De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

12 minuten leestijd

Genesis 6 : 14. Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.

3e Serie.
XXVIII.
Het woord, dat God sprak tot Noach, vond weerklank in zijne ziel, zoodat een heilige vreeze voor de oordeelen, die komen zouden, hem beving. Hij ontroerde bij de gedachte aan het lot dezer wereld, tot welke hij zich gezonden wist. Hij geloofde Gods woorden, ook al waren er in de natuur der dingen, zooals hij deze zag, geene teekenen, die op een komenden, geweldigen, allen verdelgenden vloed wezen. Hij was diep doordrongen van de waarheid van Gods heilig recht. Hij was onder den indruk van de grootheid, heiligheid en almacht Gods, zag God door het geloof, genoot dus een teederen omgang met den Heere, zoodat de vreeze, die Noach aangreep, niet als een angstige vrees moet worden beschouwd, maar als een eerbiedige onderworpenheid, die hem er toe leidde ten nauwste acht te geven op des Heeren wenk. En onder den druk der eerbiedige vreeze, beluisterde hij Gods sprake, die tot hem zeide : „maak u een ark van goferhout." Deze ark wordt met een ander woord genoemd dan de ark, die in Exod. 25 : 10 wordt vermeld, waar de Heere door Mozes' mond den kinderen Israels opdraagt een heiligdom te maken, opdat Hij in het midden van Israël wonen zou. De Heere zou hem het voorbeeld des tabernakels wijzen en van het gereedschap. En daaronder was nu ook de „aron", de ark van sittimhout, waarboven het verzoendeksel met de Cherubim, waarin het getuigenis was en vanwaar de Heere komen zou om te spreken tot Zijn volk. De ark, waarvan tegenover Noach sprake is, wordt „theba" genoemd, zooals ook het kistje heette, dat Mozes' moeder voor hem maakte (Exod. 2:3).
Dat was een geloofsdaad, want te midden dezer oude wereld was het inderdaad iets nieuws, iets ongehoords. Het was een geweldig bouwwerk, waaraan veel arbeid moest worden besteed. Welk een opspraak werd daardoor verwekt en hoe stond de massa verbaasd over de dwaasheid van dezen man, die vele jaren aaneen werkte aan het voortbrengen van deze groote kist. Als zij het werk zagen, de naarstigheid, waarmede hij zich inspande van dag tot dag, van jaar tot jaar, terwijl er toch niets te zien was, dat op het mogelijk nuttig gebruik van dit gevaarte wees, dan wordt het ons duidelijk, dat Noach op deze wijze wel den indruk moest maken van een man, die, hoe verstandig hij overigens mocht wezen, toch in deze zaak handelde als een waanzinnige. De wereld, die van Noach's leven niets verstond, die alleen zijne daden zag, moest wel verbaasd staan bij de aanschouwing van dit werk, dat jaren aaneen, volgens sommigen wel 120 jaren lang, werd voortgezet. Rusteloos en zonder ophouden ging Noach voort, al zijn kracht en al zijn vermogen offerend aan dien bouw. Dat was. de daad des geloofs, de kracht des geloofs, waardoor hij in voortdurende gehoorzaamheid aan het woord Gods, dat tot hem uitgegaan was, werd gehouden. Alles offerde hij op aan de volbrenging van dat ééne groote werk, dat de wereld met verbazing vervullen moest.
