VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 14. Maak u eene ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken, en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.
XXVII.
„God zeide tot Noach." In deze woorden deelt ons de Schrift mede, hoe Noach van Godswege werd voorbereid op en geroepen tot den bouw der ark. En het heeft van oude tijden af de belangstelling gewekt van de gemeente, om te mogen inzien wat er dan alzoo met dezen Noach geschiedde, te mogen verstaan, hoe de Heere dan Zijn Woord aan Noach deed toekomen. Daaruit blijkt, dat de gemeente Gods met een oppervlakkigen uitleg van de Heilige Schriftuur nimmer tevreden is geweest. Zij heeft willen doorgronden, hoe zich dat spreken Gods tot Noach voltrok. Zij wilde den weg zien, die Gods woorden namen tot en in de ziel van Noach. Zij bleef er dus niet bij staan, dat er tot Noach een woord Gods uitging, maar zij wilde ook weten, hoe dit nu plaats greep. De gemeente heeft van oude tijden af dus eigenlijk eene verklaring van Gods Woord begeerd, die het innerlijke zielsgeschieden voor haar bloot legde. De bedoeling daarvan is steeds geweest, dat zij haar eigen leven daarin mocht leeren kennen. Dit blijkt ook uit de wijze, waarop met name de schrijver van den brief aan de Hebreen ons nader verklaart, hoe de Heere tot Noach heeft gesproken : „Door het .geloof", zoo zegt hij, Hebr. 11 : 7, „heeft Noach door goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin ; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is."
Hier wordt dus Gods spreken tot Noach, zooals ons dit in Genesis 6 wordt beschreven, verklaard als „door goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden." In den grondtekst van Hebr. 11 : 7 wordt dit door „goddelijke aanspraak vermaand zijnde" door een enkel woord weergegeven, dat gewoonlijk diende om te zeggen, dat koningen, machthebbers, hooggeplaatsten, dus krachtens het gezag, waarvan zij de dragers waren, aan gezanten of redenaars op hunne vragen met autoriteit een antwoord gaven. In de Schrift komt dit woord voor soms in de beteekenis van „genoemd worden", b.v. als er. Hand. 11 : 26, van de discipelen gezegd wordt, dat zij eerst te Antiochië Christenen „genaamd worden." Doch zooals het bij de heidenen gebezigd werd om het goddelijk orakel te noemen, zoo dient het in de Schrift om eene van Godswege toegekomen vermaning, waarschuwing, eene openbaring aan te duiden. Zoo worden, Matth. 2 : 12, de wijzen door goddelijke openbaring vermaand in den droom. En in vers 22 valt ditzelfde Joseph te beurt. En in Lucas 2 : 26 wordt Simeon door den Heiligen Geest eene openbaring gedaan. Cornelius, de hoofdman, wordt. Hand. 10 : 22, door een heiligen engel eene goddelijke openbaring overgebracht tet zijne vermaning. En Ron\, . 11 : 4 is het woord door onze vertalers eenvoudig overgezet door „goddelijk antwoord." Daaruit blijkt dus wel, dat het meestal voorkomt in den zin van eene aan menschen van Godswege toegekomen mededeeling. En alzoo verstaat het nu ook de Hebreënbrief van hetgeen ons aangaande Noach hier wordt verhaald, van hetgeen hem geopenbaard werd met betrekking tot den ondergang der oude wereld en wat aan Noach zelve te doen stond.
