De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

WAT LEERDEN DE REMONSTRANTEN. 1)
De naam Remonstranten is afgeleid van het woord remonstrantie, d.i. bezwaarschrift, naar aanleiding van de leer der Gereformeerde Kerk inzake de onvoorwaardelijke verkiezing enz. Deze remonstrantie (dat bezwaarschrift) werd in 1610 bij de Staten van Holland ingediend, waarmee degenen die tegen de leer der Gereformeerde Kerk bezwaren hadden, zich hadden gesteld onder de bescherming van de Edelmogenden „tegen alle kerkelijke censuren (tuchtoefeningen) die, ter oorzake van de vijf punten of Artikelen tegen hen te zamen of tegen iemand van hen persoonlijk zou kunnen worden ingesteld."
Het gezag van de Kerk wilden de Remonstranten (bezwaarden) verleggen van de Kerk naar de Staten, waarbij zij wisten, dat de Overheden hun gunstig gestemd waren ; en die dan ook niets onbeproefd hebben gelaten om de Kerk te dwingen deze Remonstrantsche dwaalleer te dulden (er mocht in de prediking en bij de kerkelijke examens over de verschilpunten niet gesproken worden, enz.), waarbij het houden van een Synode werd tegen gehouden tot het uiterste toe ! Welke waren nu de vijf bezwaren, de vijf punten of Artikelen der Remonstranten ?
1. „Dat God door een eeuwig en onveranderlijk besluit in Jezus Christus, Zijnen Zoon, eer de grond der wereld gelegd was, besloten heeft, uit het gevallen zondige menschelijk geslacht, diegenen in Christus, om Christus' wil en door Christus, zalig te maken, die door de genade des Heiligen Geestes, in denzelven Zijnen Zoon Jezus Christus gelooven en in hetzelfde geloof en de gehoorzaamheid des geloofs door dezelfde genade ten einde toe volharden zouden; — en daarentegen de onbekeerlijken en de ongeloovigen in de zonde en onder den toorn te laten en te verdoemen, als vreemd van Christus."
Wanneer we dit eerste punt zoo lezen, zou het kunnen zijn, dat onze eerste indruk niet ongunstig is. Er is sprake van uitverkiezing vóór de grondlegging der wereld. Er is sprake van gelooven in Jezus Christus en de genade des Heiligen Geestes. Er is sprake van geloovigen en ongeloovigen, van behoudenis en van verdoemenis. En dat alles klinkt op het eerste aanhooren niet zoo bijzonder „verdacht." Maar het was als een bezwaar tegen de Gereformeerde leer bedoeld en moet dus heel iets anders Inhouden dan wat wij Gereformeerd noemen.
En dat is ook inderdaad het geval, wat ons wel duidelijk wordt, als we Schrift met Schrift vergelijken en het geheel overzien wat de Remonstranten geloofden en beleden.
Twee kunnen dezelfde woorden gebruiken en toch iets anders bedoelen, wat dan in de nadere uiteenzetting en omschrijving wel blijkt.
Al staan de Remonstranten van 1610 schijnbaar, door gebruik van dezelfde woorden, dicht bij de Gereformeerden, ze bewegen zich in een geheel ander spoor en de rails gaan van oogenblik tot oogenblik hoe langer hoe verder van elkaar ! Men staat op een geheel ander standpunt. Men is elkanders tegenstander en bestrijder !
Let maar eens op. In het eerste artikel van hun bezwaarschrift tegen de Gereformeerde leer komt immers aanstonds uit — zij het dan bemanteld met allerlei redeneeringen — dat er, ja, een uitverkiezing is, maar de grond der zaligheid, de grond, waarom de een uitverkoren wordt en de ander niet uitverkoren, maar verdoemd wordt, ligt in den mensch. Die mensch die gelooft, wordt uitverkoren; die mensch, die niet gelooft, wordt niet uitverkoren en gaat verloren. Waarbij dus blijkt, dat het geloof van den mensch de grond der uitverkiezing is ; het vóórgezien geloof des menschen, dat God aanziet en als grond voor Zijn uitverkiezing neemt. De goeden, de geloovigen, worden uitverkoren. De slechten, de ongeloovigen, worden niet uitverkoren en laat God „in de zonde en onder den toorn om ze te verdoemen, als vreemd van Christus."
