De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

WAT DE REMONSTRANTEN LEERDEN.
Het IIde punt of Artikel van de leer der Remonstranten, die tegen de Gereformeerde leer in 't krijt traden, luidt :
»Dat diensvolgens Jezus Christus, de Zaligmaker der wereld, voor allen en voor leder mensch gestorven is, alzóó dat Hij ze allen door den dood des kruises de verzoening en de vergeving der zonde verworven heeft, nochtans in dier voege, dat niemand derzelven de vergeving der zonde in der daad geniet dan de geloovigen.«
’t Wordt nu dus al duidelijker wat de Remonstranten leeren. Want in dit 2de Artikel komen ze openlijk voor den dag met de leer der algemeene verzoening èn de eigenmachtige toeëigening der zaligheid door den mensch.
De Gereformeerden leeren, dat Christus' offerande is geweest voor al de uitverkorenen Gods van heel de wereld, van alle vleesch, van alle taal en volk. Want van héél de wereld en van alle natie zullen er zalig worden ! Men kan de grens niet zóó wijd trekken, of de Gereformeerden zeggen er „amen" op. Daarom, moet het Evangelie ook gepredikt worden aan alle creaturen, en waar nu de wildste volkeren wonen, aan de verstgelegen stranden, zal straks Gode de eere worden gebracht en zal de Naam van Jezus Christus genoemd en geroemd worden door een arm zondaarsvolk. Er zullen er zalig worden zoovelen als de Heere uitverkoren heeft. Wij gelooven : „dat de Zone Gods, uit het gansche menschelljk geslacht. Zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in éénigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt." (Heidelb. Catedh. Zondag 21).
Maar dat is héél iets anders, dan de Remonstranten leeren. Want zij zeggen : Jezus is gestorven voor alle menschen (de leer der algemeene verzoening) en nu staat het aan den mensch, die een vrijen wil ten goede of ten kwade heeft, om het heU aan te nemen of te verwerpen. Die gelooven, zullen zalig worden, die niet willen gelooven, zullen verloren gaan. De gewilligen zullen behouden worden, de onwilligen zullen buitengeworpen worden. Bij de verzoening, die voor alle menschen is aangebracht, hangt het nu van den mensch af, of hij zal behouden worden of niet. Onze gewilligheid opent de deur, waardoor wij zullen ingaan. En zoo heeft de mensch het werk der zaligheid in zijn macht; hij kan het doen gelukken, maar óók mislukken.
De Gereformeerde Waarheid spreekt hier, overeenkomstig Gods Woord en in gehoorzaamheid aan Gods getuigenis, heel anders. God is de God der verkiezing, en die Hij, naar Zijn vrijmachtig welbehagen verkoren heeft, heeft Hij verkoren in Christus. En voor die uitverkorenen, voor de schapen Zijner weide, voor Zijn erfdeel, is de Heiland gestorven, om hen te verzoenen met God, waarbij de Heilige Geest de uitverkorenen deze verzoening met bewustheid zal leeren kennen en aanvaarden in het geloof, dat een gave Gods is. En zoo zal het loutere genade Gods zijn, dat de mensch zalig wordt, zoowel wat de verkiezing als wat het geloof aangaat — genade voor en genade na, alles genade ! — terwijl degene, die verloren gaat, geen beschuldiging tegen God kan inbrengen, verloren gaande om oorzake van eigen schuld en zonde, eigen ongehoorzaamheid en ongeloof.
Remonstrantsch is : dat de mensch door eigen gewilligheid behouden wordt. Gereformeerd is : dat de mensch enkel en alleen door Gods verkiezende genade zalig wordt, toegebracht in den weg des geloofs tot Jezus Christus, den Borg en Zaligmaker van al Gods uitverkorenen, van wie Hij straks zal zeggen : „Vader, hier zijn zij, allen die Gij Mij gegeven hebt — er wordt er niet één gemist.”

HET WERK VAN ONZE DIAKENEN.
We beleven moeilijke tijden, moeilijk ook door de economische crisis, die zooveel zorgen, armoede en gebrek brengt over vele gezinnen ; over vele gezinnen, die anders zoo niet van dezen nood wisten ; den nood bij de zorgen voor voedsel, kleeding, huisraad enz.
