STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE ONDERWIJSUITGAVEN.
De hoogst zorgwekkende toestand, waarin de rijksfinanciën verkeeren, maakt het dringend noodzakelijk om naar middelen om te zien, die ons land voor een algeheele financieele inzinking met alle daaraan verbonden gevolgen kunnen behoeden. De inzinking zal ongetwijfeld komen, wanneer de Regeering niet doortastend optreedt en met kracht ingrijpt.
Nu kan de verbetering van den toestand niet komen uit verhooging der belastingen. De Troonrede spreekt het duidelijk en onomwonden uit : „Verhooging van de reeds zoo zwaar drukkende belastingen wordt zonder gevaar voor ineenstorting niet mogelijk geacht."
Daarom blijft als eenige weg over om de moeilijkheden het hoofd te kunnen bieden, dat naar een vast plan een sterk doorgevoerde bezuiniging op de uitgaven wordt toegepast.
Het wil ons blijken, dat het grootste stuk der bezuiniging zal moeten wonden geleverd door het epartement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Andere departementen met een eenigszins beteekenend eindcijfer als die van Waterstaat, Economische Zaken en Sociale Zaken, houden te veel verband met de economische belangen van ons volk en met de bestrijding der werkloosheid, dan dat op die onderdeelen van de Rijksbegrooting belangrijke besparingen op de uitgaven te vinden zouden zijn. En evenmin is het eindcijfer van de Defensiebegrooting naar omlaag te drukken, nu naast den achterstand op het materieel bij Land-en Zeemacht de internationale toestand zich langzamerhand gaat ontwikkelen in de richting van een nieuwen wereldoorlog.
Er rest dus alleen voor een ingrijpende bezuiniging het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Ten behoeve van dit Departement wordt op de ontwerp-begrooting over 1935 een bedrag geraamd van 148 millioen gulden, dat is meer dan één vijfde deel van het totaal der rijksuitgaven, dat voor het komende jaar begroot wordt.
Zooals vanzelf spreekt, zal bij het treffen van maatregelen tot bezuiniging het geheele terrein van het onderwijs onder de loupe moeten worden genomen. De bezuiniging zal niet alleen van het lager onderwijs, maar ook van het hooger-, voorbereidend hooger-en middelbaar onderwijs moeten komen.
Wat het hooger onderwijs betreft, zal het de vraag zijn of de drie rijksuniversiteiten op den duur zullen kunnen worden behouden en of niet een dezer instellingen zal moeten komen te vervallen.
Een klein land als Nederland, is met betrekking tot het hooger onderwijs wel zeer rijkelijk bedeeld. Naast de drie rijksuniversiteiten staat de gemeentelijke universiteit te Amsterdam, staan twee vrije universiteiten en komen verder nog ten laste van het Rijk vier hoogescholen.
Vooral in een tijd, waarin het blijkt, dat voor de afgestudeerden van universiteit en hoogeschool geen emplooi te vinden is en het zich laat aanzien, dat deze omstandigheid in de toekomst wel zoo zal blijven, klemt de vraag te meer, of ook niet om die reden tot belangrijke inkrimping van het hooger onderwijs, hetzij door beperking van het aantal inrichtingen, dan wel door reorganisatie èn vereenvoudiging van het onderwijs zelve, behoort te worden overgegaan.
De kosten, die thans alleen reeds aan de drie universiteiten te Leiden, Utrecht en Groningen en aan de technische hoogeschool te Delft besteed worden, bedragen niet minder dan tien millioen gulden.
En zooals het met het hooger onderwijs zal moeten gebeuren, zal het ook moeten geschieden met de gymnasia en de scholen van middelbaar onderwijs.
Voor deze onderwijsinrichtingen wordt op de onderwijsbegrooting voor het komende jaar een totaal bedrag van niet minder dan 12.6 millioen gulden geraamd, ongeacht nog de kosten, die voor het voorbereidend hooger-en middelbaar onderwijs op de gemeentebegrootingen voorkomen.
Dergelijke uitgaven zijn onder de huidige omstandigheden niet meer te voteeren.
Naar ons werd medegedeeld, worden b.v. te Haarlem vijf van deze onderwijsinrichtingen gevonden. De residentie telt er een en twintig.
Het zou van belang zijn, eens de getallen te zien van het totaal der gymnasia, lycea, hoogere burgerscholen en handelsscholen in Nederland.
Inperking van deze onderwijsinrichtingen zal noodzakelijk zijn, om de begrootingen van Rijk en gemeenten sluitend te maken.
Ook het nijverheidsonderwijs, waarvoor ruim 13 millioen gulden op de begrooting staat, zal op den voet, waarop dit onderwijs, thans gegeven wordt, niet gehandhaafd kunnen blijven.
En dan ten slotte het lager onderwijs, dat het leeuwenaandeel van de begrootingen van Rijk en gemeenten vraagt.
Voor dit onderwijs, openbaar en bizonder, werd door Rijk en gemeenten over het jaar 1930 in totaal de kapitale som van ruim 143 millioen gulden uitgegeven. Op de ontwerp-rijksbegrooting over 1935 wordt voor het lager onderwijs alleen reeds een bedrag geraamd van 95.5 millioen, dat is meer dan 63% van de geheele onderwijsbegrooting.
Dat het lager onderwijs een belangrijk object voor bezuiniging vormt, daarover hopen wij de volgende week enkele opmerkingen te maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's