De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

VERGEVING EN STRAF.

8 minuten leestijd

Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hunne daden. Psalm 99 vers 8b.

Wanneer in het eerste gedeelte van ons vers gezegd wordt: O Heere, onze God ! Gij hebt ze verhoord, dan worden met degenen wier gebeden God verhoorde, in de eerste plaats bedoeld de personen, in vers 6 genoemd, namelijk Mozes en Aaron en Samuel, bekende bidders van den ouden dag, die met hun gebeden voorbidders geweest zijn voor hun volk. Op hun voorbede had de Heere Zich een vergevend God betoond, wat niet weg nam dat de Heere wraak gedaan had over de wandaden des volks. Maar datgene wat hier met name gezegd wordt van de zonden des volks, die vergeven werden ondanks Gods strafgericht, geldt ook van den geloovige persoonlijk. Van dien kant willen we het woord van den psalmist thans bezien.
Op het eerste gezicht is het een opmerkelijke uitspraak, ja, nader bezien lijkt het eerste gedeelte in lijnrechte tegenspraak met het tweede. Vergeving der zonden en wraak over de daden zijn toch twee onvereenigbare dingen, vooral omdat het hier gaat over de vergeving, door God gegeven.
Vergeving dat wil toch zeggen dat God onze zonden niet meer gedenkt, omdat Hij ze werpt in de diepten der zee ? Vergeving dat wil toch zeggen, dat God onze overtredingen van ons doet zoover het West verwijderd is van het Oosten ? Hoe kan dan gezegd worden, dat de Heere een vergevend God is en toch wraak doet over de daden !
In nieuwere vertalingen heeft men wel eens, in afwijking van den Hebreeuwschen tekst, geprobeerd die schijnbare tegenstrijdigheid weg te werken, maar wanneer we de Schrift laten spreken, dan zien we dat deze schijnbare tegenstrijdigheid ons een ernstige waarheid mededeelt, die ons alom in Schrift en ervaring geleerd wordt.
Dat de Heere mild is in het schuldvergeven, zal ieder ondervinden die in oprechtheid voor Gods aangezicht zijn zonden belijdt. Ook nu nog is Gods gunst oneindig groot, wanneer ook gij Hem aanroept in den nood van uw ellende buiten God. Maar de Heere vergeeft u de zonden dan niet, omdat Hij onze zonden door de vingers ziet, dus m.a.w. dat de Heere mild is in het schuldvergeven, ja een gaarne vergevend God, dat wil niet zeggen dat de Heere de zonden klein acht. In geen geval. Dat blijkt reeds daaruit, dat God de zonden alleen vergeeft om Christus' wil. De Heere vergeeft de zonde niet omdat er in den zondaar iets goeds leeft, de Heere vergeeft ze niet omdat de zondaar zoo ernstig bidt om genade ; de Heere kan ze niet anders vergeven, dan om Christus' wil. En dat wil dus zeggen, ons geschiedt alleen vergeving, omdat de straf, die ons den vrede aanbrengt, op Christus gelegd is.
Wanneer iemand weet: „Mijn zonden zijn me vergeven", dan weet hij ook: Christus heeft mijn vervloeking op zich genomen; ook voor mij, groot zondaar die ik toen, heeft Hij het kruis verdragen. Dan zien we, mijn zonde is zoo groot, dat Christus ze moest verzoenen door Zijn dood aan het smadelijke kruis. Is dan de vloek van onze zonde niet onnoemelijk groot ?
Omdat nu de vergeving der zonden altijd vergeving is om Christus' wil, daarom is het ten eenenmale onmogelijk, dat de Heere een vergevend God is, omdat de Heere de zonde gering acht, gelijk een toegevend vader zijn zoon soms wat al te gemakkelijk zijn schuld vergeeft. Vergeving der zonden sluit in, die zonden veroordeelen met het strengste oordeel dat maar mogelijk is. Dat gestrenge en rechtvaardige oordeel van God zal de zondaar van ganscher harte beamen, omdat hij zelf ook leerde zien, hoe groot zijn zonde is. En dat zal men nog steeds meer gaan zien.
Maar wanneer de zonde zoo groot is, dat Gods eigen Zoon er zoo bitter voor geleden heeft, dan kunnen we het toch ook verstaan, dat vergeving der zonde en wraak over de misdaden elkander geenszins uitsluiten. Al is de Heere een vergevend God, de zonden van Zijn kinderen blijven niet ongestraft. Ja hun zonden worden veel en veel strenger gestraft dan de zonden van degenen, die geen lust hebben tot Zijn wegen. Een goddelooze gaat soms van kwaad tot erger en het schijnt alsof hij alles maar straffeloos mag doen. Wanneer ze zelf ook gaan zien, dat de Heere hen ongestraft laat voortgaan, worden ze al brutaler in hun zonde.
Maar degenen die den Heere oprecht vreezen, hebben meestal geen tijd om te denken: „De Allerhoogste weet het niet. Niet alleen de stem van hun geweten zegt het anders, ze ondervinden het ook nog op andere wijzen dat God, die rechtvaardig en heilig is, wrake doet over hun daden.
Dat zien we uit het leven van Israël in de woestijn, we zien het uit het leven van Mozes en Aaron, die, tot straf voor hun ongehoorzaamheid, het beloofde land niet zouden betreden; we zien het al heel duidelijk uit het leven van David.
