DE PRACTIJK DER GODZALIGHEID
Mijn sympathie voor de geestesrichting, die in de practijk der godzaligheid tot openbaring komt, heb ik niet onder stoelen en banken willen steken. Zij gaf den doorslag, toen ik besloot dit onderwerp bij u in te leiden. Zij gaf mede leiding aan de beantwoording der vragen, die hier rijzen.
Laat ik enkele van die vragen mogen noemen. Wat is godzaligheid ? Is een godzalig leven in deze zondige wereld mogelijk ? Hoe kan een mensch, die vleesch is, godzalig leven ? Is stelselmatige beoefening der godzaligheid niet in strijd met het wezen des geloofs ?
Het woord godzaligheid is in het Nieuwe Testament door de Statenvertalers gebruikt als weergave van het Grieksche woord eusebeia. Tegenwoordig zouden wij dit woord waarschijnlijk vertalen door godsvrucht. Of de Statenvertalers met een bepaalde bedoeling het woord godzaligheid hebben gekozen, is mij niet bekend. Mogelijk was het in die dagen het woord dat het eerst ter beschikking stond.
Wat in ons woord godzalig ligt, n.l. vol van God, vindt men in het oorspronkelijke woord niet terug. Misschien dat aan de vertaling godsvrucht daarom de voorkeur zou moeten worden gegeven. 1)
Toch is het begrip van godsvrucht als godzaligheid, als een vol zijn van God, niet onschriftuurlijk. Integendeel wordt juist door dit begrip het wezen der ware schriftuurlijke godsvrucht benaderd als niet een vrucht van menschelijken bodem zijnde, maar een planting Gods.
Als zoodanig hangt het begrip godzaligheid ten nauwste samen met de uitstorting van den Heiligen Geest, de vervulling van de Oud-Testamentische profetie: Ik zal mijn Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken, dat gij in mijne inzettingen zult wandelen en mijne rechten zult bewaren en doen. (Ezech. 36 vers 27).
Het vol zijn van God, waarvan het begrip godzaligheid spreekt en dat ook in de practijk der godzaligheid bedoeld wordt, is dus niet een onschriftuurlijk idee van geestdrijvers, maar is een andere omschrijving voor wat in de Schrift vol des Heiligen Geestes wordt genoemd.
Op grond van de Schrift is er ook geen twijfel mogelijk ten aanzien van de vraag, of een christen hier godzalig vermag te leven.
Als wij door den apostel meermalen vermaand worden de werken des vleesches af te leggen en in een godzalig leven voor Gods aangezicht te wandelen, worden we niet opgeroepen te grijpen en te jagen naar een ideaal, dat in dit aardsche leven onbereikbaar moet worden genoemd en den christen eerst aan de overzijde ten deel valt. Godzaligheid, vol des Geestes zijn, is niet hetzelfde als zondeloosheid en ongerepte volmaaktheid, die eens der geloovigen deel zullen zijn. Dat blijkt daaruit, dat de apostel niet alleen tot een godzalig leven opwekt, maar de Schrift meermalen iemand godvruchtig of godzalig noemt als Ananias en Cornelius. Ten overvloede kunnen wij hier nog verwijzen naar het vol des Heiligen Geestes zijn, dat niet genoemd wordt als doel, waarnaar de christen jaagt, maar dat aan tal van christenen eigen was en in het bizonder gezegd wordt van Stefanus en Barnabas het geval te zijn geweest.
Godzaligheid mag alzoo iets anders zijn dan zondeloosheid, het is eveneens iets anders dan goddeloosheid. Een godzalig mensch is een ander mensch dan een goddelooze. Daarom spreekt de godzaligheid des levens van een ingrijpende verandering bij den mensch en in het leven van den mensch.
Wanneer men van deze verandering van hart en leven spreekt, worden velen onrustig. Zij zijn bang voor een gerechtigheid in den mensch en vreezen, dat deze nieuwe gerechtigheid aan de gerechtigheid van Christus zal te kort doen. Genade, wijl aan een zondaar bewezen, werpt den mensch neer, en nu zijn zij bang, dat de practijk der godzaligheid den mensch uit deze vernedering zal opheffen en hem op zijn godsvrucht zal doen steunen in plaats van hem tot den einde toe van genade alleen te doen leven. De vrome christen is het schrikbeeld van hun kerkelijken en theologischen arbeid. De practijk der godzaligheid wordt door hen gezien als uit humanistischen wortel op te komen, een verdoezelde poging om de klove tusschen God en zondaar, tusschen Schepper en schepsel weg te nemen.
