hun uitgangspunt in het leven des geloofs. De vragen, met welke zij zich bezig houden, liggen op het terrein van het derde der drie stukken, die de Heid. Catechismus noodig acht te kennen tot zaligheid. Hoe het leven Gode te wijden en als een levend dankoffer Hem op te offeren is de vraag, die het centrum van de practijk der godzaligheid uitmaakt.
Het piëtisme komt aan deze vraag ternauwernood toe. Het gaat er daar niet zoozeer om een christen te zijn en als een christen te leven, doch veeleer een christen te worden. De weg, waarlangs men reist, is de weg, die met zonde erkentenis en schuldbelijdenis begint en eindigt In de verzoening met een drleëenlg God.
Ten gevolge van dit verschil komen zij tot een zeer onderscheiden houding tegenover de wereld, de kerk, heel het aardsche leven, waarin men zich bevindt.
Hoe zou men — dat is het gangbare oordeel van alle practici — naar het woord, door God tot Abraham en alle Abrahams kinderen gesproken, voor Zijn aangezicht kunnen wandelen en oprecht en vroom kunnen zijn, als men het niet nauw neemt met de onderhouding van Gods boden. Maar wie het nauw neemt met Gods geboden, dien smart het, als hij in zijn omgeving, in de kerk, in het maatschappelijk en staatkundig leven geen rekening daarmede ziet gehouden. Waterbeken vlieten af uit mijne oogen, omdat zij uwe wet niet onderhouden, zeggen zij met den dichter van den ouden dag. Daarom zijn de practici en de mannen der nadere reformatie één. Zoo is het te verklaren, dat Voetius, scholasticus en nochtans een der voornaamste practicijns, optreedt tegen allerlei roepende zonden in zijn dagen en disputaties laat 'houden tegen het dansen, het tooneelspel, de onmatigheid in eten en drinken, de zedeloosheid der Meeding en dergelijke afwijkingen meer. Hij treedt daartegen op, opdat men van deze zonden afsta, want God gaf Zijn wet, opdat men daarin wandelen zou.
De piëtist daarentegen kent de wet hoofdzakelijk uit het eerste der drie stukken van den Heid. Catechismus. Heel de wereld door haar verdoemelijk verklaard' voor God, dood In zonden en misdaden. Alleen zij zijn van dit oordeel bevrijd, die kennis kregen aan het tweede stuk, dat der verlossing. Zij vormen een apart groepje in de wereld. En omdat hun aantal ook in de Kerk zeer gering is, ligt de Kerk eigenlijk onder hetzelfde oordeel als de wereld, een kerkhof eer dan een Kerk. Kerk en wereld zijn niet te veranderen; men trekke de handen van haar af. Ieder verloste sta liever naar gemeenschap met hen, die eveneens tot het volk behooren. Onderlinge samenspreking over wat ieder van den hemel ontving met eendrachtige veroordeellng van wat buiten is, is zoo ongeveer de eenige verkwikking, die in dit aardsche tranendal een christen bereid is.
In de practijk der godzaligheid hebben we te doen met de nadere ontwikkeling van een kern, die tot het wezensbestand van het Gereformeerd Protestantisme behoort. By Troeltsra vindt men een beschrijving van het karakter van dit Protestantisme, die dat zeer duidelijk maakt.
»Wenn der Katholicismus, die nötige Komplexitat und Autoritat zugleich hatte um das Gesamtleben zu umfassen und zu leiten, zo hat der asketische Protestantismus die nötlge Harte und Biegsamkeit, die religiose Energie und die nüchterne Sachlichkelt, die Anpassung an das Ethische Denken des Durchschnitts und die dogmatische Einfachheit um auf seine Weise ahnlich das Gesamtleben zu bemeistem.« *)
Zonder alles ten volle te beamen zou ik toch die religiose Energie en die nüchterne Sachlichkelt willen onderstrepen. Zij teekenen de mannen van de practijk der godzaligheid op bizondere wijze. Want wij hebben hier niet te doen met een wettische, formalistische levensrichting. Op ware godsvrucht, op het innige verkeer met God valt juist alle nadruk. Hier ontspringt die religieuze energie, die verbonden met een nuchter realisme, dat den Hollander en Angelsaks bizonder eigen is, heel het leven in zijn verschillende uitingen wenscht te brengen onder de heerschappij der goddelijke wet.
Krachtens het verborgen leven met God, dat zij zoeken, zijn de practici nauw verwant aan de mystieken. Door het nuchter realisme, hen eigen, verwijderen zij zich echter weer van de mystieken en krijgt de onderhouding van Gods wet, die het gansche menschenleven bestrijkt, een voorname plaats in de beoefening der godzaligheid. Daardoor blijven zij vreemd aan het separatisme van het latere piëtisme en zijn zij er op hun wijze op uit das Gesamtleben zu bemelstern. s)
Deze practici, deze preciesen, hebben de volksconsclëntle op een bizondere wijze bewerkt en hebben een zeer diep stempel gezet op ons volksleven, waardoor de ontkerstening van dat leven door den geest des tijds van de vorige en deze eeuw krachtig is tegengehouden. Dat hun. opkomen voor de eischen der goddelijke wet niet ge­ heel onvruchtbaar bleef, moet m nauw verband worden gebracht met de godsvrucht, waaraan deze ijver ontsproot.
De beoefening van de godzaligheid in den zin der practici geeft een overwicht op het volk, die de vroomheid van den piëtist vaak mist. Dat kan nog in het gemeentelijk leven worden gezien, al naardat de vromen van het een of het andere type zijn. Helaas moet worden erkend, dat van een beoefening der godzaligheid in onze dagen weinig sprake is. Wij missen te zeer in ons midden die aartsvaderlijke figuren, welke voorbijgegane geslachten soms zoo bizonder kenmerkten, mannen en vrouwen, die hun zielen hadden overgegeven voor den naam des Heeren Jezus.
1) Lezing gehouden op de Herv. Geref. Predikantenvergadering van 13 September 1934 te Utrecht.
2) Een tweede naamval, waarbij godzaligheid niet aangemerkt moet worden als onderwerp maar als voorwerp.
3) We bedoelen daarmede allerminst te zeggen, dat zij enkel uit reactie zijn geboren.
Die Soziallehxen der chrlstlichen Kirchen und Gruppen. Tubingen. 1919. Pag. 794. Waar het Katholicisme de vereischte massale eenheid' en autoriteit tegelijk bezat om het gansche leven te omspannen en te leiden, daar heeft het ascetische Protestantisme de vereischte hardheid en buigzaamheid, de religieuze energie en de nuchtere zin voor de werkelijkheid des levens, de aansluiting aan het ethische denken van de middelmaat en de dogmatische-eenvoud om op zijn wijze eveneens het gansche leven te beheerschen.
«) Wel te verstaan niet voor zich zelf, maar voor den Heere. Met eigen heerschzucht drijft hen, maar de begeerte, dat de wet des Heeren alom heerschappij hebbe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PRACTIJK DER GODZALIGHEID (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's