MEDITATIE
KRUIS en VREUGDE.
Bekend is de spreekwijze : „Ieder huis heeft zijn kruis, elk hart zijn smart."
Zeker, zoo is 't. En toch, ach, had ieder huis maar meer van het kruis, elk hart meer van de ware smart. Wat zou de wereld er anders uitzien, inzonderheid in deze donkere dagen, waarin de gansche menschheid, ja, het gansche schepsel zucht als in barensnood !
Wat verstond vader Rhetorfort in zijn tijd, van voor ruim twee eeuwen, de waarheid van onze spreekwijze in de practijk van zijn leven en werken voor Christus. Vanuit zijn gevangenis schrijft hij aan een zijner vrienden : „Werp uw kruis niet weg, want gij werpt uw vreugde weg." Oppervlakkig gedacht, zouden we geneigd zijn uit te roepen : Hoe nu, kunnen kruis en vreugde wel samengaan ? Zij strijden toch tegen elkaar als water en vuur. En toch, het is proefondervindelijk bewezen, dat de ware Kruisdrager een vreugde geniet, die de wereld niet kent.
Denk aan de martelaren in vroegere eeuwen. Hoe hebben zij Simon van Cyrene benijd, dat hem van Godswege de hooge eer, de groote vreugde ten deel viel de eerste te mogen zijn, die het Kruis achter Jezus dragen mocht! Kruis en vreugde één, maar onder één beding : achter èn met Jezus !
Tekst : »Ik ben met Christus gekruist.»
Galaten 2 vers 20.
Aldus getuigt de Apostel Paulus van zichzelven. Dit is zijne belijdenis, tevens zijne beleving. Met deze woorden laat hij iets weten aangaande zijn leven op het apostelconvent te Jeruzalem, waar hij zijn medebroeder Petrus als in het aangezicht wederstond. Hiermede geeft hij te kennen, hoe verzekerd hij was van zijne gemeenschap aan den lijdenden Verlosser, alsmede van zijn deelgenootschap aan al de zegeningen, welke uit dat verzoenend lijden en sterven voortvloeien. Zóó volkomen meende hij wat hij daar schreef, dat hij er bijvoegt: „Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij." Duisternis en licht. Kruis en vreugde, maar onafscheidelijk van Christus !
In dienzelfden zin schreef hij ook aan de Romeinen : „Wij zijn met Hem gestorven. Houdt het daarvoor, dat gij der zonde dood zijt."
Paulus kende de vierderlei vereeniging met Christus : betrekkelijk, genootschappelijk, bevindelijk en gestaltelijk. Hoe zalig moet deze volle vereeniging met den Heere Jezus Christus dan wel niet zijn ; hoe zalig Zijn Kruisdood, Zijne heerlijke gehoorzaamheid aan God, Zijnen Vader, en de volle overwinning der zonde te mogen aanmerken als de onze, alsof wij zelven deze dingen volbracht hadden, en het te weten, dat dit heerlijk beginsel, door het geloof toegeëigend en bewaard, dagelijks krachtig werkt, om den ouden mensch te doen sterven en ons geheel te vernieuwen en te heiligen, zoodat wij in nieuwigheid des levens voor God wandelen.
Om nu tot dat nieuwe leven, dat geboren wordt uit het afsterven der oude natuur, te geraken, is niets noodig, dan het blijven in Christus, den Gekruiste. Het eerste woord van Christus tot de ziel, in hare roeping, is : , Kom tot Mij !", het laatste : „Blijf in Mij !"
Gelijk een takje op eenen sterkeren stam geent wordt en daardoor niet slechts in aanraking met den stam komt, maar ook levenskracht en groei daaruit ontvangt en daarmede als geheel vereenigd wordt, zoo moeten ook wij met Jezus ééne plante worden in de gelijkmaking Zijns doods; en heeft dit plaats, dan zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding ; wij zullen dan deelen in de kracht van Zijn leven.
In Zijn Kruisdood werd Hij gewond en in Zijne geopende wonden is als het ware de plaats, waar wij Hem ingeplant moeten worden, even gelijk de ent daar geplaatst wordt, waar de stam geopend en gesneden werd.
