De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

11 minuten leestijd

Genesis 6 : 12. Toen zag God de aarde, en iiet, zij was verdorven ; want al het vleesch had zijnen weg verdorven op de aarde.

3e Serie.
XXIII.
De Heere is lankmoedig en groot van goedertierenheid. Zoo openbaart Hij zich in Zijn Woord niet alleen, maar ook in de geschiedenis der menschheid in haar geheel, in die der volken, in die van elk menschenleven. Hij gaat langs wegen van geleidelijkheid, zoodat hetgeen heden is, langzaam werd uit hetgeen gister was. En a\s er dan ook schijnt plotseling iets geweldigs te gebeuren, dan heeft dit toch in de werkelijkheid eene geschiedenis, waarin het plotseling intredend feit geworteld was. Zoo is er dus een wordingsduur, die aan de verschijning voorafgaat. En in deze periode blijkt nu bij zonderlijk de groote goedertierenheid des Heeren, want daarin komt Hij met Zijne vermaning, met Zijne waarschuwing, opdat er nog een inkeer zal geboren worden, die hetgeen noodwendig in den levensgang van het verleden. opgesloten ligt, zal afwenden doordat andere Gode welgevallige levensbeginselen weder tot invloed worden gebracht. Zoo openbaart Hij Zijne goedertierenheid. Hij snijdt nimmer plotseling af. Doch als Hij afsnijdt, dan is ook juist vanwege die goedertierenheid de mensch niet te verontschuldigen. En het is dan ook van het grootste belang, dat Gods volk in deze dagen de geschiedenis leere zien in dat licht der goedertierenheid Gods, die immers altijd de strekking heeft ons tot bekeering te leiden. Onze dagen, onze gevaren, onze crisis-ellenden hebben wij alzoo te beschouwen. Zij zijn er, zij grijnzen ons aan, zij benauwen ons, omdat zij opgekomen zijn uit de geestelijk zoo donkere tijden achter ons. Zij zijn opgedoemd uit de wolk onzer zonde in het verleden, en zij laten de druppels vallen, die de stortbuien aankondigen. Daarom is het noodig acht te geven op de teekenen der tijden, ons te wenden tot den Heere om Zijn licht, om Zijne wijsheid, om Zijne reddende daden. Wij moeten er Zijne goedertierenheid in zien, dat wij nog niet vernield zijn, dat ons het heden der genade nog verlengd werd, dat het nog de welaangename tijd is Hem te zoeken en te vinden. Is het niet merkwaardig, dat als Jona's toom ontsteekt, omdat de dingen anders gaan dan hij had gedacht, dat zij moesten gaan. God hem de vraag stelt, of zijn toorn billijk is ontstoken. En als Jona meent, dat hij het recht aan zijne zijde heeft, wijst de Heere hem op Zijne groote goedertierenheid', opdat Zijn ontevreden knecht zal zwijgen. Wij hebben oogen noodig om te zien en een hart om op te merken ook in deze ontroerende tijden, om toch ook ons leven, het leven van ons volk, in dat licht te mogen aanschouwen en Zijne goedertierenheid opmerkende, tot Hem weder te keeren, te vragen naar Zijne wegen, naar Zijn Woord en Waarheid.
Ook in de geschiedenis der oude wereld is dit op te merken. De Heere heeft reeds in die oudste gemeente een Geesteslicht doen opgaan om haar dit te laten zien. Zij heeft een geheel eigen blik gehad op de geschiedenis van haar eigen tijd, terwijl de wereld, waarin zij verkeerde en leefde, er blind voor bleef. Het wordt ons in het tekstverhaal zoo schoon geteekend. Eerst heeft de Heilige Geest ons laten zien, hoe die wereld wezenlijk voor Gods aangezicht was, hoe brutaal hare zonde, hoe gruwelijk de uitgieting harer ongerechtigheid was, ook al , had zij er zelve geen besef van. De werkelijke zondestaat wordt ons geteekend van een in revolutie levende wereld. De aarde was verdorven voor Gods aangezicht en met wrevel vervuld. Zoo was zij voor God. En nu wordt er hier aan toegevoegd : „Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven." Eerst dus was deze oude wereld voor Zijn aangezicht, zonder dat die wereld zichzelve kende, zonder dat zij God kende en van Hem ook maar iets bemerkte. Het was voor haar besef als was de Heere er niet. Zij was precies als die menschen, die Petrus spotters noemt, die naar eigen begeerlijkheden wandelen, en als zij gewezen worden op Gods recht, dan zeggen zij : Wat ? een recht Gods ? Waar is dan de belofte Zijner toekomst ? Van dien dag af, dat de vaaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzoo gelijk van het begin der schepping. Zoo leefde f> de oude wereld en antwoordde zij op Noach's profetisch woord. Het scheen alsof de Heere niet was, niets deed. Zich nergens mede bemoeide, hoewel Gods volk haar zag liggen voor Zijn aangezicht. Maar nu kwam er een oogenblik, waarvan de oude Kerk des Heeren zegt: „Toen zag God, de aarde.In dat „zien" Gods wordt ons gezegd, dat Hij Zijne opmerkzaamheid er op richtte, dat Hij het oogenblik gekomen achtte om er nota van te nemen, dat Hij zou opwaken en overgaan tot handelen. Dus