De Gereformeerden leeren, dat Gods vrijmachtig welbehagen de grond van de uitverkiezing is en dat het noch is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Dan is niet het geloof des menschen de grond, waarop de uitverkiezing stemt (het geloof is en wordt de Vrucht van de uitverkiezing, maar is nooit de grond), maar Gods souverein welbehagen.
De Remonstranten kwamen dus met den mensch op den voorgrond, die wordt tusschen en in dat werk Gods geschoven en krijgt er een werkzaam aandeel in. Het is een samenwerking tusschen den mensch en God : de mensch, die wil, wordt door God uitverkoren, de mensch, die weigert, gaat verloren!
Op dien wankelen, onbetrouwbaren grond hebben de Gereformeerden nooit het werk der zaligheid willen bouwen en zij achtten dan ook de leer der Remonstranten ten opzichte van de menschbeschouwing, inzake de menschelijke natuur, fataal en bedriegelijk, gelijk het het werk des Heeren in Zijn eeuwig ontfermen en grondelooze barmhartigheid naar de kroon stak. Heel het gebouw der zaligheid werd ondergraven en tot instorten gebracht. Want wel spraken de Remonstranten ook van genade (dat is nu het moeilijke en gevaarlijke en ergerlijke en bedriegelijke, als dezelfde woorden worden gebruikt en dezelfde klanken worden gehoord, als men totaal en principieel andere zaken bedoelt en er een anderen inhoud en beteekenis aan gaat geven !), maar als we alles bij elkaar nemen wat de Remonstranten leerden, dan blijkt het zonneklaar, dat men met genade bedoelde „medewerkende genade" : God wat en de mensch wat; en dat men vijandig stond tegenover het woord genade, als het beteekent „alles werkende genade" : waarbij het is alles en alles uit God en niets uit den mensch! „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen."
Het gebruik van dezelfde woorden en klanken door degenen, die het met de beteekenis en den inhoud van die woorden niet eens zijn, moet dan ook ergerlijk worden genoemd en moest verboden zijn, moest strafbaar worden gesteld !
Dat zeggen we ook aan het adres van de Modernen, die de geesteskinderen zijn van de Remonstranten, die weer geesteskinderen waren van de Socinianen en Pelagius hun vader noemen.
(Wordt voortgezet).

WELKE ONDERWERPEN ZULLEN WE BEHANDELEN ?
Nu de wintermaanden zijn aangebroken — de eerste sneeuw is op den eersten November gevallen — en de tijd voor vergaderen weer daar is, rijst de vraag : Welke onderwerpen zullen we behandelen op onze Afdeelingsvergaderingen ?
Laat ons — alvorens daarop een antwoord te geven — mogen aansporen tot geregeld vergaderen. Natuurlijk is de eene plaats niet als de andere. Maar waar het kan, moet men probeeren maandvergaderingen te organiseeren ; en dan b.v. elken eersten Woensdag of Dinsdag of Donderdagavond samenkomen. Een vaste rooster heeft zooveel voor ! Men kan er dan op rekenen, 't Wordt dan een vast stuk van aller program.
En dan de vraag : Welke onderwerpen moeten er behandeld worden ? Wij zouden zeggen : kerkelijke-en godsdienstige onderwerpen zijn als vanzelf voor onze Afdeelingen van den Gereformeerden Bond aangewezen.
Daarom moet men b.v. spreken over de Drie Formulieren van eenigheid, de drie klassieke stukken van ons Nederlandsch Gereformeerd Protestantisme.
Men moet beginnen met een inleiding en een historische toelichting te geven. Want men moet de geschiedenis van deze drie belijdenisschriften kennen ; wanneer, waarom, hoe ze ontstaan zijn.
