De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE AFDEELINGEN

13 minuten leestijd

HOOGEVEEN. 26 October kwam onze afdeeling in ledenvergadering bijeen. Nadat gezongen was Psalm 36 : 2 en gelezen Psalm 46 opent ds. van Nie de vergadering met gebed.
Vervolgens werd door den secretaris 1 Cor. 1 ingeleid, waarop een aangename bespreking volgde.
Na de pauze verkreeg br. Scholten het woord om zijn vrij onderwerp te houden over : „Wat de Kerk is". Op duidelijke wijze wordt door inleider een en ander naar voren gebracht.
De voorzitter dankt inleiders voor hun werkzaamheden.
De volgende vergadering, welke D.V. over 14 dagen zal worden gehouden, hoopt br. L. v. d. Berg voor ons in te leiden-1 Cor. 2 en J. Ballast Jr. een vrij onderwerp.
Na de gebruikelijke rondvraag en het zingen van Psalm 139 : 1 sluit bB, Scholten met dankgebed. / UVV. PUKS, Secretaris.

WAT HEEFT 1834 ONS TE ZEGGEN.
Vrijdag j.l. hield de afdeeling Utrecht van den Gereformeerden Bond in de Hervormde Kerk haar eerste vergadering in het Wijkgebouw aan de Kromme Nieuwegracht, alwaar de voorzitter van de afdeeling, de heer P. Brinkers, een inleiding hield over de vraag : Wat heeft 1834 ons te zeggen.
In Jeremia lezen wij de klacht Gods : „Mijn volk heeft twee boosheden gedaan. Mij, den springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelve bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden." (Jer. 2 vers 13).
Hetgeen hier van toepassing is op het volk Israël, een volk uit lang vervlogen dagen, geldt evenzeer het volk van Nederland, in het bijzonder wel de Hervormde Kerk. De Oud-Testamentische Kerk had God verlaten, de Nieuw-Testamentische Kerk evenzeer.
De dagbladen hebben dezer dagen vol gestaan over de herdenking der Afscheiding; mannen van naam zijn aan het woord geweest, maar het noodzakelijke is niet gehoord : eenheid en vertrouwen, verootmoediging voor God, alsook met waarachtig schuldbesef een zoeken van elkaar in eenheid des harten.
Wat heeft 1834 ons te zeggen ? Wel dit : Ie. De Kerk was in diep verval.
2e. De Heere wekte in dien treurigen toestand nieuw leven.
3e. Eigenwillige wegen werden bewandeld.
Waaruit wij concludeeren, dat 1834 niet heeft gebracht de oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Dit moet ons een baken in zee zijn en moet ons doen beseffen dat wij geroepen zijn tot waakzaamheid en werkzaamheid.
Dat de Kerk in diep verval was, behoeft nauwelijks te worden betoogd. Men leefde niet naar het Woord Gods. De schare ontving geen brood meer om te eten en geen troost meer om bij te leven en te sterven. Groen van Prinsterer drukt het uit met deze woorden : Door geloof aan het ongeloof waren de beginselen der H. Schrift verdrongen. Men moet er Gezang 74 maar eens op nalezen.
»De deugd, o ja ! ik vind ze schoon, zij strekt zich zelve ten grooten loon. Ik volg haar pad met vreugd en moed ; ik weet, dat, die geen zonde doet, die zijne plichten niet vergeet, met reden hoogst gelukkig heet.«
Of Gezang 89, waar van „de leer van Jezus" gezegd wordt:
»God gaf ze door Zijn Zoon aan d' aard, om menschen tot Hem op te leiden : zij wijst, bij al den aardschen druk, den zeek'ren weg tot waar geluk.« »Lacht u hier ware grootheid aan, gij kunt z' op uwe levensbaan, alleen van haren invloed wachten. Z' is juist geschikt voor uwen stand, staat met uw aanleg in verband en is berekend naar uw krachten: mensch ! Zoo zij u geen bijstand biedt, bereikt gij uw bestemming niet.«
Het oude haatte men en nieuwe wegen werden gezocht. Dit vond al plaats, toen men nog leefde onder de Dordtsche Kerkorde. Laat dit door hen, die slechts tevreden zijn met een zuiveren Kerkstaat, toch vooral nooit vergeten worden.
Een geheel andere Kerkstaat werd nu ingevoerd (1816), zoozeer in strijd met het wezen der Kerk, dat inplaats dat de Kerk vrij werd, zij aan banden werd gelegd. Banden, welke tot op den huldigen dag nog knellen.