Het zijn vooral de vrienden van Kohlbrugge en Barth, die in den laatsten tijd op deze klove, op dit kwalitatieve onderscheid tusschen God en mensch den nadruk leggen, evenals op het zondaar zijn niet alleen van den mensch, maar ook van den geloovige. De christen, zoo zeggen zij telkens met grooten nadruk, heeft de verlossing alleen in Christus. In zich zelf is hij een goddelooze, vleesch, ligt daarom met alle menschen onder hetzelfde oordeel; de verlossing is alleen zijn deel in Christus door het geloof. Alleen door dit geloof is de christen onderscheiden van den niet-christen.
Terwijl onze geloofsbelijdenis dit geloof echter als een positieve kracht ziet, waardoor de mensch wordt wedergeboren tot een nieuw leven, wordt het door de vrienden van Barth en Kohlbrugge meer van de negatieve zijde benaderd, de erkenning : niet in mij, maar in Christus. Het deed dr. Oorthuys indertijd zelfs spreken van een objectieve wedergeboorte, die ons in den doop gegeven is. 2)
Als ik het goed zie, doet de vrees voor het humanisme velen aarzelen om te spreken van eenige subjectieve verandering van den christen. Zelfs aarzelt men om het geloof, dat ongetwijfeld de mensch uit zich zelf doet uitgaan om de zaligheid buiten zich zelf te zoeken, van de subjectieve zijde te benaderen uit vrees daardoor weer op te bouwen, wat men eerst heeft afgebroken.
Als reactie tegen piëtisme en humanisme is dit te verstaan en eenigermate te rechtvaardigen, maar bij positieven theologischen opbouw wordt in dezen weg het religieuze leven toch wel zeer eenzijdig besloten binnen één openbaring van geloof, eenzijdig gebonden aan één geloofswerkzaamheid en moet van dit geloofsleven gezegd worden, dat het arm en mager is, als hier ten minste nog van geloofs leven sprake kan zijn en het geloof in den Christen nog als een continuïteit gezien kan worden en het geloof niet wordt tot een reeks geloofsmomenten, betrekkelijk zonder onderling verband, alleen lichtend als het Woord des Heeren lichtend doorbreekt in de duisternis en daardoor een moment van geloof verwekt.
Op deze lijn is er eigenlijk voor godsvrucht en godzaligheid gansch geen plaats. Men kan ze zeer moeilijk als vruchten des geloofs benaderen, wijl dan het geloof weer een positieve kracht wordt, waardoor de mensch in subjectieven zin gereinigd en geheiligd wordt. Daarom moet men vervallen tot een ijzingwekkende eenvormigheid, door deze en dergelijke schriftuurlijke uitdrukkingen te verlagen tot synoniemen van het geloof. Voor de practijk der godzaligheid is hier gansch geen plaats, ook niet al zou men godzaligheid een oogenblik willen nemen als identiek met geloof, wijl gevreesd moet worden, dat de practijk der godzaligheid en de oefening van het geloof te zeer het geloof onder de beschikking van den mensch plaatsen.
In onze dagen van Babylonische spraakverwarring ziet een ieder met jaloerschheid op de eenigheid des geloofs, die in de Reformatie tot uiting kwam. Daarom begeert een ieder tot de Reformatie terug te keeren en het is als zoodanig reeds begrijpelijk, dat ook de bovengenoemde zienswijze als het echte reformatorische beginsel wordt aangeprezen.
Het is echter niet gemakkelijk om aan te wijzen, welke de ware reformatorische beginselen zijn. De verscheidenheid tusschen de reformatoren is daarvoor weer te groot. Maar wel is aan te wijzen, dat de zienswijze, die ik boven noemde en die in de practijk der godzaligheid een afwijking van het reformatorische beginsel ziet, niet de zienswijze van de Gereformeerde Kerk op de Dordtsche Synode was. Prof. Haitjema erkent dat eerlijk, spreekt zelfs van de befaamde Dordtsche Synode, noemt de overwinning van Dordt een Pyrrhus' overwinning en oordeelt met Kohlbrugge, dat te Dordt met de voor de handhaving der waarheid zoo belangrijke victorie over de Remonstrantsche dwalingen, tegelijk de afglijding naar de overbelasting van het vrome, wedergeboren, uitverkoren subject begon, s) Te Dordt dus wordt de afwijking van de reformatorische beginselen reeds klaar, die eerst in Kohlbrugge weer wordt te niet gedaan en nu door Barth nader zal worden hersteld.
Zeer juist ziet m.i. prof. Haitjema, dat het verschil tusschen Confessioneele Vereeniging en Gereformeerde Bond herleid kan worden tot een verschil in houding tegenover de Dordtsche Synode en de beginselen, uit welke deze Synode leefde. En ik ben hem dankbaar daarvoor, dat hij door zijn teekening van de Dordtsche Synode de mannen van den Gereformeerden Bond erkent als geesteskinderen van Dordt, al betwijfel ik nog, of alle Confessioneelen tevreden zullen zijn met de typeering van hun richting, weergegeven in de trits Kohlbrugge, Hoedemaker, Barth.
