VRAGENBUS
Vraag: Is het toelaatbaar dat in een Hervormde kerk een orgelconcert gegeven wordt ?
Antwoord : Men zal wel bedoelen in een Hervormd kerkgebouw, of beter misschien nog, „in een kerkgebouw der Hervormde gemeente." Want hier moet Kerk en kerkgebouw onderscheiden worden. De Hervormde Kerk geeft geen orgelconcerten ; maar de kwestie is : of in het kerkgebouw, dat eigendom is van de Hervormde gemeente, orgelconcerten gegeven mogen worden, bijv. door den organist der gemeente of door een collega van hem.
Onze eerste opmerking is: dat het buitengewoon jammer is, dat de kerkgebouwen dikwijls zoo bitter weinig gebruikt worden; hoogstens tweemaal per Zondag (als regel) en dan is 't verder uit. Denk u dat nu eens in ! Is het niet vreeselijk jammer ? 'Zou zoo'n gebouw niet meer productief gemaakt kunnen worden ? En dan natuurlijk in overeenstemming met den aard en de bestemming van het kerkgebouw. Maar dat zal wel moeilijk zijn en blijven, veronderstellen we.
En nu de vraag : is het toelaatbaar, is het goed en is het aan te bevelen, dat in een kerkgebouw der Hervormde Gemeente een orgelconcert gegeven wordt ?
In den geest zitten we in de St. Jan te Gouda, of in de St. Laurens te Rotterdam of in de Groote Kerk te Arnhem, 't Is op een avond door-deweek, 't Is een stille, heerlijke zomeravond. Stil verzamelt zich een belangstellende schare. Ik zie collega's van de Gereformeerde Kerk, van de Luthersche Kerk, van de Hervormde Kerk uit Arnhem en den omtrek. (We denken ons nu in Arnhem te zijn). Wonder heerlijk is 't daar in die verrukkelijk mooie kerk. Er is orgelconcert. Klokslag 8 uur is het doodstil. Men kan een speld hooren vallen. En dan begint de organist de Wolf te spelen. Is dat orgelspel ? Wij hoorden de prachtige Toccata, Adagio en Fuga van Bach. Vooral de Toccata en de Fuga waren wonderschoon, zooals wij 't nog maar zelden gehoord hebben. Het „heerlijk speelsche coloriet in C dur" — het was geweldig mooi. Toen zong mevr. Rosenberg of, zooals zij beter bekend is Ankie van Wokevoort Crommelin, de colorateur zangeres van naam. „Komm in metn Herzens Haus" en ook „Et incarnatus est." Heerlijk klonk daarna : „Was Gott tut dass ist wohl getan".
Toen we naar huis gingen dachten we : wat heerlijk dat In een kerkgebouw der Ned. Herv. Gemeente geluisterd kan en mag worden naar de heerlijke, klankrijke, zoete, geweldige tonen der muziek, welke God, de Almachtige, schiep en sinds bewaarde.
In de St. Laurens te Rotterdam houdt de organist der kerk J. H. Besselaar Jr. op geregelde tijden z'n „Koraalvoordrachten", improvisaties over Psalmen en Gezangen. Wie Besselaar wel eens heeft hooren spelen, weet dat hij een groot, bekwaam musicus is. Wat zitten er wonderen en schatten en heerlijkheden in zoo'n orgel als zoo'n organist het bespeelt. Met wonderheerlijke variaties hoort men dan : „Wien heb ik nevens U omhoog ? " of Ps. 93: De Heer regeert, de hoogste Majesteit" ; of Ps. 21: Verhoog, o Heer, Uw Naam en kacht"; of Gezang 264, Luthers lied bij uitnemendheid: Een vaste burg is onze God"; of Gezang 7 : „Op bergen en in dalen en overal is God !"; of Psalm 150 : 2 : „Looft God met bazuingeklank"; of het ontroerend schoone Gezang 248 : 7 : „Ziet, Hij komt eens met de wolken, Wien dan d' aard als koning groet. Rijz' 't Hozanna ! jubelt volken ! Strooit uw palmen voor Zijn voet! Christ'nen, Joden, Heid'nen, saam knielen dan in éénen Naam !" Ook Ps. 146 : 1 : „Prijs den Heer met blijde galmen. Gij, mijn ziel, hebt rijke stof." En als dan aan 't slot door het tempelruim klinkt: Ontwaakt, gij die slaapt, en sta op uit de dooden ! En Christus zal over u lichten"' — ziet, dan weten we zeker, dat er niemand, dat er niet één is, die dat hoort, die ook maar een oogenblik twijfelt in betrekking tot de vraag : is het wel goed en toelaatbaar dat in een kerkgebouw der Ned. Hervormde Gemeente een orgelconcert gegeven wordt ?
Wat heeft de Heere, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde ons in de muziek en in den zang — die wondere wereld van tonen en klanken, die uit God is — een heerlijke gave gegeven, om ze te gebruiken telkens weer.
Vraag : Is het geoorloofd in een kerkgebouw een uitvoering van de Chr. Zangvereeniging ter plaatse te doen geschieden ?
