De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PRACTIJK DER GODZALIGHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PRACTIJK DER GODZALIGHEID

12 minuten leestijd

(Slot).
Als ik de vragen, die op dit terrein liggen en die in onze dagen op zoo bizondere wijze aan de orde komen, thans mag samenvatten, kan ik volstaan met te zeggen, dat al deze vragen en heel de theologie onzer dagen zich groepeert om het werk van den Heiligen Geest.
Zooals in de dagen der hervorming Christus en de verlossing, die in Hem is, object was van religieuze en theologische bezinning, zoo is nu ten gevolge van de nieuwere wijsbegeerte voor Christus' Kerk het werk van den Heiligen Geest in het middelpunt komen te staan.
Dat is reeds sinds de vorige eeuw het geval, alleen wordt het in onze dagen met meer bewustheid gezien.
Kortzichtig is het te meenen dat in de vorige eeuw de historische en exegetische vakken de belangstelling hadden van de theologen, terwijl eerst in deze eeuw die belangstelling zich naar de systematische vakken keerde. Want dat de historische en exegetische vakken een oogenblik op den voorgrond kwamen, was alleen, omdat zij de Schrift tot object hadden. De vraag, die men door middel van historisch onderzoek en exegese wilde oplossen, was de vraag naar de Godsopenbaring en naar de beteekenis der Schrift in de Godsopenbaring. Dat men thans van historisch onderzoek en exegese zich heeft afgekeerd om met hartstocht zich te verdiepen in andere vragen, is enkel omdat het besef doorbrak, dat, hoezeer het historisch onderzoek ook aan het licht mocht brengen en hoezeer de taalwetenschap ook mocht doordringen in de talen des bijbels, men met behulp van die gegevens nooit of te nimmer de vragen, om welke het gaat, tot oplossing zou kunnen brengen.
Het gaat in de aanhangige vragen om het hart der theologie, om het werk van den Heiligen Geest en dit is met een hulpwetenschap niet te benaderen.
Schrift en Kerk beide roepen in onze dagen tot nadere bezinning ; geen van beide kan in het rechte licht worden gezien, als zij van den menschelijken kant worden benaderd. Wij stooten bij beide weer op het werk van den Heiligen Geest.
Het is wel zeer jammer, dat dr. J. Kooy in zijn proefschrift De paraenese van den apostel Paulus het probleem, waarvoor hij zich gesteld zag, niet in dit licht heeft bedien. Daardoor is zijn werk, dat van groote beteekenis had kunnen zijn, nu reeds verouderd. Een oogenblik ziet hij wel een lichtstraal vallen, als hij in het laatste deel opmerkt, dat de paraenese in Christus gesproken tevens belofte, ja scheppingswoord is, maar bij de uitwerking der gedachten is daarbij geen rekening gehouden. De paraenese wordt niet gezien, als een getuigenis en kracht des Geestes, waardoor Hij in de geloovigen werkt het willen en het werken naar Zijn welbehagen, maar zeer typisch wordt de vraag gesteld, of er nog een vermanend woord van menschelijke predikers noodig is, als aan ieder geloovige de openbaring des Geestes is gegeven. Waarom moet er nog van buiten af worden vermaand, als de geloovige zich reeds verheugt in de besnijdenis des harten in den Geest ? ^) Dat van buitenaf is wel zeer teekenend. Door de vraag zoo te stellen verloor dr. Kooy reeds den theologischen achtergrond van het probleem en verdronk in de psychologie.
De belangstelling, die de Zwitsersche theologie heeft opgeroepen, is daarom van zelf sprekend, want zij staat midden in de vragen, die in de theologie van heden aan de orde zijn, vragen, waarmede Christus' Kerk allerwegen bizonder te worstelen heeft, ten minste, als zij zich niet in een hoek terugtrekt, maar in de wapenrusting Gods met het aangezicht naar den vijand staat gekeerd.
Of deze theologie klaarheid zal brengen tot troost en bemoediging van Gods Kerk in den strijd, waag ik nog te betwijfelen. Zich tegen het subjectivisme en alle menschverheerlijking keerend, vervalt men tot een eenzijdigheid, die m.i. een subjectivisme van zeer bizonderen aard te voorschijn roept. Ik vrees daarom zeer, dat men zich aan eigen wapenen wonden zal, zoo men er tenminste niet in valt om er den dood in te vinden.
Vooral ten opzichte van de openbaring Gods lijkt mij Barth's voorstelling onschriftuurlijk. Het beeld van den bliksemstraal wordt door hem en zijn volgelingen nog al eens gebruikt als karakteristiek voor de openbaring. Als de bliksemstraal uitschiet is een oogenblik alles hel verlicht, daarna is alles weer in duisternis gehuld. Als echter de Schrift de openbaring Gods in het evangelie een goddelijke kracht tot zaligheid noemt, ligt daaraan een andere gedachte ten grondslag. Niet een bliksemstraal, die een oogenblik alles verlicht, maar eene, die inslaat en brand verwekt. Er moge dan onderscheid zijn tusschen de bliksemstraal en den verwekten brand, tusschen de openbaring des Geestes en het leven des Geestes, daardoor in een menschenhart verwekt, er is nochtans tusschen beide ook een nauw verband, zoodat geloof, hoop en liefde, en welke andere deugden er meer zijn, in de Söhrift vruchten des Geestes genoemd worden. Deze vruchten als zoodanig te eeren is geen eigengerechtigheid, maar wijst op eerbied voor het werk van den Heiligen Geest.