Hoe vaak maakt de wereld, ook de zoogenaamde godsdienstige wereld, geen misbruik van Davids zonde om eigen verdorvenheid te bemantelen. Hoe vaak wordt niet in gemeenen spot die man maar Gods hart belasterd. Maar als wij eenigszins. beseffen hoe zwaar David gestraft is voor die zonde, dan zouden we den moed niet meer hebben om hem ook maar met één vinger aan te raken. De vele rampen in Davids, gezin zijn, naar het Woord des Heeren bij monde van Nathan, herhaalde strafgerichten geweest over die zonde. En toch had de Heere hem zijn zonde vergeven, volkomen vergeven, want wanneer David belijdt: „Ik heb gezondigd tegen den Heere", dan zegt Nathan onmiddellijk tot hem : „De Heere heeft ook uwe zonde weggenomen, gij zult niet sterven."
Davids zonde werd hem na zijn schuldbelijdenis vergeven, maar de straf, de wraak des Heeren over zijn daden, bleef niet uit, want, zegt Nathan, gij hebt door deze zaak de vijanden des Heeren grootelijks doen lasteren. Daarom is de zonde van David en van alle geloovigen zoo groot, omdat dan door hun toedoen de Naam des Heeren gelasterd wordt, terwijl ze God behooren groot te maken in hun leven. De vijanden zijn er dan ook onmiddellijk bij, wanneer iemand, die den Heere vreest, niet wandelt gelijk betaamt. Vandaar dat de Heere ook wraak zal doen over hunne daden. Vandaar dat Gods kind niet goedkoop zondigt.
Door de straf over hun zonden leeren de geloovigen ook den tijd hunner Inwoning met vreeze te wandelen, de zonde steeds meer te verfoeien en te vlieden en zoo te wandelen tot Gods eer.
Uit Davids leven zien we dus duidelijk de waarheid van bovengenoemde woorden van Ps. 99. David die kon jubelen: „Welzalig is hij, wiens overtredingen vergeven, wiens zonde bedekt is, kon er dus ook van getuigen dat God wrake gedaan had over zijn daden.
Die wraak van God bestond bij Mozes en Aaron daarin, dat het beloofde land hun ontzegd werd, bij David in den dood van zijn kind en vele rampen in zijn gezinsleven, maar dat we niet zeggen dat alle zonden met zulke duidelijk aanwijsbare straffen getuchtigd worden. Voor onze verborgen afdwalingen en heimelijke zonden zullen de straffen ook veel meer verborgen blijven. Maar de straf zal nooit uitblijven, en dan is de allereerste straf wel deze, dat er een inzinking komt in het geloofsleven. Wie een voorzichtig verdrag wil maken met de zonde en de wereld, zal nooit een rijk geloofsleven, leeren kennen. Vraag het uzelf maar eens ernstig af of de inzinking van uw geestelijk leven ook niet een gevolg is van uw afdwalingen. Onderzoek uzelf of de dorheid, de lauwheid van uw geloofsleven, niet te wijten is aan het vasthouden of u weer opnieuw overgeven aan een boezem-of karakterzonde. De Heere is een wreker van het kwaad en daarom kunt ge niet ongestraft vasthouden aan de zonde. Nabij den Heere te leven, dat wil zeggen, .strijden tegen alles wat ons van God afdrijft en Zijn gemeenschap verstoort.
Omdat de Heere wrake doet over onze daden, daarom kan het gebeuren dat iemand, die den Heere zoekt, schijnbaar tevergeefs kan zoeken. Dat iemand zijn zonde belijdt en al maar bidt om genade, en het schijnt dat zijn gebeden ledig tot hem wederkeeren. Dan verbergt de Heere Zijn aangezicht om ons. te leeren, des te meer onze zonden te haten en te vlieden.
Omdat de Heere wrake doet over onze daden, juist, omdat Hy ze vergeeft om Christus' wil, komen er in het leven van den geloovige meermalen de tijden voor dat de Heere Zijn aangezicht verbergt. Het licht van Gods aangezicht Is hun het leven, maar wanneer de Heere Zijn aangezicht verbergt, komt verschrikking en donkerheid over hen. Veel donkerheid kennen is heusch geen kenmerk dat we zoo ver gevorderd zijn, maar juist een bewijs daarvan, dat we nog zoo ver van huis af zijn, dat er nog zooveel wilde takken weggesnoeid moeten worden. In de dagen van dorheid moeten we daarom des te dieper in het stof bukken, om den Heere te belijden :
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, Dat onbedacht zijn herder heeft verloren.
Wanneer we zoo onze tijden van dorheid, tijden waarin de Heere Zijn aangezicht verbergt, leeren belijden als onze schuld, als gevolg van onze daden, dan zal het wederom blijken, dat de Heere een vergevend God is. Want evenmin als Gods vergeving Zijn wraak uitsluit, evenmin sluit dat God wraak doet over onze daden uit, dat de Heere een vergevend God is. Zelfs in Zijn toom gedenkt Hij aan ontferming, Hij loutert het geloof, maar werpt met het vele schuim het goud niet weg. Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Br.

B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's