DE REFORMATIE
IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592-1620
IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592-1620
5. Oene.
De kerk van Oene wordt in het Oorkondenboek van mr. Baron A. Sloet, no. 333, als kapel in het jaar 1176 genoemd, waar bepaald wordt dat Unen (Oene) met Vaassen onder Epe blijven. De kapel werd verbouwd en in 1238 tot parochiekerk verheven en gewijd aan de H. Dyonisius. Dit zeer oude gebouw staat er nog.
In 1548 stond er als pastoor, . Heer Altarista, die gelijk de pastor van Epe, als kettersch werd gesignaleerd. In 1580 treffen we hier Lambertus Henrici aan als predikant, doch na zijn tijd maakt Oene, evenals Epe, een zwenking naar Rome en vinden we in 1592 te Oene als pastoor Bartholomeus ter Cluiss, of ter Cluse, die in 1590 daarheen „van den huisluyden was beropen."
Hij verscheen in 1592 op 4 Juli te Harderwijk om geëxamineerd te worden, doch had bezwaar tegen den Catechismus en kerkelijke tucht in gereformeerden geest.
Nadat hem eenige tijd van beraad was gegeven, werd hij opgeroepen te Nybroek, doch hoewel het slechts een uur gaans was, verscheen hij niet. Dit zal wel afgesproken werk zijn geweest met die van Epe, en zoo werd hij in 1593, 1594 en 1595 bij request tot afzetting voorgedragen. Het Hof ging er echter nog niet toch over.
In 1596 verscheen hij wederom niet ter vergadering, ja zond ook geen schriftelijk excuus, hetgeen de Classis hem zeer kwalijk nam, en schriftelijk bij de Synode op zijn verwijdering aandrong „umb viele wichtige ursachen."
Inderdaad blijkt het Hof in de komende jaren te hebben ingegrepen, daar hij na 1596 niet meer wordt genoemd. L. Pieck van Epe is in 1598 afgezet, en we mogen gerust aannemen dat Bartholomeus ter Cluis kort te voren gegaan is, daar het den pastoor van Epe verboden werd om te Oene dienst te doen.
In 1599 diende zich een nieuwe „pastoor" aan, een gewezen priester of een predikant, n.l. Joannis Keteler uit de Classis Middelstum in Groningen. Hij vestigde zich te Oene, doch kon van de Classis, die hem een verdacht persoon vond, geen approbatie krijgen, daar men zijn getuigschriften niet vertrouwde. Men vroeg inlichtingen bij ds. Joh. Nicasius te Middelstum, welke er toe geleid hebben, dat hij door de Synode van Harderwijk 1599 is afgezet.
In 1600 op de vergadering te Epe, zien wij dan voor het eerst den eigenlijken eersten Predikant in de onafgebroken rij tot heden, n.l. ds. Thomas van Dinstlagen, ook wel Dinxlakius genoemd. Dit beroep was tot stand gekomen door de vriendelijke bemiddeling der kerk van Harderwijk. Aan ds. Voskuil van Epe werd de bevestiging opgedragen. Dit laatste schijnt heel wat voeten in de aarde gehad te hebben, daar de Classis hierop aandringt in 1600, 1601, 1602 en 1603, zoodat het eindelijk plaats vindt in Maart 1604. Dit houdt verband met de R.K. Ambtsjonkers, die de macht hadden zulks een tijdlang tegen te houden, daar zij b.v. den Schout geen vergunning gaven een dag der bevestigingsplechtigheid uit te schrijven; zoo ook plaagden zij hem met zijn kleine tractement, waarover hij herhaaldelijk klaagt, alsmede zijn slechte woning, die lek en kapot was, waarover hij tot 1612 klaagt. Daarbij had hij den koster en diens huisvrouw ook tegen zich. De acta luidt aldus: „Claegt den dienaer tot Oen, dat den Coster darselffs mit sijn hausfrouw sijn vianden van der Religie end deinst oock niet well int geheel bedienen, als het water brengen tot den kinderdoop." Daarom oordeelde de Classis het dienstig om zulks via de Synode naar het Hof te verwijzen. Gevraagd naar den staat der kerk in 1600, zeide hij dat het gehoor tamelijk opkwam, doch dat de Jonkers „groot afbrueck" deden.
Langen tijd verloopt alles rustig te Oene, tot in 1619, in welk jaar de kerkmeesters een request indienden, waarbij zij den zoon van ds. Thomas van Dinstlagen tot predikant begeerden, alsmede een jaargeld voor den ouden en mettertijd emeritus predikant. De inspecteurs der Classis beloofden deze zaak aanhangig te maken en na verkregen pensioen, verder te handelen over zijn zoon.
In 1620 wordt er wederom over gesproken, en blijkt, dat hij geen dienst meer doet, doch wel in de pastorie woont, en die houden mag totdat zijn jaargeld hem verzekerd is
Tot zoover de Classicale Acta.
Uit de „Boekzaal" van 1720 eerste halfjaar, blz. 479 blijkt, dat ds. Thomas van Dinstlagen in 1620 vertrokken is naar Hoogblokland, doch dit kan ook wel zijn zoon geweest zijn.
Te Oene stonden voorts : Johannes Rosaeus, van 1623 tot zijn afzetting in 1627.
Hubertus Fabritius, prop., 1627—t 1637. Johannes Ketelaar, prop., 1637 f.
Zeno a Valencijn, prop., 1637—t 1642. Johs. Dapper, 1642—1654. Gerardus Opgelder, 1655—1715 f 1718. Petrus van Dijk, prop., 1716, ontslagen 1719. Petrus Ayers, prop., 1719 t 1742. Wilh. Hesliusius, prop., beroepen 1744. Zie voorts Handboek Van Alphen 1903, waarin alle Geldersche predikanten staan.
(Wordt vervolgd).
Vaassen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's