En zoo wordt deze Noach het blijvend exempel van de, door de wereld onbegrepen, wondermacht des geloofs. Gods kinderen zijn onbegrijpelijk, voor de wereld, daarom soms ook onverdragelijk. De wereld, ook die oude wereld, hoe goddeloos zij was, hoe diep ook zedelijk gezonken, was toch niet zonder godsdienstigheid. Indien wij haar hadden kunnen zien, zou het gebleken zijn, dat zij, evenals het Athene, waar de apostel Paulus optrad, alleszins godsdienstig was. Godsdienst, hoe deze was en waartoe hij leiden kon, dat was haar niet vreemd. Dat was haar evenmin vreemd, als aan onzen modernen tijd die godsdienstige gevoelens vreemd zijn. Integendeel was het toen als nu. Het godsdienstig gevoel maakt zelfs opgang in onze dagen. Hoewel de volkstelling ook moge uitwijzen, dat de invloed der Kerkformaties dalende is in deze Westersche maatschappij, daarnevens is het een merkwaardig verschijnsel, dat de thermometer van het godsdienstig gevoel stijgende is. Hoewel er in dezen tijd van ontwikkeling en verlichting niets is, waarvan de menschen minder weten dan van den eenigen en waarachtigen God, zij zijn toch uitermate godsdienstig. De moderne wereld is vervuld met uit het Oosten overgebrachte mystische vereeringsvormen, waarin het gevoel, de ziekelijke sentimentaliteit den toon aangeeft. Onze groote bladen brengen wekelijks de advertenties, die Oproepen tot samenkomsten, waardoor wij herinnerd Worden aan de heidensche mysteriën, die in de eerste eeuw onzer jaartelling in de mode waren. Godsdienstig is de wereld wel, maar aan het leven van Gods ware Kerk is zij vreemd, dat begrijpt zij niet en verstaat zij niet. En als zij er van hoort, dan gaat het met haar als met de oude wereld, die Noach aan het werk zag, tientallen van jaren rusteloos arbeidend, terwijl zij verstomd stond over den waanzin van dien man. Hoe zou de wereld het leven van Gods kinderen begrijpen, wanneer zij hoort van hunne worstelingen en gebeden, geboren uit de nooden hunner ziel! De kinderen dezer eeuw hebben daar immers nooit last van, kennen geen zielestrijd om verlossing uit de diepten van hunne ellende. Ja, ook zij kennen wel verdriet en tegenslag en worden wel gebroken door het levensleed, maar de klachten van Gods kinderen verstaan zij niet. Als zij er van hooren, vinden zij die „naar" en „vreemd". En de vraag wordt wel gesteld : hoe kan iemand toch zoo tobben ! Is dan God niet goed en is er dan Jezus niet, die immers zoekt en zalig maakt die verloren is !
De kinderen dezer wereld schuiven den levensstrijd van zich af, brengen de stem der consciëntie tot zwijgen, zien hun leven niet in het licht van Gods recht en waarheid. Het zal alles wel afloopen, zoo meenen en zeggen zij, maar van de worstelingen van het volk Gods weten zij niet, willen zij niet weten, want zij begrijpen dat volk niet. De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, zij zijn hun dwaasheid, omdat zij het geestelijk orgaan missen om deze te waardeeren. Dat iemand om zekerheid worstelt aangaande zijnen eeuwigen staat, dat hij spreekt van des Heeren vrees, het schijnt hun als een soort ziekte te wezen, waarmede men kan worden bezocht. Vooral in onze dagen, waarin de psychologie zulk een opgang maakt, waarin de meening veld won, dat ons geestelijk leven in het algemeen, met name ook ons religieuse leven uit psychische processen, die met het geslachtsleven zoo nauw verband houden, kan worden verklaard, is de kans groot, dat het gansche leven van Gods kinderen wordt gewaardeerd als resultaat eener speling van psychische krachten, waaraan zeker niet het kenmerk der waarheid kan worden toegeschreven. Zoo worden Gods kinderen in de oogen der moderne wereld dwazen, op wier getuigenis men niet te veel moet achten, dwazen worden zij, die al maar bezig zijn met de dingen, die buiten deze wereld liggen, overspannen van geest, vreemdelingen op aarde.
En wanneer daar nu nog bijkomt, dat zij den moed hebben om te getuigen, om op te komen voor de waarheid, om anderen aan te zeggen den eisch van bekeering tot God, van waarachtigheid des levens, wanneer zij den moed hebben te spreken van Gods recht en oordeel, dan worden Gods kinderen ook nog door de wereld als „lastige menschen" nagewezen. Ik zal het niet ontkennen, dat er ook onder Gods kinderen lastige menschen worden gevonden, alleen tevreden met zichzelven. Er zijn er wel, die zichzelven als maatstaf nemen, waarnaar anderen worden geoordeeld. Het moet erkend, dat de zonde van den geestelijken hoogmoed onder hen heerschen kan. Maar hoezeer ons dit ook een oorzake tot verootmoediging moge wezen, wanneer Gods kinderen getuigen van de waarheid van Gods Woord, van Zijn eeuwig recht, gelijk als van de vrijmacht Zijner genade, wanneer zij zelven, overtuigd door den Heiligen Geest van zonde, van gerechtigheid en oordeel spreken, dan juist worden zij een ergernis voor de wereld en geldt van hen Jezus' toezegging : „Indien u de wereld haat, zoo weet, dat zij Mij eer dan u heeft gehaat." En die haat komt het meest dan openbaar, als het gaat om de zuiverheid van Gods waarheid. Wie daarvoor opkomen, worden als de bekrompenen nagewezen, zoodat zij vaak vereenzaamd gaan door het leven.
