De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

10 minuten leestijd

Genesis 6 : 14. Maak u eene ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken, en gij zult die bepek'ken van binnen en van buiten met pek.

3e Serie.
XXV.
De verdorvenheid der oude wereld en het Godsgericht, dat in den zondvloed over haar gegaan is, hebben beide een zeer diepen indruk gemaakt op het bewustzijn der na Noach opgekomen menschheid. De oude volken hebben de heugenis bewaard aan het vreeselijk lot, dat de oudste geslachten getroffen had. Resten der vroege Egyptische litteratuur bewaarden zinspelingen op den grooten, alles en allen verzwelgenden vloed. En vooral de Babylonische oudheid kende zondvloedverhalen, die herinneren aan de Bijbelsche berichten over het oordeel, dat over de oude wereld gegaan is. Met name wordt daarbij gedacht aan het zoogenaamde Gilgames Epos, dat onder de zondvloed-verhalen het volledigste is. Doch behalve uit Epos, dit heldendicht, werden nog andere brokstukken uit den alleroudsten tijd bewaard, die althans bewijzen, dat van zeer oude tijden aan het feit van den zondvloed er bekend was niet alleen, maar ook dat de mythen-scheppende geest dezer volken, die buiten het gebied van Gods bijzondere openbaring leefden, zich van dit feit heeft meester gemaakt. Er waren dus onderscheidene zondvloed-verhalen in omloop, die bij alle verschil, dat er onder deze is, toch daarin overeenstemmen, dat zij met den vloed en ook met de verdorvenheid des menschelijken geslachts bekend blijken te zijn. Vooral de ontdekking van de zoogenaamde zondvloed-tafel, die eenige treffende parallellen vertoont met het Bijbelsche verhaal, baarde nog al groot opzien, daar men er eene bevestiging der Schrift in meende te vinden. En nog dieper indruk maakten de iets later ontdekte berichten over de schepping. Zelfs gaven deze vondsten aanleiding tot een nieuwen tak van Bijbelsche archaeologie. Afgezien nu van de velerlei beschouwingen en waardeeringswijzen, is er uit deze ontdekkingen zeker duidelijk geworden, dat de litteratuur van Babylonië, waarvan de Assyrische eene latere navolging was, berichten en voorstellingen heeft bewaard van zeer hoogen ouderdom. En de gewijde schrijver heeft deze gekend en ze bij het licht van Gods Geest, evenals de andere historische beschouwingen, die wij tot nu toe leerden kennen, ontdaan van het mythisch omhulsel, waarin de wezenlijke historische kern was gehud. Het feit zelf echter van den vloed werd door allen erkend, want in een lijst van konings-namen, die in het Britsch museum wordt bewaard, wordt zelfs gesproken van „koningen na den vloed."
Dat de Babyloniërs overleveringen kenden aangaande den zondvloed, wist men reeds lang voordat er van de ontcijfering der zoogenaamde Keil-Inscripties sprake was, want Berosus, een priester van Bel, uit Babylon, had in zijn geschrift, gewijd aan den Syrischen koning Antiochus Soter, ca 250 voor Christus, drie boeken geschreven over de Babylonische geschiedenis van den beginne tot op Darius. Voor de samenstelling dezer geschiedenis had hij gebruik gemaakt van de Priester-kronieken, die in den tempel van Bel werden 'bewaard. Oude schrijvers als b.v. Plavius Josephus en Eusebius, hebben uit dit geschrift van Berosus aanhalingen gedaan en zoo is er uit deze oude geschiedschrijving een en ander tot ons gekomen. Daaronder hetgeen op de scheppingsmythen der oude Babyloniërs betrekking heeft, maar ook verhaalt Berosus over den zondvloed.