Zoo werd dus in de eerste plaats aan Noach een inzicht gegeven in „de dingen, die nog niet gezien werden", zoodat hij een profetisch inzicht kreeg in wat nog gebeuren moest, in datgene, waarvan nog niets te zien was, toen het woord Gods tot hem kwam. En daarin bleek nu juist Noach's geloof. Het wordt alzoo hier duidelijk, dat de oudste en eerste gemeente reeds een klaar besef van de verre draagkracht des geloofs heeft gehad, van die wondere uitwerking, die Gods Heilige Geest heeft in de ziel van Gods kinderen. Er was van hetgeen God tot Noach zeide, nog niets te zien, geen spoor van te ontdekken, niemand dacht er aan, ook Noach zelve niet. Hij had wel een oog voor de boosheid der wereld, voor haar zedelijke verwording, voor het feit, dat de Heere daarover met Zijne straffende gerechtigheid komen zou, maar van een vloed besefte hij niets, want er was in de natuur geen teeken, dat daarop wees. En juist daarom kan er nu sprake zijn van een daad des geloofs bij Noach, daar hij op het Woord Gods geloofde" datgene, waarvoor geenerlei grond gegeven was in de natuur der dingen zelve, waarvan dus ons natuurlijk verstand wel moest doen zeggen, dat het dwaasheid was, vreemd en ongelooflijk, in strijd met wat wij redelijkerwijze zouden mogen verwachten. Want dit is juist het eigenaardige in het waarachtig geloof, dat het op grond alleen van Gods Woord volstrekt zeker doet zijn van hetgeen naar menschen-inzicht onmogelijk moet worden geacht. Zoo heeft ook Abraham tegen hope op hope geloofd, dat hij een vader zou worden van vele volken, hoewel de natuurlijke gegevens de vervulling er van afsneden. En dat geloof was niet twijfelachtig, maar hij was ten volle verzekerd, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen. Het geloof is dus niet alleen, dat wij iets voor waar aannemen, doch veel meer dan dit is het de innerlijke verzekerdheid des harten van de almacht en waarachtigheid Gods, die het toekomstige tot een heden, het natuurlijk onmogelijke tot eene zekerheid stelt. Daarom ligt er in dat levende geloof in Gods Woord en toezegging zulk een rijke vertroosting, het baart te midden der woeling des levens eene wondere zielsrust, want in dat geloof is een zien van den Onzienlijke. En die zekerheid des geloofs was nu in Noach's ziel geboren. De Heere had hem den zondestaat der oude wereld klaarlijk ontdekt, zoodat hij er zeker van was, dat Zijne oordeelen niet konden uitblijven, omdat Gods heiligheid en recht dit vorderden. Een wereld vol wrevel en ongerechtigheid, in eene volkomen Godvergetenheid gedompeld, had geen bestaansmogelijkheid. Zij had in zichzelven de bron van hare oordeelen, want in de uitgieting der zonde wordt de menschheid door haar eigen goddeloosheid verslonden. In alle revolutie is dat zoo geweest. Het zedelijk verval dompelde de volken onder in den vloed der de maatschappij ontbindende krachten. Dat het dus op deze wijze niet kon voortgaan met die oude wereld, daarvoor was Noach's oog wel open. De Heilige Geest had er hem voor ontdekt, maar dat het oordeel voltrokken zou worden op geheel andere wijze, op eene wijze, waarvoor er in de natuur der dingen geen grond was te vinden, dat kon Noach niet weten en werd hem door Gods woorden geopenbaard. En in die Openbaring ging hij nu met zijn gansche ziel op door het geloof.
Voor het natuurlijk verstand was daarvan niets te ontdekken, maar aan Noach's zekerheid werd daardoor niet tekort gedaan. Het geloof werkte in zijne ziel eene onderwerping aan die sprake Gods, die hem van alle twijfeling afsneed. Zoo werd dus in Noach's ziel eene heilige vreeze gewekt voor de rechtvaardige oordeelen Gods. En daardoor onderscheidt zich nu de gemeente des Heeren. En daarom kan zij ook nooit geen vrede hebben met eene leer, die Gods recht en oordeel, die Zijne vrijmacht der genade aantast. Gods Kerk heeft gezien, hoe Gods Woord het gansche wereldleven zet in het licht van dat recht, zooals zij ook diezelfde wereld ziet in de vrijmacht der verkiezende genade Gods. Zij kan daarom geene algemeene verzoening prediken, omdat daarmede de souvereine majesteit des Heeren in Zijn recht en in Zijne genade wordt aangetast en de eere van het Wezen Gods daarmede wordt aangerand. Dat doet de natuurlijke mensch, want als wij de menschen gelooven wilden, dan zijn zij, hoe goddeloos en meedoogenloos zij ook zijn, toch nog veel barmhartiger dan God zelve. Soms schijnt het, als zouden zij Gods recht wel verbeteren, de heele wereld wel beter hebben willen inrichten? * een andere en volmaakter wereld hebben kunnen scheppen zelfs. In al zulke leeringen nu komt de blindheid van den natuurlijken mensch aan den dag, die door zulke theorieën en leeringen bezig is zichzelven te misleiden door de beteekenis zijner eigen zonde te verkleinen en zichzelven een vrijsprekend vonnis te geven.