Dat de brand, door den Geest des Heeren verwekt, niet weer gedoofd wordt, schrijft de Schrift niet toe aan den mensch, maar aan denzelfden Geest des Heeren, die het goede werk, in den mensch begonnen, ook voltooit. Bunyan heeft dat in zijn bekende beeld van het vuur, dat door geen water gebluscht kon worden, wijl aan de andere zijde van den muur door een onzichtbare hand telkens nieuwe olie in het vuur werd geworpen, reeds op treffende wijs vertolkt.
Dit alles veronderstelt echter, dat de Geest des Heeren niet af en toe uit Zijn verborgenheid te voorschijn schiet, maar blijvend werkzaam is. Zoo heeft de Heiland het ook beloofd aan Zijn Kerk, zeggende : Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. (Joh. 14 vers 16). En in het volgende woord wordt zulks nog bevestigd : Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn.
Deze blijvende werkzaamheid des Geestes maakt het onnoodig te spreken van een habitus (hebbelijkheid), een potentie (vermogen, b.v. geloofsvermogen) of positiviteit, dat in den mensch zou worden ingeschapen als een kiem, waaruit het nieuwe leven zich ontwikkelt. De arbeid des Geestes zelf is het zaad des nieuwen levens. Deze arbeid mag echter niet gedacht worden afgescheiden van het Woord, want het Woord Gods is een getuigenis des Geestes, d.i. een kracht van God. Zooals wij wedergeboren worden uit een onvergankelijk zaad, zoo worden wij ook in het leven des geloofs en der liefde bewaard en onderhouden door dezelfde kracht Gods, door de werking van denzelfden Geest, die door de paraenese evengoed werkt als door de parakiese.
Dit bijblijven van den Heiligen Geest veronderstelt tevens een blijvende en ononderbroken openbaring Gods in het midden Zijner Kerk.
De wijze, waarop Barth over de openbaring des Geestes spreekt, doet m.i. ds. Noordmans terecht grijpen naar het beeld van het spookhuis, waar God af en toe te voorschijn springt.
|Ds. Stam in De openbaring der verborgenheid, meent de vrijmacht van den Geest in al Zijn werkingen alleen veilig te kunnen stellen door te zeggen, dat de Heilige Geest door de liturgie en door de prediking alleen tot ons spreekt, wanneer het Hem behaagt. Wal dan nader vertolkt wordt door de woorden : enkel en alleen, omdat, en dan, wanneer Hij Zijn woord spreken wil. 3)
De prediking wordt daardoor tot den ij delen, ledigen vorm, waarin de Geest af en toe eens inschiet; het is het muziekinstrument, waarop de mensch blaast, maar ge hoort slechts een menschelijk geluid, doch af en toe geeft de Geest er een paar stooten op en dan wordt Gods stem gehoord.
De uitersten raken elkander. Hier nadert de voorstelling van Barth en de zijnen aan die van de bevindingsmenschen van de uiterste grens. Voor hen is ook alles dood. De Schrift is dood en de prediking is dood, maar af en toe waait door het doodendal de wind des Geestes en wordt de nadering Gods erkend.; een oogenblik daarna treedt de stilte des doods weder in en kan men enkel wachten op een nieuw oogenblik. Van een arbeid in den dienst des Heeren is hier geen sprake ; wat voor goeds zou er kunnen wassen op een vervloekten bodem ?
De gedachte aan deze overeenkomst deed mij reeds eerder spreken van een subjectivisme van zeer bizonderen aard in de school van Barth. Als de vrijmacht des Geestes willekeur wordt en achter de trouw, met welke de Heilige Geest zijn eigen werk verzorgt, een vraagteeken moet worden geplaatst, kan er noch van geloofsleven noch van geloofsarbeid sprake zijn.
Geloofsleven en geloofsarbeid veronderstelt een blijvende geloofswerkzaamheid, maar zooals het ware geloof alleen door Gods Woord wordt verwekt, kan geloofsleven alleen gedragen worden door een blijvende en voortgaande openbaring of daad des Geestes. De continuïteit van het geloof rust alleen op de continuïteit van het werk des Geestes.
Openbaring en geloof, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn, maar daarom nog niet identiek zijn, zijn in de voorstelling van Barth te momenteel en daarom te willekeurig. Als Brunner opkomt voor wat Barth Offenbartheit noemt en als verwerpelijk beschouwt *), is dat, wijl hij een leemte in Earth's beschouwingen heeft gezien, die tot fatale gevolgen kan leiden. De normatieve waarde der Schrift, die door Barth niet wordt ontkend ^), ligt nochtans niet vast verankerd in zijn openbaringsbegrip.