't Was ook in die dagen, of er niemand meer was, die God vreesde, doch al meende Elia, dat niemand was overgebleven dan hij alleen, de Heere wist er nog zeven duizend. Zoo was het ook in de dagen voor de Afscheiding. Ds. De Cock was een der eersten, wiens oogen geopend werden voor de verderfelijke leer en het diepe verval. Eerst predikte hij de leer van de deugd en de braafheid, daarna den gekruisigden Christus, het Evangelie der Schriften. Dit verwekte heftige vijandschap. De duisternis kwam tegen het licht in opstand, en alles werd gezocht om De Cock en zijn geestverwanten te treffen.
Treurige daad van een Kerk (in dit geval de Synode) en Overheid, dat wel de Christus der Schriften geloochend mocht worden, ongestraft, doch de mensch (in dit geval de predikanten) mocht vooral niet worden beleedigd. Boete en gevangenisstraf was het lot van De Cock en de zijnen.
Doch al moeten en willen wij De Cock zien in zijn Godsvreeze, toch kunnen wij hem verder niet volgen. 14 October 1834 werd de Acte van Afscheiding door Ulrum's kerkeraad geteekend. Hier viel de breuk.
Laat men het dezer dagen uitroepen : „Dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alleen geschied", wij kunnen het niet zien.
Dan voelen wij ons veel meer verwant aan Da Costa, wanneer hij wijst op de geschiedenis van Israël, wanneer ook in de donkerste dagen de geloovigen niet gezind zijn tot uitgang en scheiding, maar tot verbeidend en biddend hopen op een genadig, van den Heere ook meermalen geschonken, herstel.
Ook Da Costa, en niet minder Groen van Prinsterer, al kwamen zij op voor de verdrukten, keurden de Afscheiding ten sterkste af. Groen noemde de Afgescheidenen : De gevluchte eigenaar. Daarom niet vluchten, maar blijven. Op de belijdenis der Kerk staande, hebben wij recht.
En daarom doet toet onaangenaam aan te hooren, nu, 100 jaar later, dat het ging voor of tegen den Christus der Schriften dat ds. De Cock en anderen de Waarheid Gods niet mochten prediken.
Hiertegen willen wij aanvoeren, wat ds. Van Velzen, een der Afgescheidenen, op de Synode van 1843 zeide : „Wij werden niet gedwongen de leugen te prediken, ook niet om de Waarheid of een gedeelte der Waarheid achter te laten, wij mochten den vollen raad Gods op den preekstoel en in de huizen verkondigen, maar wij moesten daarbij onderworpenheid betoonen aan de reglementen."
Hieruit volgt, dat het in 1834 niet ging om het Evangelie, doch tegen het bestuur der Kerk.
In 1834 'traden slechts 5 predikanten uit, maar er bleven meerderen in de Hervormde Kerk, die het Woord recht sneden en leed droegen over het diepe verval. Van de zijde der Afgescheidenen hadden de Gereformeerden, welke niet uittraden, het hard te verduren, 't Was wel opvallend om te beschuldigen degenen die bleven ; zoo was men zelf de martelaar in eigen oog. Typeerend was ook het verschil in de Acte van Afscheiding van De Cock en die van Scholte.
Na 1834 zien we dan ook een opleven, een toenemen van hen, die de Waarheid liefkregen. En de dag van heden is er om te getuigen van de velen, die in die diep gevallen Kerk pal staan voor Gods Woord. Door menschen wel verworpen, maar niet door God, getuige de bediening van Zijn Woord en Sacramenten. Getuige alle eerbeid, welke verricht wordt in het belang der Hervormde Kerk. Zien wij hierin niet de bemoeiing Gods ? Is dan de arbeid tot wederoprichting der Kerk niet met zegen bekroond op velerlei gebied ? Volharding, moed en trouw vereischt het blijven van Gereformeerde menschen in de Hervormde Kerk. Niet den weg van 1834, nog minder dien van 1886, moeten wij op. Beide wegen brengen de oplossing van het kerkelijk vraagstuk hoe langer hoe verder van het begeerde doel af. 1834 zij een baken in zee.
Laten wij prof. dr. Hugo Visscher aan 't woord in zijn referaat: „De Scheiding en de Gereformeerde gezindheid." *)
„De Afscheiding ontstond als een spontaan verzet, hoe verklaarbaar ook, daarom nog niet zonder meer als het juiste, door Gods Woord gebodene."