De overbelasting van het vrome, wedergeboren, uitverkoren subject, die Haitjema reeds te Dordt ziet opduiken, is het vreesaanjagende schim, dat de Confessioneelen immer boven de Gereform. Bondsprediking zien zweven, terwijl omgekeerd de Gereform. Bondsmenschen zulk een eenzijdig naar voren schuiven van Kerk en ambt en Sacrament bij de Confessioneele prediking zien, dat zij vreezen, dat dit objectivisme geen plaats meer zal laten voor het aandringen van de noodzakelijkheid van waarachtige bekeering en levend persoonlijk geloof.
De scheiding, die het leven gebracht heeft tusschen Confessioneele Vereeniging en Gereform. Bond, blijkt niet een willekeurige en zinlooze te zijn, maar wortelt in een verschil van theologische beginselen, die juist in de hedendaagsche theologie aan de orde zijn.
In verband hiermede wil ik er op wijzen, dat ik de Dordtsche Synode niet bedoel te verheerlijken als de volkomen, zuivere openbaring van het reformatorische beginsel. Over deze Synode zie ik wel een schaduw vallen, maar een geheel andere dan die prof. Haitjema opmerkt. Het is de schaduw van Aristoteles, die mij vrees inboezemt, de schaduw van de reeds in opkomst zijnde scholastiek.
Het lijkt mij zelfs niet onmogelijk, uit de historie aan te toonen, dat het piëtisme niet, zooals uit de woorden van prof. Haitjema is op te maken, een vrucht van Dordt is, maar een reactie tegen de scholastiek, die in haar beginselen op de Dordtsche Synode zich reeds vertoonde en daar geduld is.
Als men daarnaast de vraag stelt, waarom het Luthersche protestantisme veel eerder door de aanrukkende scholastiek is lam geslagen dan het Gereformeerde protestantisme, zou het m.i. kunnen gebeuren, dat men terecht kwam bij het aandringen tot persoonlijk en levend geloof en tot ware godzaligheid, aan het Gereformeerd protestantisme eigen, als de oorzaak, als de kracht die het intellectualisme, de voedingsbodem van de scholastiek, een ganschen tijd heeft tegengehouden in zijn verwoestende werking.
Wat prof. Haitjema als de zwakke plek van Dordt ziet, wordt dan ten deele haar kracht. Het wordt dan in een gansch ander licht gezien en geheel anders gewaardeerd. Juist daardoor is de Dordtsche Synode bewaard voor al te scholastieke spitsvondigheden en is verhinderd geworden, dat het twistgesprek met de Remonstranten over een theologisch geschil ontaardde in een wijsgeerig dispuut, waartoe de Remonstranten het altijd trachten te brengen.
Vanuit dit standpunt gezien is dus volkomen te verklaren, dat de menschen van den Gereformeerden Bond de Confessioneele prediking eenigermate onder den ban van het intellectualisme zien en dat we bij de theologie van Barth— Haitjema voor zulk een breeden wijsgeerigen inslag vreezen, dat misschien de belangstelling der theologen wel een tijdlang gewekt kan worden, maar het geloofsleven in de Gemeente daardoor niet zal gebouwd worden en de practische vrucht zeer gering zal blijken te zijn.
1) Zooals gelukzalig een volheid van geluk aanduidt en rampzalig een overmaat van ellende, zoo beteekent godzalig dus niet anders dan vol zijn van God. Tegenwoordig is het gebruik van het woord zalig in dezen zin verloren gegaan, uitgezonderd hier en daar in het dialect. Zalig nemen wij nu immer als afkorting van gelukzalig.
2) Zie Onder Eigen Vaandel. 1930. pag. 266. Wie de dingen nuchter overdenkt, kan onder wedergeboorte nooit Iets anders verstaan dan een vernieuwing van den mensch. Dat deze wedergeboorte inhoud is van Gods belofte, geeft nog niet het recht om van objectieve wedergeboorte te spreken. Aan deze spreekwijze ligt de bedoeling ten grondslag om niet alleen te erkennen dat alle genade in Christus gegrond is en ons uit Hem gewordt, maar om bovendien die genade zoo in Christus te gronden, dat zij toch feitelijk buiten ons blijft, zoodat de mensch eigenlijk niet wedergeboren wordt, maar de wedergeboorte hierin bestaat, dat hij gelooft, dat hem in Christus de wedergeboorte gegeven is.
3) Prof. Haitjema. De richtingen in de Ned. Hervormde Kerk, pag. 201.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's