Het intellectualisme speelt m.i. Barth en zijn vrienden gedurig parten. ledere Schriftwaarheid heeft haar keerzijde. Als echter een Schriftwaarheid met voorbijzien van deze keerzijde tot dogmatischen stelregel wordt omgesmeed, wordt zij in haar eenzijdigheid onwaar.
Barth legt in zijn dogmatiek grooten nadruk op het woord van een zijner vrienden, dat God spreekt en de mensch hoort Identiek zijn. Dat is eenerzijds volkomen waar, wijl Gods Woord een kracht van God is, die de dooven doet hooren, maar daartegenover staat, dat God ook Zijn volk aanklaagt, dat Hij gesproken heeft en hen geroepen heeft, maar zij niet hebben gehoord. Ik kan niet anders zien, of deze keerzijde is bij Barth verloren gegaan; er is geen plaats voor in zijn systeem. Zoo is het ook met de schepping naar Gods beeld. Geheel verloren gegaan, zegt Barth. Wij belijden het ook. Maar ook deze waarheid heeft haar keerzijde. Onze geloofsbelijdenis spreekt van enkele vonkskes, die overgebleven zijn, genoeg om den mensch alle onschuld te ontnemen. Ook deze keerzijde is bij Barth verloren gegaan. De vouwen der Schrift zijn intellectualistisch glad gestreken. Brunner tracht deze fout te herstellen en al laat ik daar, of het juist is hier van een aanknoopingspunt te spreken, zeer juist is het van hem om op deze keerzijde van de Schriftwaarheid te wijzen, waardoor de verantwoordelijkheid van den mensch ook in zijn diepen val ten volle wordt gehandhaafd.
|Al opent zich bij Barth eenerzijds de mogelijkheid van een hernieuwd subjectivisme, waaruit ook verklaard kan worden dat onder zijn volgelingen zich geesten bevinden, die we daar allerminst zouden verwachten, toch is het gevaar van een hernieuwde scholastiek veel grooter.
Het is niet mijn bedoeling de waarde der Zwitsersche theologie te minachten. Voor een nieuwen opbouw der theologie heeft zij een gewichtigen stoot gegeven. Maar we mogen het kenmerkende van het gereformeerde protestantisme niet loslaten. Op de belijdenis onzer Kerk hebben we voort te bouwen. En dan is het niet mogelijk om in de practijk der godzaligheid, tot hoeveel afdwalingen zij ook leiden kan en zal, wijl zij, die de godzaligheid beoefenen, zondige menschen zijn, een afdwaling te zien. Zij is veeleer gehoorzaamheid aan het woord van den apostel : werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, want het is God, die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen.
1) a.w. pag. 71.
2) In De openbaring der verborgenheid, pag. 123.
3) a.w. pag. 150.
4) Zie Brunner. Natur und Gnade. pag. 36.
Hij zegt daar, dat men op de gronden, die Barth daarvoor aanvoert, niet de Offenbartheit van God in de wereld en de natuur mag afwijzen, wijl men dan tevens de Offenbartheit van God in de Schrift moet prijsgeven en tot een openbaringsbegrip moet vervallen als aan de geestdrijvers eigen.
Onder Offenbartheit moet verstaan worden niet een momenteele, maar blijvende openbaring Gods.
Deze opmerking van Brunner treft m.i. Barth tusschen de gespen en het pantser.
5) Al loochent Bart de normatieve waarde van de Schrift niet, daarmede is nog niet omschreven, wat hij daaronder verstaat. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat hij deze normatieve waarde gansch anders bepaalt dan onze geloofsbelijdenis.
6) Karl Barth. Dogmatik. pag. 255.
Der Satz der Offenbarung : Gott redet ist identisch mit dem Satze : der Mensch hort! aangehaald uit Ed. Thurneysen. Das Wort Gottes und die Kirche.
Wanneer dit woord consequent wordt doorgetrokken, volgt daaruit dat van geen openbaring kan worden gespreken, waar het Woord Gods niet wordt gehoord. Juist daardoor krijgt de openbaring bij Barth dat momenteele karakter waarop wij wezen, en moet hij alle Offenbartheit verwerpen.
Dat Brunner spreekt van een openbaringsbegrip als aan de geestdrijvers eigen, wordt hierdoor nog duidelijker. Dat is het, wat ook in de conventikels gedurig wordt uitgesproken, dat alleen daar van openbaring gesproken kan worden, waar Gods Woord ontvangen is. Maar juist daar komt het fatale van deze opvatting telkens naar voren, wijl de zondige mensch in zijn zonde zich verontschuldigt, dat God zich aan hem niet of nog niet geopenbaard heeft. In volkomen tegenspraak met de Schrift, die zegt, dat God wel tot Manasse sprak, maar dat Manasse daar niet op merkte.
In dezen weg moet de vrijmacht Gods tot reine willekeur worden, zooals ook blijken kan uit het artikel van ds. Stam in de Openbaring der verborgenheid. Dr. Makotte aarzelt dan ook niet om in zijn dissertatie allen schroom in dit stuk te verliezen en van God te spreken als van „de verschrikkelijke, eigenmachtige, willekeurige God."
7) Zie Brunner. Natur und Gnade.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PRACTIJK DER GODZALIGHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's