Het is begrijpelijk, dat de onwil tegen de verdrukking de overhand neemt, maar daarom is de Afscheiding nog niet de daad, die Woord en Belijdenis eischen." Deze daad wortelt in het misverstand, waardoor Kerk en organisatie als één beschouwd worden. De gewelddaad der regeering (1816) heeft het wezen der Hervormde Kerk niet weggenomen. De Gereformeerde gezindheid was één in verzet als vrucht van de ééne levende Kerk Gods. De eenheid van dit verzet werd verbroken door de scheidende daad. 't Gevolg moest zijn, dat de afscheidende broeders zich zelf zagen als de Kerk, alsof door de werken der revolutie Gods Kerk opgehouden had te bestaan. Dit was en is de dwaling der Afscheiding.
De Hervormde Kerk is tot op den huldigen dag de Kerk, waar zeer zeker het volk des Heeren niet weinig is.
Calvijn zegt, dat de Kerk, waar Gods Woord recht wordt gepredikt en de Sacramenten worden bediend naar de instelling van Christus, met recht den naam van Kerk draagt en als zoodanig moet erkend worden, al gaat ze anders aan vele gebreken mank.
Gewezen mag hier worden op de Kerk onder Israël, op de Kerk ten tijde van Jezus en de Apostelen, en toch, zegt Calvijn, geen nieuwe altaren, geen nieuwe kerken, maar in het midden der boozen hebben zij reine handen opgeheven. Tenzij men verzekerd is, dat zij een Synagoge des Satans is. Maar wie zou om het valsche Kerkverband dit vreeselijke woord op de Hervormde Kerk durven toepassen ?
Na 1834 noemde men de Hervormde Kerk de valsche Kerk. Vóór dien tijd niet, want ds. De Cock vroeg herstel in zijn ambt. Dat doet men toch niet in een Kerk, die men voor valsch aanziet. De gescheiden broeders van 1886 spreken zoo graag van het Hervormd Genootschap. Ook al weer niet vóór 1886. Dr. Abr. Kuyper schreef in 1883, dat er naast de tamelijke bediening der genademiddelen ook afgoderij bestaat, evenwel het wezen der Kerk niet opheft. Daarom maant hij tot omzichtigheid. Wie de Kerk reglementair beschouwt, is tot afreizen bereid. Maar wie met teederen ernst, met vreeze der consciëntie de vraag stelt: loop ik ook van onder het oordeel weg ? , aarzelt en toeft, hoopt altoos op nieuw leven en wendt nieuwe middelen aan.
Diezelfde hoop, die dr. Kuyper in 1883 op onze Hervormde Kerk had, hebben wij nog. Zij is ons Vaderlijk Erfdeel. En dewijl de Hervormde Kerk diep gevallen is, zijn wij met haar gevallen. Zoo is de zonde der Kerk onze zonde, haar val onze val. De afgescheiden broeders zijn evenzoo schuldig. Onder het oordeel wegloopen, helpt niet. De gansche Kerk zal in de schuld moeten komen. Dan zal het niet zijn : Ik ben heiliger dan gij.
Wie het dan recht meent met onze Hervormde Kerk, zal werkloos willen blijven ? Niet een. Wij zullen alle middelen moeten aangrijpen, welke kunnen leiden tot de oplossing van het kerkelijk vraagstuk.
Wij moeten weer weten dat wij, Gereformeerden, aan elkaar vastgesnoerd zijn door den band der belijdenis. Dit is de roeping van de gansche Gereformeerde gezindheid. Er zal volharding noodig zijn. Het mag ons niet te doen zijn om. een Kerk A, B of C. maar om de eene. Gereformeerde Kerk.
Het is de roeping Gods.
Na gelegenheid tot vragen stellen, waarvan verschillende aanwezigen gebruik maakten, werd de vergadering op de gebruikelijke wijze gesloten.
R.

VLAARDINGEN. Donderdag 1 November kwam onze Afdeeling weer in ledenvergadering bijeen.
De opkomst was buitengewoon groot. Na de gebruikelijke opening door den voorzitter, lezing der notulen en ingekomen stukken, was het woord aan den Eerw. heer Van Barneveld, voorzitter van de Afdeeling Delft, dien wij bereid hadden gevonden om dezen avond voor ons te behandelen : „Het Sacrament van den Heiligen Doop."
