VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 13. Daarom zeide God tot Noach : Het einde van alle vleesch is voor mijn aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie. Ik zal hen met de aarde verderven.
3e Serie.
XXIV.
Er gaat een recht Gods door en over de wereld. Het schijnt soms alsof dit niet zoo is, als is er geen onderscheid tusschen den goddelooze en den man, die den Heere vreest en in den weg Zijner geboden wandelt. Van oude tijden af heeft de gemeente des Heeren voor dit vraagstuk gestaan en de vromen hebben er mede geworsteld, omdat het hun zoo dikwijls als een mysterie scheen. Zij hebben wel met Asaph gezegd : „Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? " Het leven laat het ons zien, dat de goddeloozen voorspoed hebben, terwijl Gods kinderen zich krommen onder de zorgen en moeiten. Ja, zij komen soms tot bangen twijfel, want, zoo zeide ook Asaph, „het is vergeefs God te vreezen." Hij' werd als verslagen onder zijne levenssmarten, hoewel hij toch wist, dat hij in zijne ziel ware en oprechte vreeze Gods kende. En onder dat alles zag hij de kinderen der wereld vreugdevol voortgaan, .terwijl al wat zij ondernamen, hun scheen te gelukken.
Zoo was het nu ook met die oude wereld. Zij had een wonder rijk cultuurleven voortgebracht, ging op in de weelde en de genoegens des levens, baadde zich in de weelde, was zonder God en Zijn dienst, kende slechts op hare wijze de leuze der latere Epicureën : „laat ons eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij." Zij volgde het goeddunken haars harten, gaf zich over aan de gruwelen harer afgodische eerediensten en stoorde zich aan niets. Het Woord des Heeren verachtte zij, de profetische waarschuwingen, die tot haar uitgingen, bespotte zij, en op de sprake, die van Gods Kerk uitging, merkte zij niet. Het volk Gods was in hare oogen minder dan niets. Zoo zette zij haar leven voort, en Gods kinderen zagen het aan met ontzetting en vreeze. Zij vroegen : hoe lang zal de Heere dit alles dragen ? En toch scheen er geene verandering te komen, en werd de wereld in het gelijk gesteld en kon zij straffeloos voortgaan op den weg des verderfs.
Doch ook nu bleek, dat zooals der zee palen gesteld zijn, die zij niet kan overschrijden, er ook grenzen zijn aan de wateren der menschelijke zonde. En als die grens bereikt is, dan is er ook het einde aan de goedertierenheid Gods en de grens Zijner lankmoedigheid bereikt. Daarover n.u gaf de Heere licht aan Noach. De Schrift omschrijft ons die openbarende daad in deze woorden : „Daarom zeide God tot Noach." Omdat de maat der zonde hare volheid bereikt had omdat alle vleesch zijn weg verdorven had, de doeleinden, die de Heere Zich gesteld had met den mensch, niet meer konden worden verwerkelijkt vanwege den verzondigden staat des menschen, daarom was nu de ure des oordeels daar en God openbaarde het aan Noach, door te spreken tot hem. Over de wijze, waarop deze openbaring tot Noach kwam, wordt ons slechts meegedeeld, dat God „zeide tot Noach." Of dit met luider stemme geschiedde, is eigenlijk bijkomstig. Gods zeggen is in de Schrift meestal de omschrijving van Zijne openbarende daad. Hij deed het Noach verstaan. En in Noach's ziel is die sprake opgevangen, zoodat hij niet twijfelde of het was Gods woord, dat tot hem kwam. Het licht des Heiligen Geestes ging hem op over den toestand van de wereld zijner dagen en de overtuiging werd in hem geboren, dat de menschheid op den weg harer zonde was voortgeschreden tot de uiterste consequentie en daarmede tot het einde van hare bestaansvoorwaarden.