Ze moeten in de lijst van hun tijd komen staan als verweerschrift, leerschrift en verdedigingsschrift. We moeten weten tegen welke twee fronten de Ned. Geloofsbelijdenis strijdt in die 37 artikelen. We moeten op de hoogte zijn van het ontstaan van den Heidelbergschen Catechismus als troostboek en als leerboek voor de scholen en voor de kerken, beschrijvend den gang van het geestelijk leven in 52 Zondagsafdeelingen, heel anders georiënteerd dan de Ned. Geloofsbelijdenis in 37 korte verhandelingen, punten of artikelen. En we moeten bekend zijn met de geschiedenis van de Remonstranten (1610) en de Dordtsche Synode, om zoo te benaderen het derde belijdenisschrift, dat een verdedigingsschrift is, zijnde : de Vijf leerregels van Dordt.
Misschien mogen wij hier nog eens verwijzen naar de uitgave van „De Drie Formulieren van Eenigheid", bewerkt door ds. M. van Grieken en uitgegeven bij Kemink & Zoon. Daar vindt men een breede historische inleiding, die men mooi gebruiken kan. (De prijs van het boekje is gelukkig door den Uitgever verlaagd).
Aan de hand van dat boekje kan men elk van de drie belijdenisschriften met elkaar lezen en bespreken, waarbij altijd één een inleiding (niet al te lang) moet geven.
Als men zóó de voornaamste artikelen van de Ned. Geloofsbelijdenis saam kon behandelen, zou dat van veel nut kunnen zijn.
Dan kan men ook onderwerpen als : de Verbondsleer, 't geloof, de bekeering, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking enz. behandelen.
Ook vraagt de Kerk, met de ambten van herder en leeraar, ouderling en diaken, de aandacht. En de Sacramenten van Doop en Avondmaal.
Een onderwerp als: belijdenis doen (waarbij het boekje van ds. Woelderink prachtig dienst kan doen). De sleutelen des hemelrijks (met de onderlinge tucht) kunnen worden besproken en de kerkelijke organisatie.
De richtingen in de Ned. Hervormde Kerk kunnen worden besproken (waarbij het boekje van ds. Van der 'Zee, ook het boek van prof. Haitjema goede diensten kunnen bewijzen). Dan „de Gezangenkwestie" (met het mooie boekje van prof. Severijn er bij).
Zoo zijn er tal van onderwerpen, die wachten op behandeling en onderlinge bespreking op onze Afdeelingsvergaderingen.
Men behoeft waarlijk geen nieuwe vereenigingen op te richten, als men van oordeel is, dat vooral ons Gereformeerde volk er toe gebracht moet worden om de Gereformeerde beginselen, kerkelijke-en dogmatische onderwerpen, te behandelen, te bestudeeren, te bespreken onderling.
We hebben onzen Gereformeerden Bond met de plaatselijke Afdeelingen, die zoo uitnemend geschikt zijn voor studiegezelschappen en kringen om saam te handelen over de dingen die in het midden van onze belangstelling staan. Daar kan gewerkt worden, maand na maand. Daar kunnen jongeren en ouderen elkander ontmoeten. Mannen en vrouwen kunnen daar bij elkander zitten. En zoo kan onze organisatie zich uitstrekken over stad en dorp in alle provincies van ons Vaderland ! Wat men liefst niet in de wielen moet rijden, waardoor eer stagnatie komt, dan dat men het veilig verkeer bevordert!
En dan zijn er de openbare vergaderingen, die tusschen de andere vergaderingen door gaan. Daarvoor wordt natuurlijk een spreker van elders gevraagd, dat wel gewoonlijk een predikant van elders zal zijn (die natuurlijk lid van onzen Gereformeerden Bond is). En bij die openbare vergadering met „een spreker van elders" (zoo mogelijk in de kerk) is de gemeente zelve dan tegenwoordig, waardoor weer op andere wijze de Gereformeerde beginselen kunnen worden verbreid en verdedigd en de belangen van den Gereformeerden Bond met de fondsen (en dat zijn de groote werkzaamheden van den Gereformeerden Bond) worden bepleit en bevorderd, dan dat in de maandelijksche ledenvergaderingen geschiedt.