Na gewezen te hebben op de beteekenis van de Sacramenten in het algemeen en aan welke voorwaarden zij moeten voldoen, stond spreker nader stil bij de beteekenis van het Sacrament van den Heiligen Doop. Verschillende aangelegenheden als kinderdoop, vroegdoop enz. werden breedvoerig 2n op bevattelijke wijze besproken.
Aan het eind werden nog enkele vragen door den spreker beantwoord, waarna br. Van Barneveld sloot met gebed.
't Was een leerrijke avond. Vanaf deze plaats zeggen wij br. Van Barneveld nog hartelijk dank voor zijn bereidwilligheid.
Het Bestuur.

ALPHEN A/D RIJN. Voor onze Afdeeling trad als spreker op ds. P. J. Steenbeek, van Oudewater, met het onderwerp : „Wettige wapenen in den strijd des Heeren."
De bijeenkomst werd geopend met het zingen van Psalm 79 vers 1—4 en lezing van Richteren 7.
De spreker ging daarna voor in gebed en hield een korte inleiding, waarbij hij wees op het verval der Kerk onzer Vaderen, waaraan wij allen schuldig zijn. Hoe het echter ook zij. God laat Zijn werk niet varen, al geeft Hij tijdelijk Zijn Kerk over aan het ongeloof. God eischt daarom van ieder getrouwheid. Als tekstwoord had spreker voor zijn onderwerp gekozen Richteren 7 vers 16, waarvan de woorden : En Hij gaf een iegelijk een bazuin in zijn hand en ledige kruiken en fakkelen in het midden der kruiken.
Allereerst ging spreker na de geschiedenis van Israël, omschreven in het voorgelezen hoofdstuk, en hoe het volk Israël in het dal bij More, belegerd door de Midianieten en Amalekieten, op wonderlijke wijze werd bevrijd door middel van Gideon, waarbij de Heere het leger, ter sterkte van 10.000 man, afwees en slechts ten strijde trok met 300 man, die met hunne hand tot hunnen mond gelekt hadden en niet waren bewapend met een wapenuitrusting, doch slechts met een bazuin, ledige kruiken en fakkelen in het midden. Uitvoerig belichtte spreker de beteekenis van deze wonderlijke wapenuitrusting. Allereerst schetste spreker de bazuin als een beeld van Gods Woord, dat, hoe groot het rumoer ook moge zijn in de wereld, toch tot een ieder komen kan, evenals het volk der Midianieten en Amalekieten had verschrikt. Ook in den dag des oordeels — aldus spreker — zal deze bazuin weerklinken.
Dan zullen ook in vervulling gaan de woorden: Wat is de Heere wonderlijk van raad en sterk van daad. Wait de ledige kruiken betreft, deze vergeleek spreker bij de ware Christenen, die de volheid huns kruiks verloren hebben, doch door de bekendmaking hunner zonden zijn geworden als ledige vaten, die hebben verstaan dat eerst het eigen „ik" moet wegvallen. In het wegvallen van eigen kracht ligt het geheim van het volk Gods, die alles en alles alleen van Hem verwachten. Tenslotte wees spreker op den fakkel, die binnen in de kruik moet ontbranden, opdat de Christen in het hart wordt verlicht, welk licht niet binnen blijft, doch op Gods tijd naar buiten schijnt te midden van de duisternis der wereld. Zoo ging het ook met de bende Gideons, die, voor zij de verlossing zagen, de Midianieten tegemoet togen door en in het geloof.
Spreker eindigde met een toepassing, dat zij, die de gerechtigheid najagen, maar veel om deze bazuin mogen bidden en het bazuingeschal des waren Evangelies door hen verstaan moge worden Niet alleen om de verlossing, maar allereerst omdat God aan Zijn eere kome en bij velen de fakkel van het ware licht in het harte zal mogen schijnen.
Aanwezigen, men moet het dus ook niet verwachten van den Gereformeerden Bond, die alleen een hulpdienst wil zijn en de Kerk niet kan redden, een hulpdienst, behulpzaam bij het opleiden van jonge mannen in de verkondiging des Woords, om de «bazuin aan de lippen te zetten, zoodat velen den weg vinden naar het Vaderhuis. Dat geve God !
Spreker eindigde daarna met gebed.
A. VIS, Secretaris.


*) „De Scheiding en de Gereformeerde Gezindheid", rede op den Bondsdag van den Hervormd Geref. Jongelingsbond, door prof. dr. Hugo Visscher, verkrijgbaar bij den Bondsboekhandel, Abstederdijk 14, Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's