En onze diakenen komen daardoor voor vele moeilijkheden te staan. Neen, de Kerk van Christus mag niet opgaan in een Vereeniging tot behartiging van maatschappelijk hulpbetoon, om te zorgen voor voedsel, kleeding enz.
Maar de Kerk des Heeren moet met haar leden meeleven en wel acht geven op de vele zorgen en nooden en behoeften — de geestelijke nooden, maar óók de stoffelijke behoeften. En daarvoor is het diakonaat, het werk van onze diakenen, om als dienaren van Jezus Christus de Kerk te vertegenwoordigen bij hare leden, die hulpbehoevend zijn :
Het is goed, dat telkens: de nadruk gelegd wordt op de geestelijke zijde van het werk der diakenen. Want het moeten, als 't goed; is, geestelijke menschen zijn, die hun werk geestelijk weten te verrichten, zich bewust zijnde, dat ze geen bezoldigde ambtenaren van de burgerlijke gemeente zijn, ook geen bezoekers namens Maatschappelijk Hulpbetoon, maar dienaren van den barmhartigen Hoogepriester Jezus Christus, uitgaande om te troosten in Zijn Naam en tegelijk hulp te verleenen namens de Kerk aan de leden der Kerk, die onze zusters en broeders zijn.
Wij gelooven, dat het verschil tusschen Maatschappelijk Hulpbetoon en de Diaconie niet altijd goed gezien en gevoeld wordt. De kerkelijke armverzorging wordt dan een middel om aan paupers, die niets met de Kerk gemeen hebben, dan dat ze de hulp der Kerk inroepen en voortdurend in armoede leven, wat geld te geven. Dat geschiedt vormelijk en koud — wat niet de taak en de roeping der Kerk is, om alzóó te handelen.
De leden der Kerk, die kerkelijk meeleven en toonen tot de Kerk te behooren — niet maar met een papiertje — maar met hun belangstelling, die moeten geholpen worden, als er nood is, omdat ze broeders en zusters in het groote huisgezin des Heeren zijn en wij elkanders leden zijn. De diakenen, als dienaars van Jezus Christus, zijn dan geroepen dat priesterlijk werk der bediening der tafelen, in de inzameling der gelden van de meer gegoeden en de uitdeeling der gaven aan de minder bedeelden en nooddruftigen, te verrichten, gedrongen doof de liefde van Christus.
Op de laatste Diaconale Conferentie (een provinciale Conferentie van de Federatie) heeft ds. Bos, van Dedemsvaart, over de geestelijke zijde van het diakenambt gesproken, handelend over „De diaken en de zie1szorg”. We lazen daarvan dit verslag :
»Spreker ontvouwde enkele beschouwingen, waarbij hij van de reformatorische opvatting uitging, en concludeerde : de diaken is zielszorger. Hij komt tot hen, die in. stoffelijken nood zijn, althans in zorg voor het dagelijksche brood.
In hem wordt de dienst der barmhartigheid van de gemeente persoon. Hij komt met stoffelijke middelen, of komt spreken over heel gewone zakelijke dingen, of om een weg te vinden naar uitkomst en poogt daardoor een mensch te helpen, dat hij God en zijn leven weer ziet. Daarmee is gezegd, dat een diaconie, die de behoeftigen op een vastgestelden dag laat komen om het hun toebedeelde te halen, geen diaconie is ; dat is een onwaardig, menschonteerend gedoe. Dat de diaken zielszorger is, onderstelt allereerst, dat niemand die steun ontvangt, dit afhaalt, maar dat de diaken het gezin bezoekt. Het Evangelie, dat de diaken dient, is altijd nog waard om het te brengen. Dat is het a.b.c. der zielszorg van den diaken.
Spreker stond verder stil bij de vraag : hoever strekt zich de arbeid der diaconie uit. Sommigen zeggen, zoover mogelijk. Spreker is daarvan teruggekomen. Als de diaconie allen, die daarvoor in aanmerking komen, steun moet bieden, verliest ze haar krachten ; ze wordt maatschappelijk hulpbetoon. Van zielszorg is op dat groote arbeidsveld geen sprake. De diaconie bepale haar taak, begrensd binnen den kring dergenen, die getoond hebben en toonen in relatie met de kerk te willen staan. Zijn haar mogelijkheden binnen deze grenzen niet uitgeput, dan kan de grens verlegd worden in de richting, welke het reglement aangeeft. De geboden hulp moet goed zijn, zoo mogelijk definitief afdoende. De verleende steun moet opheffen, den behoeftigen zelfvertrouwen en zelfrespect geven of aankweeken.