Antwoord : Deze vraag uit G. ontvingen we enkele dagen na bovenstaande vraag uit A. over een Kerkconcert. Wij zouden zeggen : waarom zou men op een dorp in de dorpskerk niet een uitvoering mogen geven van de plaatselijke Chr. Zangvereeniging ? Het kerk gebouw wordt toch al zoo weinig gebruikt en als men het dan zoo nu en dan op een avond door de week benutten kan voor een uitvoering van een Christelijke Zangvereeniging, waarbij de ouders en vele jonge menschen dan gaarne tegenwoordig zijn, waarom zou men het dan niet doen ? Natuurlijk kan men wel enkele bezwaren inbrengen tegen iets dergelijks — dat weten wij óók wel! — maar wij zouden zeggen : laat men die bezwaren niet zóó opblazen, dat de uitvoering niet kan en niet mag geschieden. Het is toch van zoo groot belang, dat jonge menschen op een Knapen-, Jongelings-en Meisjesvereeniging, maar óók door een Zang-of Muziekvereeniging bij elkander worden gebracht (neem dien kant van de zaak nu alléén maar) en laat men hen dan b ij de uitvoering van hun werk zooveel mogelijk ook kerkelijk tegemoet komen! Wat is er ten slotte tegen, dat in het kerkgebouw een Zangvereeniging, op een avond door de week, voor begunstigers en belangstellenden christelijke liederen ten gehoore brengt ? Nog eens, we weten óók wel, dat er bezwaren door sommigen worden ingebracht, maar laat men nu ook eens deze zaak van een anderen kant gaan zien en vooral in deze tijden in en rondom de kerk vergaderen, wat maar eenigszins mogelijk is. Waarbij het vereenigingsleven van het grootste belang is!
Vraag : In den Hebreënbrief lees ik : „Zonder kastijding bastaarden, en niet zonen", Hebr. 12 vers 8. En te voren : „Dien de Heere liefheeft kastijdt Hij en Hij geeselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt." Zou men nu beslist een kruis, een bijzonder kruis moeten hebben in dit leven en anders een „bastaard" en geen klad van God zijn ?
Antwoord : Laten we de dingen niet onnoodig ingewikkeld en zwaar maken. Als er in ons leven allerlei is, dat ons in gevaar brengt voor de eeuwigheid, dat we verloren zouden gaan, door verleiding, door zonde, door onachtzaamheid enz. enz. is het genade Gods, wanneer Hij tusschen beide treedt, al is 't ook in den weg van beproeving, droefenis, lijden, teleurstelling, enz.; dan is 't de zoekende liefde Gods, als de kastijdingen van den hemel ons tot stilstand, tot inkeer, tot berouw, tot bekeering brengen mogen. Dan danken we den Heere straks voor de verdrukkingen, die goed voor ons geweest zijn. Dan was de kastijding, toen deze tegenwoordig was, niet aangenaam, maar de vrucht is heilzaam, Gode tot eere en onze ziele tot vreugd ! Dan zijn de kastijdingen bewijs, dat we geen bastaarden zijn, want de Heere heeft ons niet aan ons zelf overgelaten ten verderve, maar Zijn Vaderliefde in Christus is opgewekt, om ons te kastijden tot ons bestwil, zooals een vader en een moeder haar kind, dat ze zoo lief hebben, in alles gadeslaan en bij gevaar waarschuwen (al vinden we het niet prettig), ook als 't noodlg is kastijden en straffen. Dat doen ze niet, omdat ze dat zoo aangenaam vinden, maar ze doen het uit liefde, om te redden, om te zegenen, om te behouden — straks voor het kind en de ouders (onder Gods zegen) tot vreugd !
Maar nu moeten we het niet gaan omkeeren, dat een kind van God, dat op een bepaald oogenblik of in den loop van zijn leven geen bijzondere kastijdingen en straffen krijgt, die grootelijks tot verdriet zijn, daarin het bewijs moeten zien, dat het geen kind van God kan zijn. Als de Heere andere wegen met ons houdt, en ons lieflijk leidt, gelijk een goede Herder, is het geen bewijs, dat we voor den Heere vreemd zijn. Integendeel. Gods liefdebestel beschikt over ons naar Zijn wijsheid. En het gaat er maar om, of de liefde Gods in onze harten is uitgestort, dat de uitgangen der ziel naar onzen Heiland en Zaligmaker zijn, met droefheid over onze zonden, met geloof en liefde, met vertrouwen en blijdschap in Jezus Christus vindend onzen éénigen troost voor leven en sterven. Dan zal ook ons vertrouwen en onze roem niet zijn in onzen voorspoed en in onze zegeningen, want we zijn en blijven onwaardige zondaren.
Ons kindschap van God hangt niet af van meer of minder tegenspoed, van zwaarder of minder zwaar kruis en leed, maar van de genade Gods en het geloof in Christus. Niet ieder van Gods kinderen heeft dezelfde scherpe doorn in het vleesch ; de Heere weet wat we noodig hebben en wat we dragen kunnen en als Zijn liefde ons omringt, lokt, troost en sterkt, dan is het bewijs bij ons, dat we een kind van God mogen zijn ; en we hebben onze roeping en onze verkiezing vast te maken ; we hebben te zoeken, om te mogen toenemen in de genade, met vrede en blijdschap.
„Geen geval, geen zorg, geen list, Oost noch West, noch zandwoestijn, doet ons meer of minder zijn; God is Rechter, die 't beslist; Die, als aller Oppervoogd, deez' vernedert, dien ververhoogt". Psalm 75 vers 4.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's