Voor die spreekbeurten of openbare samenkomsten met een dominé van elders, kunnen de Afdeelingen (zooals men weet) zich in verbinding stellen met den Secretaris, ds. J. J. Timmer te Ermelo. En de Penningmeester, ds. J. Goslinga te Utrecht (Frans Halsstraat 18) is altijd bereid om in dezen zooveel mogelijk te helpen, dat men een spreker krijgt op de meest gemakkelijke voorwaarden — op conditie natuurlijk, dat een collecte wordt gehouden, waarvan de opbrengst zoo spoedig mogelijk naar Utrecht wordt opgestuurd.
Waartegen natuurlijk niemand bezwaar heeft !! Hoe meer we van onze Afdeelingen hooren (als het tenminste iets goeds is) hoe aangenamer we dat vinden. Verslagen, berichten enz., nemen we steeds gaarne op. En inlichtingen geven we op verzoek, met genoegen. (Waarbij we ook hier willen wijzen op onze Commissie van Actie, Secretaris de heer P. J. W. Maarleveld, Arnold Hoogvlietstraat 39, Vlaardingen).
’t Is nu de tijd van werken.
Daarom „aanpakken" !

OVERHEID EN AFSCHEIDING.
Telkens worden weer nieuwe feiten bekend, die een eigenaardig licht werpen op de geschiedenis van de Afscheiding, met name wat betreft het optreden, van de Overheidspersonen. Zoo lezen we in het pas verschenen Octobernummer van Antirevolutionaire Staatkunde, orgaan van de Dr. Abr. Kuyperstichting, een artikel van dr. W. H. van Zuylen : „Eenige nieuwe gegevens over de verhouding van Overheid en Afscheiding" — waarin toch wel heel merkwaardige dingen voorkomen, waarlijk niet in 't voordeel van de hooge Overheid.
Herinnerd wordt aan een woord van dr. G. J. Vos, Geschiedenis der Vaderlandsche Kerk, blz. 400 : „Het bestuur der Kerk was geen raderwerk, hetwelk door zijn centraal-rad de beweging van 's Konings hand onderging; neen, elk rad stond zoo goed als in onmiddellijke betrekking tot den Koning zelven, de krachtige en onmisbare drijfveer, het regelend middelpunt." Dat was zoo sinds 1816. Toen was de Ned. Hervormde Kerk ingeschakeld in het groote staatsorganisme en de Koning werd practisch alléénheerscher in de Kerk. Maar de Koning deed het door het Departement voor de zaken van de Hervormde en andere eerediensten. En daar was de Minister van Eeredienst, baron Van Pallandt van Keppel, 't hoofd, maar de heer Janssen was de albesturende secretaris en adviseur. Hoe belangrijk de positie van laatstgenoemde was, blijkt hieruit, dat Janssen reeds in 1809 deel uitmaakte van een Commissie, die de organisatie der Kerk zou ontwerpen. Toen reeds werd het beginsel van de absolute afhankelijkheid der Kerk van den Staat vastgelegd. Voornaamste bewerker dezer vervorming was Janssen (G. J. Vos, blz. 400). In een dergelijke Commissie, 1812 door Napoleon ingesteld, is weer Janssen de opsteller van het ontwerp, dat ten grondslag ligt aan de besprekingen. Hij vormt als het ware den overgangsschakel tusschen Overheid en Kerk. Zijn invloed op het Departement was nog grooter, doordat bij de wisseling der hoofden, hij, de secretaris en adviseur bleef. Door zijn kennis en jarenlange ervaring is hij de man geweest, die, op den achtergrond staande, leiding gaf aan de handelingen der Regeering.
Nu is er een z.g.n. geheime correspondentie van Janssen met allerlei kerkelijke personen en in de „geheime brieven" spreken beide partijen onbewimpeld hun persoonlijke meeningen uit. Voor de zaken van de Kerk in het algemeen staat Janssen in contact met den praeses der Synode, ds. H. H. Donker Curtius, van Arnhem. Ze zijn intiem met elkaar; 't opschrift der brieven is : Amice !
