GRETSKE „DE FREULE”
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Weer volgde een korte pauze. Blijkbaar had het laatste gesprek verschillende gewaarwordingen opgewekt. Bij den dokter, die alles uit medisch oogpunt beschouwde en voor wien veel, wat aan den buitenkant zat, weg viel, opnieuw de gedachte of nu werkelijk dit leven voorbereiding was van hetgeen komt en het hier de zaaitijd is, waarop de maaltijd volgt.
Bij mevrouw de overpeinzing of het de eer van het ambt niet te na kwam, dat haar man naar zoo'n buurt ging om zich onder zulke beruchte menschen neer te zetten, te meer waar dit zeker later in de fatsoenlijke kringen een onderwerp van gesprek zou worden. En bij den dominé, dat het niet zoo gemakkelijk is, om getrouw te zijn en heel den akker van den grooten wijngaard die werd aangewezen, , zóó te bewerken, als dat noodig is.
„Krijgen wij als slot nog niet een muzieknummertje ? " — vroeg dokter, mede om de stemming er weer in te brengen.
Niemand was daar tegen, en juist waren de eerste tonen op 't klavier aangeslagen, toen de bel ging. Even later kwam de meid aankloppen om te vertellen, dat er iemand was om den dokter te spreken. Oogenblikkelijk stond deze op, om te weten wie hem noodig had. Toen hij spoedig daarop weer binnenkwam, stond de bezorgdheid op zijn gelaat te lezen. „Neem mij niet kwalijk dat ik aanstonds opbreek; ik moet nog naar die jonge moeder waarover ik straks sprak, "
„Dus nog een uur naar buiten ? " — vroeg mevrouw met iets medelijdends in hare stem.
„Ja; als ik maar niet te laat kom."
Hierop volgde een vluchtig afscheid. Een minuut later was hij buiten, en nog even, of daar hoorde men door de stilte van het nachtelijk uur het tuffen van den motor.
„Wat heeft een dokter ook al een ongestadig leven, " — zei mevrouw onder het opruimen van de theetafel; „zoo'n man is nu bepaald ook nooit vrij of hij moet er met geweld uitbreken."
„En dan nog die verantwoordelijkheid, " — vervolgde de predikant met een zucht. En bij het uitspreken hiervan, dacht hij blijkbaar niet enkel aan den man, dien hij zoo juist had uitgelaten en thans daar buiten over den weg voortvloog, om als het mogelijk was, een bedreigd menschenleven van den dood te redden, maar óók aan zichzelf. Had hij, die vandaag zooveel gesproken had en naar wien zoovelen geluisterd hadden, niet een les gekregen, die hij anders heel goed kende, maar die zoo gemakkelijk vergeten werd ?
En nog eens herhaalde hij in stilte, maar nu met het oog op zichzelf : „die verantwoordelijkheid."
HOOFDSTUK XI.
Om het verlorene.
Dien nacht kwam van slapen niet veel. 't Had al lang gebroeid in de lucht, maar telkens trok het dreigend onweer weer af, zoodat de hitte met den dag toenam en de rijpe oogst zonder stoornis van de velden kon worden binnengebracht. Toen evenwel de dokter tegen middernacht van zijn doodkranke patiënt, maar bij welke hij toch nog eenige hoop op beterschap had, huiswaarts keerde, flitste in het Zuiden telkens een bliksemstraal door de lucht, bij wier glans de opgestapelde donderwolken duidelijk zichtbaar werden.
Het was bijzonder drukkend in de natuur. Geen blaadje bewoog zich. Alles lag in diepe rust. Langzaam reed hij huiswaarts, genietend van de weldadige stilte rondom hem, het hoofd vervuld met allerlei gedachten. Over dat jonge leven, dat daar aan den oever des doods lag te worstelen en naar menschelijk inzicht zoo noodig diende verlengd, en dat hulp'loos kind daarnaast, nog onbewust van het gevaar, dat de moeder dreigde. Over de vele levensraadselen, die hij zoo voor en na op zijnen weg en vooral in de practijk ontmoet had. Maar vooral ook over het gesprek, dat vanavond in de pastorie gevoerd was. Een aardige familie was het daar, in wier midden hij wel gaarne mocht vertoeven, alleen was de domine hem soms streng genoeg. Zooals vanavond, toen hij het over de bedorvenheid des menschen had. Zou het waarlijk zóó erg wezen, dat er niet één goed is, wezenlijk góéd, en dat allen zondaars zijn, zooals de dominé dat uitdrukte ? En was dat dan zóó verschrikkelijk, tenminste wanneer de mensch van goeden wille was, zooals er toch óók nog wel gevonden werden ? Zou werkelijk hiernamaals aan elk gegeven worden wat hij verdiend had, zonder dat er ooit een einde kwam ? En zou het Kruis van Jezus van Nazareth, zooals dat volgens de historie voor eeuwen ergens in de nabijheid van Jeruzalem gestaan moet hebben, werkelijk het eenige middel zijn waardoor de menschen met God verzoend kunnen worden en het dreigend oordeel ontkomen ? Zoo zei de Bijbel het, en zoo geloofde de dominé het, en zeer velen met hem, en in dat geloof vonden zij vrede en rust.
Hij toegreep het niet. 't Was hem alles zoo vreemd en 't ging geheel in tegen zijn eigen opvatting, volgens welke een mensch zich door inspanning en nauwgezette plichtsbetrachting moet opwerken, om zoo door eigen braafheid en deugd voor hoogere levensbestemming vatbaar te worden. Was het niet erg gemakkelijk, alles op het gelóóf te laten aankomen, en dan te vertrouwen dat een ander het voor den schuldige in orde gemaakt had ? De dominé zei van niet, maar hij dacht dat 'n mensch, die door zichzelf God zocht te behagen, het vrij wat zwaarder had dan iemand, die zeide te gelooven in de verzoening door het Kruis.
En dan nog die offerande. Dat God eerst bloed moest zien, vóór Hij met den mensch in harmonie leven kon. Een echt Joodsche en heidensche gedachte, waarvoor in dezen verlichten tijd met zijn nieuwe denkbeelden geen plaats meer was. Althans niet bij menschen die, zooals hij, hun verstand laten werken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's