STAAT EN MAATSCHAPPIJ
BEZUINIGING OP HET LAGER ONDERWIJS.
Op de ontwerp-rijksbegrooting over 1935 — zoo merkten wij de vorige week in het slot van ons artikel „De Onderwijsuitgaven" op — wordt voor het lager onderwijs een bedrag geraamd van 95.5 millioen gulden. Dit abnormaal hooge bedrag voor dezen tijd geeft intusschen nog niet weer het totaal der kosten, die uit de overheidskassen voor het lager onderwijs worden uitgegeven. Naast de geraamde 95.5 millioen, die uit 's Rijks kas moeten komen, staat nog het bedrag van 48 millioen, dat door de gemeenten moet worden bijgepast.
In totaal kost dus het lager onderwijs de kapitale som van 143.5 millloen gulden, een bedrag, dat op den duur met het oog op den toestand van 's lands financiën voor de opvoeding der jeugd niet meer beschikbaar kan worden gesteld.
Een flinke beperking der onderwijsuitgaven is daarom onafwijsbaar.
Het opmerkelijke ten opzichte der onderwijsuitgaven is daarbij, dat de kosten van het openbaar onderwijs evenredig veel hooger zijn dan die van het bijzonder onderwijs.
Van de 143.5 millioen komen voor rekening van het eerstgenoemde onderwijs ruim 62.7 millioen en voor het laatst genoemde onderwijs 80.4 millioen. Berekent men nu de kosten van het lager onderwijs per leerling van de beide scholen, dan leeren de gegevens, die het Centraal Bureau voor de Statistiek verstrekt, dat een leerling der openbare school aan de overheidskassen ƒ 132.—. en een leerling van de bijzondere school aan die kassen slechts ƒ 104.— kost.
Dit verschil in kosten per leerling van de openbare-en bijzondere school spreekt nog duidelijker, wanneer vergeleken wordt, wat het Rijk per leerling uitgeeft, zoo voor het openbaar-als voor het bijzonder onderwijs in de vier groote steden des lands.
Per leerling waren de kosten voor de openbare school in 1931 : in Amsterdam 77.13 ; in Rotterdam 60.70 ; in 's-Gravenhage 101.62 en in Utrecht 54.87 gulden. Voor de bijzondere school krijgt men de volgende cijfers in Amsterdam 59.18; in Rotterdam 46.04, in 's-Gravenhage 87.78 en in Utrecht 45.13.
Dit verschil van kosten demonstreert zich over heel de lijn.
Wanneer men b.v. het bewaarschoolonderwijs in de drie groote steden neemt, dan wordt ten behoeve van dit onderwijs voor het openbaar bewaarschoolonderwijs per leerling uitgegeven in Amsterdam 144.99 ; in Rotterdam 129.19 en in 's-Gravenhage 165.83 gulden, terwijl het bijzonder bewaarschoolonderwijs aan subsidie per leerling ontvangt in Amsterdam 95.66 ; in Rotterdam 72.09 en in 's-Gravenhage 81.62 gulden. Uit deze cijfers blijkt, dat het niet anders dan een fabeltje is, wanneer beweerd wordt, dat de bijzondere school het onderwijs duur maakt.
Er zou toch reeds een bezuiniging van rond 13 millioen gulden kunnen verkregen worden, wanneer het openbaar onderwijs niet duurder was dan het bijzonder.
In deze richting : gelijke kosten per leerling van de openbare en van de bijzondere school ligt naar onze meening de eerste stap, die de regeering te doen heeft om tot ingrijpende besparing op de onderwijsuitgaven te geraken.
Voor de gemeenten zou eveneens een belangrijke bezuiniging kunnen verkregen worden, wanneer het instituut der boventallige onderwijzers werd afgeschaft. Voor dit doel wordt toch jaarlijks niet minder dan 11.4 millioen gulden uitgegeven.
Alvorens dus offers gebracht behoeven te worden kan zonder veel moeite het eindcijfer der onderwijsbegrooting met rond 13 millioen en het totaalcijfer van de begrootingen der gemeenten met circa 11.5 millioen gulden naar beneden worden gebracht.
Echter, zooals vanzelf spreekt, zal met deze bezuinigingen alleen geen genoegen kunnen worden genomen. Zij zullen niet voldoende zijn om het gat in de overheidsbegrootingen te stoppen.
De besparingen zullen veel verder moeten gaan.
Er zal o.m. ook op concentratie van scholen moeten worden aangestuurd. De schoolruimte zal zoo economisch mogelijk moeten worden benut.
Dat dit terrein vol met moeilijkheden ligt, zal bezwaarlijk kunnen worden ontkend. Voor de openbare school staat de zaak echter gemakkelijker dan voor de bijzondere. Bij eerstgenoemde school behoeft toch niet gerekend te worden met beginselbezwaren ; wanneer de ruimte het toelaat is men met concentratie spoedig gereed. Maar zoo staat het niet met het bijzonder onderwijs. De ouders moeten de vrijheid blijven behouden om die school voor hunne kinderen te kiezen, welke in overeenstemming is met de beginselen, die zij belijden.