Zoo toch is het in het leven der volken. De ontaarding woekert langzaam maar zeker voort. Zij ondermijnt de zedelijke grondslagen, zonder welke de volken niet kunnen bestaan en eindelijk komt de ondergang. Denk slechts aan wat wü hebben zien geschieden in de Russische maatschappij lang voor den oorlog, hoe verrot zij was tot in haar diepste wezen, vermolmd in haar kern. De adel was prijsgegeven aan grenzenlooze weeldezucht, ontzedelijkt, verworden en het volk was overgeleverd aan slavernij en ellende. De kerk was verworden in haar Caesaro-papistisch bestuur. Ongeloof en bijgeloof vierden hun triumphen, onder een gedegenereerde priesterschap. En toen de oorlog kwam en de laatste resten der volkskracht verteerd had, toen kwam van over den Oceaan het bazuingeschal der revolutie uitgeblazen over de volken, die het onderspit moesten delven, door een man als Wilson, president der Vereenigde Staten. Tot de volken, onder de ellende en de gruwelen van den oorlog verbrijzeld, ging zijne roepstem uit om hunne regeerende vorstenhuizen te verdrijven en hij spiegelde dezen de redding voor, als zij die revolutie maar voltrokken. Is het wonder dat de ellendige massa dezen sirenenzang geloofde en is het wonder, dat zij op de bitterste wijze werden teleurgesteld ! Ook de groote democratische dollar-republiek is zelve niet minder rot in haar innerlijk wezen. Rusland's eeuwenoude cultuur ging onder, plotseling, in een korte spanne tyds. Rusland was rijp voor deze catastrophe. En zooals het daar gegaan is, zoo ging en gaat het elders. De volken worden allengskens rijp voor de catastrophe, die komt. Misschien in een nieuwen oorlog, onder een nieuwen stoot. Doch het oogenblik komt van een anderen zondvloed, die den Noachitischen nog verre overtreft in vreeselijk gevolg. Immers, de oude wereld werd overweldigd door de wateren en zij kwam om en ging onder in Gods recht. Maar deze catastrophe verzwelgt niet de menschheid door een vloed, maar verdelgt door de wonderkrachten der techniek en laat haar leven voortkwijnen in steeds dieper ellende, onder steeds gruwelijker zondemacht. Zij gaat de openbaring tegemoet van „den ongerechtige", denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds. De apostel spreekt van eene „toekomst naar de werking der satans", van den geest der „dwaling", dat zij de leugen zullen gelooven", maar ook van het oordeel, dat komt over hen, „die de waarheid niet geloofd hebben, maar welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid." Zoo spreekt des Heeren Woord over deze onze cultuur en zoo sprak Hij tot Noach van den komenden vloed, zoodat de Godsman het einde zag komen. „Het einde van alle vleesch", zoo zeide de Heere, „is voor mijn aangezicht gekomen." Dat was dus de volle waarheid, want zooals de Heere deze wereld ziet, zoo is zij. Dat was het wezen harer ellende, waarvoor de wereld zelve geen oog hebben kon. Dat is juist het vreeselijke in de roeping Gods der profeten, dat zij de waarheid zien, haar verkondigen en dat niemand hun geloof schijnt te schenken. Een van de treffendste voorbeelden daarvan is zeker wel Jeremia. Hij heeft de oordeelen aangekondigd onvervaard. Het wee uitgeroepen tot zelfs over de herderen, die de schapen van Gods weide ombrachten, den valschen profeten het oordeel aangezegd. En hij is vervolgd geworden en geslagen en in de gevangenis geworpen en zij dachten hem met geweld tot zwijgen te brengen. Ja, hij gevoelde diep, hoe vreeselijk het was, dat hij Gods woorden spreken moest tot de goddelooze vromen zijner dagen. „Heere !" zoo zeide hij, „Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht. Ik ben den ganschen dag tot een belachen, ieder van hen bespot mij." Het volk wilde het niet zien en niet hooren, dat het naar den ondergang ging. Zij bleven vasthouden aan hunne valsche verwachtingen, aan hunne afgoden, die zij zichzelven opgericht hadden. En wie daarnaar wees, laadde hun vloek op zich. Zoo leed de profeet als prediker van Gods waarheid. En zoo was ook Noach's lot in de wereld zijner dagen. Zoo was het lot van Gods volk en zoo is het feitelijk de eeuwen door, zoo is: het nog. De wereld, ook de vrome wereld kan het niet gelooven, dat er een einde komt. De dingen blijven naar hare meening, zooals zij waren. Er schijnt niets te veranderen. En toch was het waarheid : „het einde van alle vleesch was voor Gods aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met wrevel." Zij - was vol van revolutie. Gewelddaad volgde op gewelddaad. Er was geene vreeze Gods