De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN

5 minuten leestijd

Mijnheer de Redacteur !
In het nummer uwer courant van 8 November 1934 komt een artikel voor van een vader, die eenige bedenkingen heeft tegen het boekje : „Maarten Luther", geschreven door ondergeteekende.
Mag ondergeteekende even vertellen, hoe het boekje ontstaan is ?
Hij werd aangezocht, om tegen Hervormingsdag een boekje over Luther te schrijven. De baten zouden komen aan de Bondskas, ten behoeve van arme Zondagsscholen.
En nu het boekje ! Zijn stijl en voorstelling was niet, zooals „de vader van het tienjarig dochtertje" dit wenschte. Bovendien was de inhoud niet „gezond Gereformeerd".
In dit boekje wordt geleerd, dat wij, tengevolge van Adams val, ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, zoodat wij, om in het Koninkrijk Gods in te gaan, „wederom geboren" moeten worden.
Spreekt de Heidelberger Catechismus niet dezelfde taal ?
In dit boekje heeft ondergeteekende gesteld, dat wij vanwege aangeboren en werkelijke zonden onder Gods schrikkelijken toorn liggen.
Stelt de Heidelberger of eenig belijdenisschrift van de Gereformeerde religie het anders ?
In dit boekje heeft ondergeteekende geschreven, dat wij door Gods Geest en Woord uit de Wet tot kennis van zonde en ellende gebracht moeten worden, opdat wij met den Heidelberger zouden leeren vragen : aangezien wij dan naar dit rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er dan eenig middel, waardoor wij deze straf ontgaan mogen en wederom tot genade komen ?
In dit boekje heeft de ondergeteekende tevens er op gewezen, dat wij onze reinigmaking en zaligheid buiten ons, enkel in Christus' zoenverdienste zullen moeten leeren zoeken, en dat wij als „goddeloozen" om niet, uit genade, door het geloof, door de verlossing, die in Christus Jezus is, gerechtvaardigd moeten worden, en dat zulk een oprecht geloof noodzakelijk vruchten der dankbaarheid waardig zal voortbrengen.
De „vader van het tienjarig dochtertje" moge dit nu smadelijk een eigen gevonden „wegje" noemen, maar daarbij maakt hij zich als een „on-Gereformeerde" openbaar, al moge hij zich dan ook de kroon van een „gezond Gereformeerd" op het hoofd zetten.
Eenparig toch hebben al de Kerken der Reformatie dit als de weg ter zaligheid gesteld en van geen enkele andere willen weten, dewijl Gods Woord geen andere leert.
't Is in onze dagen „mode" geworden om onder de vlag van „gezond Gereformeerd" allerlei on-Gereformeerde leering aan de markt te brengen. Ook de „vader van het tienjarig dochtertje" geeft blijk daarvan schoon verstand te hebben. Hij toont dit in heel zijn stuk. Hij toont dit, ook waar hij zich stoot over een paar uitdrukkingen, die geheel conform Gods Woord en de belijdenisschriften der Gereformeerde Confessie zijn. Hij toont dit wel allermeest, waar hij verklaart, dat zulk een leer en weg door kinderen niet te verstaan zijn, want daar maakt hij zich tot tolk van alle vijanden van de Gereformeerde leer, die alle eeuwen door het zelfde lasterpraatje verkocht hebben.
Hoe ergerlijk gedraagt de „vader van het tienjarig dochtertje" zich, indien hij de oude. Gereformeerde, Engelsche schrijvers lastert om ze fel te bespotten, nog uit hunne graven ophaalt. Daaronder zijn er, die eenmaal bloedgetuigen van Christus' Waarheid geweest zijn en op brandstapel en schavot hun leer met hun bloed bezegeld hebben.
Tenslotte heeft de , ; vader van het tienjarig dochtertje" zich beklaagd over mijn „Nederlandsche taal." De eenige, die zich daarover tot dusverre beklaagt, is hij. Maar, indien de „vader van het tienjarig dochtertje" dan waant zooveel beter, krachtiger en zuiverder te kunnen schrijven, laat hij dit dan niet aanwenden om zijn medeburger in zijn naam en goede leer aan te tasten, of om daarmede onder de vlag van „gezond gereformeerd" de Waarheid aan te randen, want dan misbruikt hij zijn „schoone Nederlandsche taal", waar hij zich een meester in waant te zijn, al heel erg en geeft blijk van het schoone „Nederlands" in het geheel niet te verstaan.
U nogmaals dankend voor de opname, verblijft met hoogachting,
K. MAATJES,

Hfd. der „Wilhelmus van Nassouwe-School" Delft.
Geachte Redacteur,
Dank voor de toezending van het antwoord van den heer Maatjes. Mag ik er een enkele kantteekening bij maken ?
Meester Maatjes vergist zich. Hij staat niet voor een klas kinderen. Wanneer uit de klas een vraag komt, waar de meester mee „zit", dan kan hij er wat om heen praten. Hier niet. Het gaat er alleen om, dat de heer Maatjes in een boekje voor kinderen, in 1934 verschijnende, deze zin laat drukken : de steunsels, waarop hij als zoon der Katholieke kerk bouwde, moesten bevonden worden niets te zijn, ja, tegenstaand het genadewerk des Heeren.
Meester Maatjes vergist zich. Hij staat niet voor een klas kinderen. Wanneer uit de klas een vraag komt, waar de meester mee „zit", dan kan hij er wat om heen praten. Hier niet. Het gaat er alleen om, dat de heer Maatjes in een boekje voor kinderen, in 1934 verschijnende, deze zin laat drukken : de steunsels, waarop hij als zoon der Katholieke kerk bouwde, moesten bevonden worden niets te zijn, ja, tegenstaand het genadewerk des Heeren.
De vraag is nu : Is dat een knieval voor de vrome termen, ja dan neen. Is het een eis van de zuivere gereformeerde leer, dat dit zo gezegd wordt of niet. Is het ook, paedagogisch gezien, wenselijk het zo te zeggen, ja of neen.
Daar gaat het om en om niets anders. Hoewel ik geen onderwijzer ben, moet ik zulk een praterij als het verkopen van vrome praatjes signaleren. Als het stond in een boek voor ouderen, was het óók onzin. Nu het staat in een boekje voor kinderen, weiger ik als vader het godsdienstig leven mijner kinderen door dergelijke taal te laten verwringen.
Als de heer Maatjes durft te verklaren dat bovengenoemde term èn theologisch èn paedagogisch nodig is, dan zal ik mij wenden zowel tot  een bekend gereformeerd theoloog, als tot de redactie van een vakblad  van christelijke onderwijzers, teneinde een uitspraak te  krijgen. In dit laatste — het schrijven naar
een vakblad voor onderwijzers — heb ik veel zin. Hoewel zelf geen onderwijzer, hoop ik, als voorzitter van drie scholen en als bestuurslid van een vierde, toch wel
op gastvrijheid in een dergelijke krant. Nog Altijd:
„VADER."
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

INGEZONDEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's