Nog over een andere gewichtige kwestie is toen gesproken, door den heer W. J. Hemmes, van Utrecht, secretaris van de Federatie, die het onderwerp behandelde: „ Diaconale moeilijkheden van dezen tijd." Ook het verslag van dat referaat laten we hier volgen :
»Het zou ondankbaar zijn, zeide spreker, alleen te spreken over de moeilijkheden van den dlaconalen arbeid in dezen tijd. Het inzicht en de methode van werken bij de kerkelijke armenzorg zijn in de laatste halve eeuw aanzienlijk verdiept en verbeterd. Het meeleven van de diakenen met hun organisatie en de stichting van vele nieuwe tehuizen werden in dit verband genoemd. Toch zijn er thans vele moeilijkheden op ideëel en practisch terrein.
Spreker vroeg, of men steeds met vrijmoedigheid kan blijven vragen nu de tijden voor iedereen zoo moeilijk zijn. Dat mag alleen, als de beschikbare gelden met groote nauwgezetheid worden beheerd; Jen besteed. Gewenscht is, dat men zich steeds rekenschap geeft van het eigenlijk karakter van de kerkelijke armenzorg. In korte trekken werd het principieele verschil tusschen overheids-en kerkelijke steunverleening geteekend.
Moeilijke vragen van dezen tijd zijn : als zoovelen hulp behoeven, tot wie moet de steun zich dan uitstrekken ? Eisch van armverzorging door de kerk is, dat een band des geloofs bestaat. De geslachten van bedeelden, de paupers, behooren bij openbare armenzorg.
Thans is behoeftigheid een maatschappelijk verschijnsel. Daardoor komt de armverzorger thans met geheel andere menschen in aanraking en worden bijzondere eischen gesteld aan zijn tact en menschenkennis. Ook aan de geldmiddelen der diaconie. Men denke aan de kleine middenstanders, die zich niet anders dan met hulp staande kunnen houden.
Hoewel steunverleening in natura niet meer als een juiste diaconale werkmethode wordt beschouwd, is er, zeide spreker, thans dikwijls laanleiding toe om op deze wijze hulp te bieden ; in menig gezin raakt de linnenkast leeg of is groote behoefte aan kleeding en dekking.
Verder wees spreker er op, dat de verhouding burgerlijk armbestuur en diaconie in menige gemeente herziening eischte; er wordt nog te veel geld uitgegeven, dat diaconaal niet verantwoord is.
Voorts zorge de diaconie voor toepassing van verhaalsrecht en onderhoudsplicht. In de praktijk blijkt, dat, indien de diaconie haar taak ernstig opvat en belangstelling voor haar werk weet te wekken in de kerkelijke gemeente, nog ontzettend veel te bereiken is. Spreker deelde als recent voorbeeld hiervan mede, dat het tekort van de diaconie te Utrecht over 1933, dat meer dan ƒ10.000.— bedroeg, door extra giften in korten tijd werd gedekt.
In deze donkere tijden met moeilijkheden zonder tal zijn deze, zeide spreker tenslotte, alleen te overwinnen door juist inzicht en groote liefde van ambtsdragers en gemeenteleden.
Nu we toch over deze dingen schrijven, die ons midden in den crisistijd verplaatsen maken we hier nog melding van een belangrijke beslissing van den Minister van Sociale Zaken, prof. Slotemaker de Bruïne, in betrekking tot t.b.c.-patiënten en steunverleening aan dezulken.
In een circulaire aan de Gemeentebesturen zegt Z.Ex. dat, wanneer zulke t.b.c.-patiënten bijdragen ontvangen voor woningverbeteringen (bijdrage in de huur, om een grootere en betere woniag te kunnen betrekken met het oog op den zieke) deze bijdragen niet meer mogen worden afgetrokken van den steun, die men wekelijks van de Gemeente ontvangt. Zoo iets moet voortaan bij de steunverleening geheel buiten beschouwing worden gelaten.
Wij achten dit een groote verbetering. En wij zouden zoo van ganscher harte wenschen, dat in het algemeen een regeling kon worden getroffen, dat de ondersteuning en hulpverleening van de Kerk aan haar leden, geheel buiten de steunverleening van de Overheid kon blijven ; geheel of gedeeltelijk; maar dan toch zeker voor een bepaald deel.