Als van zelf sprekend, kan de Regeering beginnen ten einde tot ingrijpende bezuinigingen te geraken met de openbare scholen, daar waar dit mogelijk is, te concentreeren. Zij ruime alle kleine openbare schooltjes op.
Daarna zal overwogen moeten worden, hoe met behoud van de beginselen, neergelegd in de Lager-Onderwijswet 1920, stappen kunnen worden gedaan om de bijzondere scholen samen te voegen.
Dat dit niet een onmogelijke zaak is, geven wij onmiddellijk toe.
Ben uitweg zou gevonden kunnen worden om binnen een rayon van eenige kilometers de concentratie te bewerkstelligen. Scholen van een zelfde richting binnen b.v. 5 K.M. zouden bijeengevoegd kunnen worden. De vrijheid van het onderwijs bleef dan gehandhaafd.
Hoe dit intusschen zij, tegen concentratie van de openbare school kan niet worden aangevoerd, dat dit een bevoorrechting zou zijn van de bijzondere school. Deze school heeft toch reeds een zwaar offer gebracht door de stopzetting van den scholenbouw. Immers — zoo werd dezer dagen in dit verband in D e Standaard opgemerkt — ging de openbare school achteruit en was er groei bij het bijzonder onderwijs.
Als de Regeering wil, kan zij op het lager onderwijs nog heel wat bezuinigen. Dat zij daartoe zal moeten overgaan, staat onomstootelijk vast. Zij handele echter onverwijld.
GERINGE BELANGSTELLING.
Achteraf blijkt nu wel, dat de actie voor verruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag niet veel meer is geweest dan een liberaal relletje, waaraan tenslotte de geheele vrijzinnigheid en ook de Sociaal-Democraten en de R.-Katholieken meededen.
Het had toch mogen verwacht worden, nu de zaak der verruiming in handen der Gemeenteraden was gelegd geworden en deze de verklaring hadden af te leggen, dat de tegenwoordige buitengewone omstandigheden aanleiding geven om tot verrruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag voor sommige in de Winkelsluitingswet genoemde bedrijven over te gaan, de houders dezer bedrijven zouden hebben storm geloopen om de Raden te overtuigen, dat inderdaad de verruiming der verkoopgelegenheid op Zondag noodig was.
Echter het tegenovergestelde viel te constateeren. Van het totaal aantal belanghebbende winkeliers deed slechts een gering percentage van zijn belangstelling in de verruiming der Zondagsverkoopgelegenheid blijken.
En dit geringe percentage zal nu de richting aangeven, waarin voor den vervolge de verkoop op 'Zondag zal geregeld worden.
Ons Antirevolutionaire Kamerlid, tevens ook lid van den Gemeenteraad te 's-Gravenhage, de heer Duymaer van Twist, deed daarom goed met het stellen van enkele schriftelijke vragen aan den Minister van Economische Zaken de aandacht op dezen gang van zaken te vestigen.
De vragen luidden :
1. Heeft de Minister kennis genomen van de geringe belangstelling, die bij de betrokken winkeliers is gebleken ten opzichte van de vraag, of de tegenwoordige buitengewone omstandigheden ook aanleiding geven om tot verruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag over te gaan ?
2. Heeft de Minister voorts kennis genomen van het oordeel van den Gemeenteraad van 's-Gravenhage, dat de tegenwoordige buitengewone omstandigheden aanleiding geven het bepaalde in artikel 4 van de Wet van 27 Juli 1934, Staatsblad no. 450, toepassing te doen vinden ten behoeve van winkels, waar uitsluitend of in hoofdzaak een of meer der navolgende waren: brood, banket, suikerwerk, chocolade, al dan niet te zamen met consumptie-ijs, ten verkoop in voorraad zijn, doch uitsluitend voor den verkoop van brood, banket, suikerwerk, chocolade en consumptie-ijs, nadat gebleken was, dat van de circa 800 winkeliers in brood, banket enz., die opgeroepen waren (zie mededeelingen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor 's-Gravenhage van 25 Augustus 1934 aan burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage) om van hun gevoelen te doen blijken, slechts 240 stemmen zich voor de verruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag verklaarden ?
3. Meent de Minister niet, in verband met zijn circulaire van 7 September 1934 aan de Gemeentebesturen, nu het overgroote deel der betrokken winkeliers kennelijk met het bestaande tevreden is, er geen reden aanwezig is, om tot verruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag van brood, banket enz. te 's-Gravenhage over te gaan ?
Minister Steenberghe krijgt met het beantwoorden dezer vragen gelegenheid om zich over de uitvoering van de gewijzigde Winkelsluitingswet, voor wat de verruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag betreft, door de Gemeenteraden, uit te spreken.
Wij wachten met belangstelling zijn woord af.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's