meer voor hunne oogen. De samenleving was onmogelijk geworden. Dat is toch het einde van alle revolutionair gedrijf, dat het, wanneer het tot de uiterste consequentie doorwerkt, in zelfverslinding ondergaat. Dat is de vreeselijke toestand, waarin ten laatste de menschheid verkeeren gaat, wanneer zelfs de teugel der gemeene gratie, die de verwoestingen der zonde tempert, schijnt doorbroken en nergens meer iets van het menschelijke wordt gezien. De Satan viert alsdan zijne triumphen, want de hel is dan losgebroken en ieder schijnt zich tegen allen, elk tegen ieder zich te keeren. Hoe vreeselijk is dan die mensch, die naar den heelde Gods geschapen, geroepen tot het edelste, gevallen tot het laagste, verkeert in het tegendeel van wat hij wezen moest. En dan zijn de dagen gekomen, waarin het ware volk des Heeren de vervolging over zich ziet komen en waarin het bloed van Gods heiligen in stroomen wordt vergoten. Als schapen worden zij gevoerd ter slachting. En de ure is daar, die denken doet aan hetgeen de ziener op Patmos aanschouwde, toen hij, nadat het vale paard was uitgegaan, waarop de dood reed, en dat door de hel gevolgd werd, nadat het vijfde zegel was ontsloten, onder het altaar de zielen zag dergenen, die gedood waren om het Woord Gods en om de getuigenis, die zij hadden. Zij riepen met groote stemme : „hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher ! oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen ? "
Onder Satan's geweld zucht de aarde, als zij met wrevel vervuld wordt en de volkeren het lot ontvangen, dat over hen komt, gegenereerd uit hunne eigene ongerechtigheid. Zoo was nu de toestand op deze aarde geworden. Het zaad, dat in het paradijs werd gestrooid, was opgekomen, had weelderig vrucht gedragen en het dreigde de gansche toekomstige menschheid voor goed tot haren ondergang te brengen. De hel was losgebroken en nergens daagde meer de hope eener samenleving, die een schijn van menschwaardigheld in den diepen en edelen zin vertoonen kon. De gansche aardbodem, mensch en dier, verscheen voor Noach's oog als in het licht der vierschaar Gods. Toen beluisterde hij de sprake van Gods recht: „en zie, Ik zal hen met de aarde verderven." De Heere stond op in den hemel. En terwijl die wereld voortleefde onder de uitgieting der ongerechtigheden, voortging als ware er geen God en de menschheid zelve zich als God proclameerde, werd haar vonnis geveld. De Heere zou zulk een aarde verderven. De menschen hadden geen besef van de dreigende gevaren. Hun vermaak ging door, het feestgeklank ging op, de aarde dreunde onder hun dansen en luid klonk het gelach uit de jubelende menigte. De Heere Jezus heeft het ons geteekend in deze woorden : „want gelijk in de dagen voor den zondvloed zij waren etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging, en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam." Zoo leefde dus de oude wereld voort en merkte niet, dat haar vonnis reeds in den hemel geveld was.
Welk een diepgaand lijden was dit voor Noach, die des Heeren Woord had beluisterd, die deze zelfde wereld aanschouwde in het licht van Gods recht. Ja, dat was een smart der ziele voor dezen man Gods, die het oordeel komen zag, die het oordeel uitriep en die wist, dat hij toch niet zou worden gehoord. Zoo wordt het ook duidelijk, dat de profetie een gave is, die gepaard gaat met diepte van leed, en dat alzoo de profeten des Ouden Verbonds de afschaduwende vertegenwoordigers geweest zijn van Hem, die eenmaal de hoogste Profeet en Leeraar wezen zou en die ook als Profeet heeft geleden. Ja, het was een bitter lijden, dat Hem, toen Jeruzalem daar lag aan Zijn voet, deed klagen over het rechtvaardig bloed, vergoten op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Berachia, die gedood was tusschen den tempel en het altaar. Toen heeft Hij Jeruzalems oordeel aangekondigd, Jeruzalems oordeel gezien en Zijne smart over haar onvermijdelijken ondergang geopenbaard in de klacht: „Jeruzalem ! Jeruzalem ! gy, die de profeten doodt en steenigt, die tot u gezonden zijn ! Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwjjs een hen hare kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild !" Iets van deze smart heeft Noach gevoeld, toen hij het oordeel onafwendbaar komen zag. En zijn voorbeeld moge ons zijn tot eene leering, opdat het ons. met onze Westersche cultuur niet desgelijiks verga als de oude wereld, welker ondergang Noach aangezegd heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's