Toen de Afscheidingsbeweging ontstaan was, moest Janssen op de hoogte worden gehouden van den voortgang dier beweging. Naast de officieele rapporten is er dan een geheime correspondentie, die heel wat aan het licht brengt nu!
't Eène centrum der Afscheiding ligt in Ulrum, in Groningen ; een tweede Afscheidingscentrum werd gevonden in 't land van Heusden, waar ds.
H. P. Scholte werkte. Over den voortgang der beweging in het Noorden licht ds. G. Benthem Reddingius, predikant te Assen, hem in, en wat het Zuiden betreft, is ds. C. W. Pape, van Heusden, een goede kennis van Janssen, het kantoor van informatie. In de antwoorden van Janssen vernemen we dan hoe de Overheid over de maatregelen tegen de Afgescheidenen dacht. De verwikkelingen tusschen De Cock en de kerkelijke besturen 'beginnen met een aanklacht van ds. A. P. A. du Cloux tegen De Cook wegens het feit, dat laatstgenoemde kinderen uit andere gemeenten, in casu uit die van ds. Du Cloux heeft gedoopt. Dit geschiedt 4 November 1833.
Een Classicale Commissie onderzoekt de zaak 18 November. In de Class. Bestuursvergadering van 19 December wordt De Cock geschorst. En nu dit merkwaardige : als hoofdgrond voor de schorsing geldt het schrijven van een boekje tegen ds. Benthem Reddingius, van Assen, en ds. Meyer Brouwer, van Uithuizen, getiteld : „Verdediging van de ware Gereformeerde leer en van de ware Gereformeerden, of : De Schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock." Het verschijnen van dit geschrift werd in de Class. Bestuursvergadering van 19 December mede als een onderwerp van beschuldiging behandeld, zulkS zonder regelmatige vóórbehandeling of — om in juridische taal te spreken — zonder instructie en zonder dagvaarding. En nu is het merkwaardig om te lezen de briefwisseling van Janssen tusschen 18 November en 19 December met ds. J. J. Damsté, praeses van het Classicaal Bestuur van Middelstum en ds. Donker Curtius te Arnhem (welke brieven gedateerd zijn 4 December, 7 Deo. — en daarna 30 Dec. en 1 Jan. '34 enz.). We zullen hier die briefwisseling niet overnemen (zooals we ze vinden in het Octobernummer van Antirev. Staatkunde) maar wat hier gestookt wordt door de Overheid, in casu door den heer Janssen, is toch wel verschrikkelijk. En de hroederlijke samenwerking van Damsté, Donker Curtius, Reddingius e.a. met de Overheid is merkwaardig.
We willen maar één staaltje noemen. De Overheid stookt ds. Damsté, praeses van het Class. Bestuur van Middelstum, op, om tot vervolging van ds. De Cock over te gaan om oorzake van het boekje, dat hij schreef tegen ds. Benthem Reddingius, van Assen en ds. Meyer Brouwer, van Uithuizen. Janssen schrijft, dat de Minister hem verzocht had over deze zaak eens vertrouwelijk te schrijven aan den Voorzitter van het Classicaal Bestuur, zijnde een zaak van ergerlijken en geruchtmakenden aard, en dat Z.Exc. vertrouwde, dat het Classicaal Bestuur den schrijver zal behandelen volgens kerkelijke verordeningen ! Verzocht wordt „geheel particulier en vertrouwelijk" wel te willen berichten, wat of door het Classicaal Bestuur in dezen is verricht! Tegelijk werd aan ds. Donker Curtius, den praeses van de Synode, geschreven „schoon ik bij het ontvangen van Uw brief dat pamflet van De Cock nog niet gelezen had, heb ik echter over de zaak aan ds. Damsté als praeses der Classis Middelstum geschreven, en ben verlangend naar zijn antwoord." 7 December, na een brief van ds. Damsté te hebben ontvangen, schrijft Janssen weer aan ds. Donker Curtius en zegt o.a „Ziedaar, mijn vriend ! antwoord van Damsté. Het schijnt daar minder te ontbreken aan lust om de lasteraars terecht te zetten, als aan inzigt, hoe de zaak aan te pakken !" 10 December schrijft Janssen dan weer aan Damsté, waarbij hij raad geeft, hoe gehandeld moet worden door het Classicaal Bestuur !