Wij hopen, dat de Federatie van Diaconieën in deze zal doen wat mogelijk is bij den Minister — te meer, waar we een Minister hebben, die voor deze dingen een
pen oog en een open hart heeft.
Dat de liefde in 't midden van Christus' Kerk, ook met het oog op den komenden winter, mag opwaken, om met hulp van velen tot rijken zegen te mogen zijn voor tal van onze gezinnen.
Om Christus' wil!

DE OXFOR-BEWEGING.
Over de Buchman-of Oxford-beweging is in den laatsten tijd heel wat gezegd. Ons trof, wat op de laatste vergadering van de Zuid - Hollandsche Predikanten-Vereeniging te Rotterdam is besproken naar aanleiding van hetgeen ds. H. W. Creutzberg, van Scheveningen, daarover gezegd had. Het was van ds. C. een persoonlijk getinte causerie, waarna echter de tongen los kwamen. Hij sprak van „Wat in grooten zielenood zondige menschen voor elkander kunnen zijn, wijzende op de verlossende beteekenis en godsdienstige waarde van de biecht" ; waarbij de leidingen Gods en wat in de „housepartij's" boven het menschelijke uitgaat, werd besproken.
De heer G. H. L. Baron van Wassenaer, ook een ingewijde op dit gebied, was mede ter vergadering aanwezig tot het doen van aanvullende mededeelingen en het mede-beantwoorden van vragen, die in den boezem der vergadering rezen.
Een ernstige en vertrouwelijke gedachten wisseling ontspon zich daarna.
Theologische en psychologische vraagstukken kwamen daarbij ter sprake. Gewezen werd o.a. op het moeilijke, zoo niet onmogelijke voor menschen om elkanders biechtvader te zijn, waar alleen Christus zulks vermocht.
Moeten niet de meeste dingen in de stilte der intimiteit blijven ? Is niet het menschelijke leven altijd met een mysterie omhangen ? En is de intensiteit van de religieuse beleving met God niet zoo hoog, dat een volle mededeeling daarvan nutteloos en ontwijdend zou zijn ? Men moet zuinig zijn met spanningsvolle oogenblikken en voorzichtig met wat men „zeker weten" noemt.
In het licht werd gesteld het reactie-verschijnsel van onzen tijd. Niets kan gevaarlijker en soms ook pijnlijker zijn dan predikant te wezen, Hoe is het mogelijk, dat een mensch in ernst kan denken volledig te kunnen vertellen wat er in de diepte zijner ziel omgaat.
Typisch ziekelijk mag vaak heeten het wachten op het „komen" van „iets", de z.g.n. „doorbraak." Het schoone, eeuwig-onaantastbare in deze beweging hebben we te behouden, maar hoeden wij ons> voor het vervallen in een onbeheerscht, onchristelijk uiterste.
Van psychiatrische zijde werd ernstig gemaand tot vooral voorzichtigheid, door de leiding. Weliswaar is er een groote verlichting gelegen in het bespreken van zijn moeilijkheden, zijn zielekwellingen en nooden met een vertrouwde. Behoefte is er aan de biecht onder vier oogen met God, maar voorzichtig heeft men te zijn om dat in groot gezelschap te doen. Niet denkbeeldig is het gevaar van verwording, al heeft ook het leerstuk van de gemeenschap der heiligen eeuwig-diepen zin.
Tegenover de heilige dingen van God, waartoe een „house-partij" de weg kan zijn, staan andere dingen, dat er alreeds een caricatuur van de Oxford-beweging bestaat, dat er een sfeer geschapen wordt, die ovengevoeligheid wekt. De openheid slaat vaak over tot losbandigheid van tong.
Waar is nu bij de broeder van de Oxfordgroep de rem, de voorzichtigheidsmaatregel, waardoor misbruik kan worden voorkomen ? Het opzettelijke is een groot gevaar en er is wel reden tot afschuw voor een gemeenschappelijke doorleving. Moet er niet worden bedacht, dat Gods leiding bovenal een verborgen leiding is ?
Wij dachten, dat het z'n nut kon hebben deze bespreking in dien kring hier aan onze lezers voor te leggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's