Hoe geheel anders verschijnt ons nu Noach, als de Heere hem Zijne oordeelen aankondigt. Hij komt onder den indruk van de heilige vreeze voor Gods recht. Hij bukt in gehoorzaamheid des geloofs, wanneer de Heere hem die gansche menschenwereld laat zien als bestemd tot den ondergang. Hij zoekt geen valsche uitvluchten in eene algemeene redding, omdat de Heere zoo goed zou zijn, dat zij er met hare zonde en goddeloosheid toch nog wel goed af zou moeten komen. Hij predikt geen valsche, zondig-menschelijke liefde-voorstelling van God, als ware Hij, de Heere, de eeuwige Schepper van de einden der aarde, een mensch als Eli, wiens zonen kinderen Belials waren en den Heere niet kenden, goddelooslijk leefden en niets anders tot hen zeide dan, dat het geen goed gerucht was, dat hij van hen hoorde. Zulk een Vaderliefde is er in het goddelijk deugdenbeeld niet, omdat Hij een heilig God is, die tot de gansche wereld zegt: „Zijt heilig, want Ik ben heilig", en die Zich, omdat de wereld Zijner stemme niet gehoorzaam is, een uitverkoren geslacht roept, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, dat de deugden verkondigen zal Desgenen, die het uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. En van dat volk zegt Hij, dat het oordeel beginne van het huis Gods, en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het evangelie van God ongehoorzaam zijn ? Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en de zondaar verschijnen ?
Zoo is het dus het ongeloof in Gods recht, dat de wereld er toe brengt zich leeringen te verzinnen, die de heiligheid en het recht in Gods Wezen ontkennen, opdat zij zich aldus zelve een vrijbrief zal toekennen om straffeloos te zondigen. Zoo zeggen zij tot de menschen : maakt u maar niet bevreesd, God is veel te goed dan dat Hij over de menschen een eeuwig oordeel brengen zal. Hij is veel te goed, dan dat er alleen slechts een uitverkoren volk het leven zien zal. En zoo wordt zij in den slaap harer zonde gesust, wordt de consciëntie toegeschroeid en leven de menschen voort onder een valsche hope, die gewisselijk beschamen zal. Doch bij Noach zien wij daarvan niets. Des Heeren woord was tot hem uitgegaan, dat Hij komen zou met 'Zijn recht en oordeel en dat die gansche oude menschheid zou worden verzwolgen tegenover een enkel gezin slechts, dat behouden zou worden. En hij vreesde, daar hij des Heeren Woord geloofde, ook al scheen alles daartegen te pleiten. Hij was van de vreeze Gods vervuld en daarom vreesde hij, want hij was ontroerd door het vreeselijke, het geweldige van dat Woord en oordeel. Zijn geloof bracht hem in die vreeze. Zoo zien wij, hoe reeds in Noach een klaar geloof was geboren en dat dit heldere geloof heel iets anders is dan wat men er in dit moderne leven van maakt. Die algemeene verzoeningsleer is er juist op uit om de ware vreeze te dooden in den mensch, om hem af te brengen van bezorgdheid voor zijn eeuwig heil. Het komt immers toch alles terecht, waarom zal de mensch dan vreezen ? Hij kan rustig voortleven in zijne zonde en onbekeerlijkheid, hij kan het vleesch blijven dienen zijn gansche leven door, waarom zou hij zich bekommeren, daar immers er toch geen recht Gods en geen oordeel Gods is, noch komt. Dit is juist het verderfelijke, dat de geruste in Zion maar kan blijven rusten, dat de wereld maar kan voortleven, dat zij doen kan, als is er geen God, die oordeelt in gerechtigheid. Zulk een leer streelt den natuurlijken mensch en leidt hem met deze gansche oude wereld naar den eeuwigen dood, ook al heeft de Heere wel zijn Woord tot haar gezonden door zijne knechten, vroeg op zijnde en zendende. Maar zij hebben niet gehoord en ook niet willen hooren. Maar Noach hoorde, geloofde, en zijn hart was ontroerd over het vreeselijke, dat gewisselijk komen zou.
In die ontroering der vreeze wordt nu ook openbaar, dat er in dat waarachtig geloof ook de wortel der liefde leefde. Dat hij werd aangegrepen door vreeze, was het teeken van die innige, teedere liefde, die zich ontzet over de zielen, die de Heere gemaakt heeft, en die naar Hem niet hooren en dwalen tot het eeuwig verderf. In zulk een leer der algemeene verzoening is geen ware liefde, al spreekt zij er vaak druk over. Zij kent geene ontroering als hier een Noach toont, maar slechts eene verharding. Zij maakt zich niet op om de zielen te redden, want waarom zou zij ook ? Het komt alles terecht, zoodat aan het oordeel de prikkel des rechts, aan de zonde de prikkel des doods wordt ontnomen. Doch in Noach's ziel is er het geloof in de heerlijkheid van Gods recht, in de souvereiniteit Zijner genade, en daarom zegt de Hebreënbrief van hem, dat hij „door goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden", met vreeze vervuld werd en in geloofsgehoorzaamheid zijn geloof openbaarde in de daad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's