Berosus’ verhaal komt hierop neer, dat 432000 jaren nadat de eerste Babylonische koning Aiorus zijne regeering had aangevangen, was aan den 10en koning, Xisuthros, de god Bel in den slaap verschenen en deze openbaarde hem, dat op den 15en van de maand Daesios er door ongekenden regenval eene overstrooming komen zou. Hij moest in de zonnestad Sippara alle geschriften begraven, voor zich en zijne maagschap en vrienden een schip maken, 9000 voet lang en 1200 voet breed, waarin hij ook viervoetige dieren en vogels moest opnemen. Zoo werden deze, voordat de vloed kwam, geborgen. Toen het water zakte, liet Xisuthros tweemalen vogels uitvliegen, die terug keerden. En toen zij ten tweeden male wederkeerden, hadden zij slijk aan de pooten. En de derde maal kwamen zij niet terug. Het schip was op een berg gestrand. De koning ging er met zijne vrouw en dochter en den bouwmeester van het schip uit en bracht offers aan de aarde en de goden, om dan te verdwijnen. Slechts hoorden de metgezellen nog zijne stem, die hun toeriep, dat hij met vrouw en dochter en bouwmeester als belooning voor zijne vroomheid tot de goden was opgenomen. Van Armenië moesten zij naar Babylon terugkeeren en de boeken weder opgraven. Alzoo deden zij en bouwden steden en tempels en met name Babyion weder op. Zelfs werd er nog bijgevoegd, dat er in de bergen nog lang overblijfselen van dat schip te vinden waren geweest.
Veel meer werd aangaande de Babylonische zondvloed-verhalen bekend, toen de opgravingen de Oude Babylonisch-Assyrische wereld weder aan het licht brachten. Toen leerde men een uit twaalf deelen bestaand heldendicht kennen, waarin de heros Gilgames is, die door sommigen met den uit den Bijbel bekenden Nimrod in verband wordt gebracht. Gilgames, misschien een der koningen uit de oudste tijden, was beroemd om zijne moedige daden in den krijg en bij de jacht. Mythologisch werd hij onder de goden opgenomen en met den zonnegod, die zijn beschermer was, in betrekking gezet. In het elfde stuk wordt hem de geschiedenis van den grooten vloed verteld. De hoofdfiguur daarin was Sitnapistim, die ook een naam draagt, waardoor herinnerd wordt aan den door Berosus genoemden Xisuthros. Dit verhaal toont nog grooter overeenkomst met wat er ons in den Bijbel van wordt meegedeeld. Het spreekt allereerst van de zonde der menschen en den toorn der goden, die, op raad van Bel, besloten den vloed te zenden. Sitnapistim wordt door den god Ea gewaarschuwd en moet ook tot zijne redding een schip bouwen. Toen kwam er zulk een vreeselijke storm, dat de goden er zelven voor op de vlucht gingen naar den hemel. En de godin Istar (Astarte, uit den Bijbel bekend) schreeuwde : „dit volk is weer tot slijk geworden." En de goden weenden over de verwoesting.
Om deze overstrooming te doen komen, wedijverden de godheden uit de diepte der wateren met die der lucht, zoodat een springvloed uit de zee en geweldige regenval den vloed voortbrachten, zooals dit ook uit het Bijbelsche zondvloedverhaal bekend is. De vloed duurt echter korter dan in den Bijbel. Genesis 7 : 12 was de piasregen 40 dagen en 40 nachten op de aarde, terwijl volgens het Babylonisch verhaal het 7 dagen aanhoudt, terwijl het schip 7 dagen op den berg zit, waarna de uitzending der vogels begint; duif, zwaluw en raaf. Daarna worden de dieren weer uitgelaten en gaan ook de menschen uit het schip. Sitnapistim vertelt dan, hoe hij een altaar opricht, zeven vaten opstelt en daaronder welriekende kruiden brandt, welker geur de goden opsnuiven, zoodat zij zich „als vliegen verzamelden boven de offeraars." Als dan ook de godin Istar komt, zweert zij bij haar halssieraad, dat zij deze dagen nooit vergeten zal. De goden mogen dan van het offer genieten, behalve Bel, die „hare menschheid aan het gericht had overgeleverd." En als dan de god Bel kwam en het schip zag, werd hij toornig tegen de goden en riep : „welke ziel is ontvloden ? Geen mensch moet het gericht ontkomen." En dan komt er een andere god, die Ea aanwijst. En dan treedt Ea op tegen Bel met de vraag, waarom hij zoo onbezonnen den vloed opwekte. Op den zondaar moet zijne zonde vallen, op den boosdoener zijne boosjheid. Maar, zoo wordt er bijgevoegd : „laat u verbidden, opdat hij niet verdelgd worde." En dan somt Ea op, welke andere rampen de goden hadden Imnnen zenden, om. te eindigen met de bekentenis, dat hij een droom gezonden had, die den mensch het besluit der goden liet verstaan.