Zóó moet de geloovige met zijnen Heere verbonden worden, en daarom komt tot hem de roepstem : „Komt allen, ook gij, tot Mij, die vermoeid zijt met uwe zonden, beladen met uwe schuld, en Ik zal u ruste, vreugde, geven in Mijne wonden."
Daar ziet hij, hoe in de verzoening van het vleesch, die in Christus' verbroken lichaam is geschied, hem den weg geopend is, om Hem ingelijfd te worden en deel te hebben aan al de zegeningen Zijner goddelijke natuur.
De gewonde stam en de gewonde ent worden gesneden, om in elkander te passen, de een naar de mate van den ander, in gelijkvormigheid aan elkander. Alzoo moet er gelijkvormigheid zijn tusschen het lijden van Christus en uw lijden. Zijne ondervindingen moeten de uwe worden. Scheppard wijst hier met nadruk op, als hij zegt, dat de gerechtigheid van Christus niet alleen moet worden toegerekend aan de ziel, maar bovenal door s Heeren Geest haar moet worden ingeplant. Met Hem moet gij dus gekruisigd worden; evenals Christus, moet gij er dus toe komen om uw leven af te leggen, en alzoo in den weg des doods een nieuw en verzoend leven te ontvangen : gij zult dan ook ondervinden, dat de dood, dien gij, dat is uw oude mensch, sterven moet, een Kruisdood is : een dood van bittere smart èn zwaar lijden.
Doch daartoe komt de ziel alleen door de gemeenschap met Christus als medegekruisigd.
Daartoe kan zij alleen geraken, door gedurig (denk aan Asaf : Ik zal dan gedurig bij U zijn") in Hem, den Gekruiste te blijven; Hem in Zijne nederige geboorte, in Zijn lijden en strijden, inzonderheid aan Zijn Kruis te beschouwen èn te aanbidden als Dengene, met Wien ik één ben ; door mij met veel gebed, met innige zuchting en sterk verlangen aan Hem over te geven, opdat Hij mij opneme in de volle gelijkvormigheid Zijns doods.
Aan het Kruis komt Gods Zoon dan ook tot Zijn derde, zoo niet de diepste trap van vernedering, daar Hij zich met de menschheid heeft vereenigd en nu ondervindt, wat het zegt, een van het zondige menschdom te zijn en "deszelfs vloek te dragen ; aan het Kruis alleen komt de ziel tot de volle gemeenschap met Hem.
In den dood verwint de Levensvorst de macht des doods ; Zijn dood is de dood van den dood ; in den dood alleen deelt Christus de overwinning toe ; met Hem te sterven, wat is het anders dan deel-en lotgenoot te worden van Zijn leven ! De genade van Jezus, den Gekruiste, valt dan ook alleen te genieten, ja, vreugdevol in den weg van gemeenschap. Immanuël, God met ons !
Die nu met Christus is gekruist, is in alle deelen gekruist.
Het verstand, van te voren zoo speelsch en dartel, gekruist. De stoute, weerbarstige wil gekruist. De hartstochten en ongebreidelde driften.... gekruist. De op ijdelheid verzotte oogen gekruist. Het naar 't booze gerichte oor.... gekruist. iDe in ijdel geklap en gesnap zich verlustigende tong gekruist. De handen, uitgestoken naar het onrecht, de voeten, gekeerd naar den goddeloozen weg gekruist. Ja, zegt de Apostel (1 Cor. 9 vs. 27) : „Ik bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid." Eenerzijds smart, anderzijds vreugde. „Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven, maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven." (Rom. 8 : 13). Welaan dan, waarde lezer, maar naar de leerschool van Jezus, bij aan-of voortgang ! Daartoe niet te jong, ook niet te oud. Niet te rijk, ook niet te arm. Ach, neen, rijken en armen ontmoeten elkaar, de Heere heeft ze beiden gemaakt. Naar Jezus heen, in deze onze, o, zoo vaak donkere en duistere druk-en proefwegen, waarin de ziel, vaak zoo eenzaam en verlaten, den roep der oude Kerk herhaalt: Wachter, wat is er van den nacht ? " Naar Jezus heen, naar Zijn kruis, naar Zijne Vreugde ! Werp Jezus, uw Jezus, Zijn Kruis, uw Kruis, toch niet weg, want gij werpt uw vreugde weg ! —
Emst (Geld.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's