1 Januari '34 zegt Janssen in een brief aan Donker Curtius, dat het aan zijn schrijven aan ds. Damsté te danken is, dat de zaak door het Classicaal Bestuur is aangepakt. Tegelijk schrijft Janssen dan, dat z.i. nu de zaak door het Prov. Kerkbestuur kan .behandeld worden, waarbij hij bevreesd zegt: „als de zachtheid van papa H. de zaak maar niet bederft"; (be­doeld is : ds. Hendriksz, president van het Prov.Kerkbestuur van Groningen). „Het ware niet kwaad" — aldus Janssen aan Donker Curtius, den praeses der Synode — „zoo gij eene correspondentie hierover opende; gij kunt beginnen met verzoek om aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen, en zoo op den weg komen, om den ouden man een riem onder het hart te steken".
Ten opzichte van de beweging in het land van Heusden onder leiding van ds. H. P. Scholte van Doeveren en Genderen en Gansoyen (29 Oct. '34 geschorst) is de correspondentie van ds. C. W. Pape, predikant te Heusden en scriba van het Classicaal Bestuur, met den heer Janssen van beteekenis, „aan wien wij", schrijft Janssen 15 April 1835 „voornamelijk de goede uitkomst, onder Gods zegen, te danken hebben". (Later is Pape geridderd !). Ds. T. van Spall, lid der synode en praeses van het Classicaal Bestuur stond ds. Pape, scriba van het Classicaal Bestuur, trouw ter zijde „om de reglementen der Kerk getrouw na te leven" en ds. Scholte en de zijnen te vervolgen waar 't maar even mogelijk was. Van ds. van Spall is ook het anoniem pamflet: „Kort verslag van het zoo geruchtmakend gedrag des afgezetten predikants H. P. Scholte in de Herv. Gemeente Doeveren, Genderen en Gansoyen. Door een vriend der waarheid en des vredes".
Ds. Pape schreef daaromtrent 8 April 1835 aan Janssen: „Ik ben bezig aan een bijdrage tot de Kerkelijke geschiedenis onzer dagen. Van Spall wil iets anoniems schrijven; ik zal er mijn naam desnoods onder zetten."
Ten opzichte van de Synode van het jaar 1835 schrijft Janssen aan ds. Hoek, president van het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel (19 Juni '35) : „Bij de a.s. Synode zal nog al wat te koop zijn. Er zijn bijzonder ditmaal mannen noodig, die vast in de schoenen staan, al ware het maar om te zorgen, dat men uit zwakheid geene verkeerde maatregelen neme." (De zaak van de predikanten Gezelle Meerburg, Van Rhee, Brummelkamp en Van Velzen zou ter sprake komen !)
Meer zullen we nu maar niet vermelden hier uit de geheime correspondentie van de Overheid met de verschillende kerkelijke personen. Hoewel de verleiding om meer over te nemen heel groot is. 't Is zoo heel iets bijzonders !
Genoeg echter, om te laten zien, dat de Overheid, met name de heer Janssen, adviseur en secretaris van den Minister van Eeredienst, in de zaak van de Afscheiding een ellendige rol gespeeld heeft.
Arme Kerk, die in handen valt van de wereldlijke Overheden.
God heeft aan de Overheid haar plaats aangewezen ; en de Heere heeft de Kerk haar terrein gegeven.
Dat de Kerk — we denken hier nu bijzonder aan de Ned. Hervormde Kerk — moge staan, door Gods genade, als een pilaar en vastigheid der Waarheid, als een getrouwe getuige van Jezus Christus, als een licht op den kandelaar, als een stad op een berg, om te zijn als een zoutend zout, als een lichtend licht, ook nu, — ja, bijzonder ook nu — in het midden des volks !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's