En dan toomt Bel tot bedaren, gaat in het schip, hief Sitnapistim en zijne vrouw er uit, zegende hen aldus : „Tot nu toe was Sitnapistim een mensch, van nu aan zal Sitnapistim en zijne vrouw gelijk als de goden verheven zijn, wonen moet Sitnapistim in de verte, aan de monding der stroomen." En daarheen werden zij gevoerd om aan de monding der stroomen te wonen.
Merkwaardig is dus, dat in dit oud-Babylonisch zondvloed-verhaal de vloed wordt voorgesteld als een gericht over de zondige, diepgevallen menschheid. De vloed wordt dus uit zedelijk oogpunt gewaardeerd. Maar daarbenevens blijkt ook, hoe geheel anders van karakter de geschiedbeschrijving in Gods Woord is. In het Babylonisch verhaal eindigt de geweldige onlkeering, door den vloed teweeggebracht, met een twist onder de goden, terwijl in de Heilige Schrift het gansche zondvloed-proces in zijne ontwikkeling met al de verschillende momenten, die daarin worden aangetroffen, wordt afgeleid van den eenigen, waarachtigen God. Het ligt voor de hand, dat daaruit blijkt, hoe het historische karakter, dat in de Babylonische voorstelling mythologisch wordt uit-. gelegd en in mythologisch licht gesteld wordt, in de Schrift, onder het ontdekkend licht des Heiligen Geestes, ons wordt geteekend. Ook hieruit blijkt, dat wij in de Heilige Schriftuur van doen hebben met eene wereldbeschouwing, die niet uit den natuurlijken mensch is opgekomen, maar uit de wederbarende daden Gods.
De sleutel tot de verklaring van het geheel eenige karakter van de Schriftuurlijke geschiedtoeschouwing is ons door den Heere Jezus in de hand gegeven. Hij zeide tot Nicodemus: „Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u : tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien." Uit de vergelijking van het Babylonische zondvloed-verhaal met dat uit Genesis treedt die waarheid van des Heeren Woord bijzonder duidelijk aan den dag. De heidensche Babyloniërs, met de veelheid hunner goden, waarover Jesaja het oordeel uitriep : „Babel is gevallen, zij is gevallen ! en al de gesnedene beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde, " is ondanks de wetenschap en den rijkdom harer cultuur niet hooger kunnen opklimmen dan tot eene verwarde, dichterlijk-mythologische beschouwing der wereld, waarin de goden als menschen met elkander kibbelden en streden, terwijl reeds in de alleroudste gemeente er een licht was opgegaan over de eenheid van het goddelijke Wezen en dus ook over de eenheid en samenhang van het gansche wereldbestuur. Daardoor is dus het Schriftverhaal principieel onderscheiden van de Babylonische mythologische voorstelling. In Gods Woord hebben wij van doen met een geheel eenige wijze van geschiedbeschrijving, die nergens elders, onder geen enkel volk der oude wereld aangetroffen wordt. En ook hieruit blijkt duidelijk, hoe absoluut onjuist het is en uit ieder oogpunt verwerpelijk, als de tegenwoordig in Duitschland ten top gedreven vereering der oude Ariërs er toe geleid heeft om zelfs den Heere Jezus los te maken uit het historische kader, waarin de Heilige Schrift Hem plaatst als den Zoon van David, als den aan de Vaderen beloofde. Immers, in dit oude verhaal hebben wij juist de diepgaande tegenstelling in wereldbeschouwing tusschen Israël en de volken. In Israël leeft eene Godskennis, die de volken, die ook Babylon, niet hebben. Israël kent den Heere, omdat het de uitverkoren Zoon is. Aan Israël openbaart de Heere door de bijzondere verlichting des Geestes eene beschouwing der geschiedenis, waarin het Koninkrijk Gods tot volle klaarheid komt.
Er is toch in het verhaal van den zondvloed, zooals het ons in Gods Woord werd overgeleverd uit de traditie der alleroudste Kerk des Heeren, niets dat aan het veelgodendom der Babyloniërs herinnert. Het handelt blijkbaar over dezelfde historische gebeurtenis, waarover oud Babel zijn mythologische verhalen gaf, maar zóó, dat daarin uitblinkt de heiligheid des Heeren, die openbaar wordt in Zijn recht en de wondere vrijmacht der genade, die in de redding Zijner kinderen uitblinkt. Doch steeds zoo, dat ook in deze historie de Heere is de eerste en de laatste, die zeggen kan : „Behalve Mij is er geen God."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's