daarin wordt ons eigenlijk voorgehouden, dat er aan de goedertierenheid des Heeren een einde was gekomen. God wordt ons hier voorgesteld, alsof Hij nog ten laatste die oude wereld in oogenschouw neemt. Zooals de landman de akkers opneemt, alvorens het oogsten begint, zoo neemt God de oude wereld op, voordat Zijn oordeel aanvangt. Hij wordt ons geteekend als nog even overwegend, hoe Hij zal doen, of de ure daar is, omdat de tijd rijp werd. Zoo zag God de aarde, ook al was zij voor Zijn aangezicht, ook al doorgrondde Hij heel dat leven der wereld, ook al was er voor Hem niets verborgen en peilde Hij de diepte harer ongerechtigheid en zag Hij in den afgrond harer verlorenheid. Juist omdat dit alles Hem niet verborgen was, daarom kan er nu van Hem geschreven staan, dat „God de aarde zag. Het oogenblik was daar, waarop de bestaansgrond onder die oude wereld als weggevallen was en dus haar bestaansmogelijkheid had opgehouden.
Daarin nu juist ligt de diepzinnige onderwijzing van Gods Woord aangaande de levensgronden der volken. Het laat ons zien, dat de cultuur, door de verwording, waaraan zij ten prooi valt, zichzelve zoó diep kan ondermijnen, dat haar bestaan onmogelijk wordt. En dat oogenblik is er dan, als haar godsdienstig-zedelijk leven wegzonk. Daarop wees de Heere reeds Zijne oudste gemeente door haar te toonen, hoe de wereld, waarin zij leefde, tot de laatste consequenties harer zonde voortgeschreden was. En met dié laatste consequentie is dan ook de ondergang ingetreden. En zoo moeten wij nu letten op de teekenen onzer tijden. Ook onze moderne cultuur is als die der oude wereld vermaterialiseerd. Er is nog een overblijfsel, dat naar de verkiezing is, er is nog een ware Kerk Gods, waarvan misschien niet gezegd kan worden: „ziet, hier is zij of daar is zij", maar zij is er als het levende uitverkoren volk, waarvan geschreven is : „de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. En die den Naam van Christus noemt, sta af van de ongerechtigheid." Doch als de oude Kerk in deze oude wereld, is ook in onze wereld de invloed dier uitverkoren Kerk nauwelijks meer te speuren. De moderne wereld vraagt niet meer naar de ordinantiën Gods wil. van Zijn Woord en Waarheid niet weten. Nu is zij prijsgegeven aan haar eigen gemaakte levens-en wereldbeschouwing, aan de consequenties harer materialistische levensidealen. Zij leeft bij haar kunstlicht. Zij leeft, zooals ik het eens zag in Londen, toen een gids mij bracht in een dier vreeselijke gedeelten dezer wereldstad, waarin de misdaad hare triumphen viert. „Merkt gij wel op", zoo zeide mijn gids, „dat hier thans geen enkele man is te zien, want, " zoo voegde hij er aan toe, „die slapen thans. Doch als gij hier van avond komt, als het licht op is en alles zich hier baadt in den glans dezer groote lantaarnen, dan zijn er de mannen, die op de misdaad uit zijn." Zoo is de moderne wereld onder den stralengloed van het eigen door haar ontstoken kunstlicht. Zij leeft haar leven, naar hare idealen. Haar god is de buik, hare heerlijkheid in hare schande, zij tiert in de duisternis harer godvergetenheid, doet al wat haar behaagt, leidt een leven, sociaal en economisch en politiek naar hare grondstellingen, schrijdt van consequentie tot consequentie voort, totdat de onmogelijkheid blijkt en het duidelijk wordt, dat haar de bestaansvoorwaarden ontbreken en daarmede haar val is ingeluid. Zoo gaan de culturen in de geschiedenis onder door de godsdienstig zedelijke verwording, waaraan zij ten prooi is. Het leven der volkeren verstikt alsdan in hun eigen zonde. En dan zegt God van zulk een cultureel bestaan, wat Hij zeide van de oude wereld : „Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven." „Hij zag en ziet, " zoo luidt de tekst, om onze opmerkzaamheid te vestigen op wat de werkelijkheid te aanschouwen gaf. God vond eene verdorven aarde, eene ontaarde wereld. Dus de wereld had haar doel gemist, was niet meer naar Gods Raad, geleek niet meer op wat zij moest zijn en daarom was er van deze wereld niets meer te wachten. Hare vooruitzichten waren afgesneden. Zij was dus in volstrekten zin de degeneratie van hetgeen zij moest wezen. En nu is daarmede ook haar einde gewis. De Heere nam de oude wereld als met Zijne oogen op en Hij constateerde de hopeloosheid van haren staat. Zij bood geenerlei verwachting, zij was als de vijgeboom, tot welken de Heere Jezus ging, omdat Hem hongerde, en toen Hij niets aan dezen vond dan alleenlijk bladeren, zeide Hij tot hem : „Uit u worde geene vrucht meer in der eeuwigheid ! En de vijgeboom verdorde terstond. Alzoo was de toestand, waarin de oude wereld verkeerde. Geene vrucht was uit haar meer te verwachten. Daarom, het was eene afgesneden zaak, die de Heere niet meer doen zou.
En om ons nu de gegrondheid van Gods oordeel aan te wijzen, wordt ons nu nogmaals de volstrekte verzondigdheid omschreven in deze woorden : „want al het vleesch had zijnen weg verdorven op de aarde." Al het vleesch, de menschheid en met die menschheid zelfs de dieren des velds, zij waren allen saam in een toestand van ontaarding gebracht. De menschelijke zonde en het oordeel, dat over haar komt, strekt zich uit over de lagere schepselen, tot welker hoofd de Heere den mensch heeft geschapen. De diepe val des menschen bracht ook de lagere schepping tot den ondergang. De Schrift laat ons namelijk steeds zien, dat er een creatuurlijke solidariteit bestaat, waardoor mensch en dier niet los naast elkander, maar in betrekkelijke eenheid met elkander staan. De dieren lijden mede onder de zonde der menschen, gaan mede gebukt onder het oordeel, dat deze zonde met zich brengt. En zoo verschijnt hier alle vleesch als dat zijn weg verdorven had op de aarde. Die ontaarding, die zich dus van de menschen uitstrekt over de beesten, wordt dus niet als een louter natuurproces, maar als een daad van moedwil, als eene onzedelijke daad, hier gekenmerkt. Het was de moedwil der zonde, die de menschheid en met die menschheid alle vleesch gebracht had tot den ondergang, die nu aanstaande was. Zelve had de menschheid haren weg verdorven, was zij ontwikkelingsbanen ingeschreden, die tot een levensgang werden, die als het tegenbeeld waren van hetgeen van den mensch, als Gods beelddrager, mocht worden verwacht. En daarom, het recht Gods zou over haar komen in het oordeel, dat de Heere over de aarde had besloten.
Zoo stonden dus het geweldig natuurgeschieden en het zedelijk ontwikkelingsproces, dat de oude wereld doorloopen had, niet los naast elkander. Gods oude Kerk zag de ontbinding van de krachten, die den zondvloed bracht over de aarde als een werk, waarin tevens Gods recht openbaar werd over de verdorvenheid van ons geslacht. Voor het natuurlijk oog was daarvan niets te speuren. Het natuurlijk oog kon slechts onderkennen de groote geologische en climatologische veranderingen, die de aarde zou moeten ondergaan, opdat zij aan eene menschheid woonplaats en levensgebied schenken zou, zooals deze onmiddellijk na de schepping reeds was geopenbaard. Geroepen immers was de mensch om heerschappij te voeren over de aarde en haar te vervullen. En die belofte kon niet vervuld worden, indien niet de levensvoorwaarden voor de menschheid op de aarde geheel werden gewijzigd. Daarom, die geologische omkeeringen moesten komen, doch zooals gansch deze aarde in het licht der toekomende eeuw, van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, verschijnt en deze toekomst is gegrond in de komst van Gods Koninkrijk, zoo Is ook die voorgeschiedenis, die de aarde doorloopt om haar einddoel te verwerkelijken, saamgeweven met den geestelijken, met den godsdienstig-zedelijken toestand der menschheid, over welke de Heere Jezus komt ten oordeel. In dat licht nu staat ook de oude wereld en In dat licht heeft Gods oude Kerk haar ondergang gewaardeerd als de voltrekking van de rechtsdaad Gods over een menschheid, die geroepen tot het hoogste, tot het laagste is verzonken door den moedwil, waarmede zij de zonde heeft gediend. Maar ook onder dat oordeel gedacht Hij des ontfermens, want Hij gedacht aan Zijn uitverkoren geslacht en Hij redde het om de eere Zijns Naams.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's