En zoo was het nu ook met Noach. Hij hoorde de sprake Gods : „Maak u een ark van goferhout" en hij bouwde daaraan in gehoorzaamheid meer dan eene eeuw lang voor de oogen dezer verbaasde wereld, die hem niet begrijpen, noch ook waardeeren kon. Zij stond verstomd over de dwaasheid van dien man, die een groot gevaarte bouwde op het droge, hoewel het bestemd was om straks te drijven op de wateren, die een schip bouwde, terwijl er geen water was, waarop het kon varen. En bovendien, terwijl hij daarmede bezig was, predikte hij, deed hij een roep tot gerechtigheid en bekeering uitgaan, zegde hij het komende oordeel aan, dat hem door den Heere geopenbaard was. Geen wonder, dat zij dezen vreemden man, die ongehoorde dingen deed, hebben bespot en toen hij van het toekomend oordeel sprak, hun de ongerechtigheid aanzegde, op hunne zonde hen wees, toen hebben zij ook dezen Noach hun wrevel getoond, werd ook hij getroffen door hun haat, daar zij zich veroordeeld wisten in hunne consciëntie.
Zoo werd dus de sprake Gods tot Noach, in geloof ontvangen, een daad van gehoorzaamheid, die een diepen indruk maken moest op de wereld door haar buitengewonen aard. Zij werd alzoo nog een laatste machtige prediking, die echter aan de oogen en de ooren der oude wereld voorbijging. De ark, die Noach bouwen moest, kon door hare gansche inrichting het bewijs leveren voor het alomvattend oordeel, dat aangezegd werd. Immers, het werd aangezegd, hoe deze ark moest worden gemaakt. „Met kameren" moest zij worden voorzien. Er staat letterlijk, dat zij moest gemaakt worden met „nesten", die hier echter
"kameren", door anderen „cellen" en door Prof. Böhl „vakken" worden genoemd. De bedoeling is duidelijk, wijst op eene inrichting der ark, die plaatsruimte bieden kon om niet slechts den menschen woning, maar ook den dieren een stalling te bieden voor langeren tijd. En bovendien moest zij van binnen en van buiten met pek worden bestreken.
Zoo werd het dus aan de oude wereld duidelijk gemaakt, dat het oordeel door een geweldigen vloed zou worden gebracht, waarop deze ark met haren inhoud veilig zou kunnen drijven. En zoo wordt het ook duidelijk, dat deze ark, die redding bieden kon, wanneer de wateren van Gods oordeel zouden komen over de oude wereld, in de Schrift verschijnt als een profetische figuur van Christus' Kerk, als die schuiling bieden kan tegen den vloed van Gods wraak over der menschen ongerechtigheid. Wanneer wij namelijk in de gemeenschap dier Kerk intreden door waarachtig geloof, wanneer wij, zooals Noach, haar in geloof mogen ontvangen op des Heeren Woord, haar mogen kennen als de door den Heere ons bereide schuilplaats. Daarom vergelijkt nu ook de apostel Petrus den doop met deze ark. Hij Spreekt, 1 Petr. 3 : 21, van een anti-type, en noemt dus den doop als naar het voorbeeld van de ark en wat er met en door deze ark is tot stand gebracht, ingezet en nagebeeld. Zooals wij nu door den doop Christus en Zijne Kerk worden ingelijfd en alzoo redding ontvangen, zoo was ook de ark voor Noach. Maar om ons nu goed te doen verstaan, dat zooals het voor Noach een daad des geloofs was, waardoor hij naar des Heeren Woord hoorde en daaraan gehoorzaamde, het ook voor ons inzake den doop een zaak des geloofs moet zijn, daarom omschrijft de apostel dezen doop ons nauwkeurig. Hij voegt er aan toe: niet die eene aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die eene vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus." Het is dus niet de doop als een vorm, waarover hij handelt, maar de ware doop, die door geloof geschiedt, wanneer de zondaar als een levend lidmaat den Heere Jezus en dus Zijne Kerk wordt ingelijfd. Die ware doop is er dus zulk een, waarbij de zondaar, in de opstanding van den Heere Jezus begrepen, de gerechtigheid van den Middelaar deelachtig wordt. Hij wordt ééne plante met den Heere Jezus in de gelijkmaking Zijns doods, om ook ééne plante met Hem te zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding. En hij wordt ééne plante met den Middelaar alleen door het geloof en ontvangt alzoo in den Heere Jezus, met de gansche Kerk, die Zijn lichaam is, behoudenis ten leven.
Zoo nu heeft Noach Gods opdracht beluisterd en in den bouw der ark, in hare inrichting en bepekking, aan de oude wereld een prediking gebracht in de daad des geloofs. Alleen in deze ark was 'behoudenis voor den toekomenden toorn. Maar de wereld kon hem niet verstaan. Zij leefde rustig voort, ging op in de vreugde, die haar geboden werd met het vermaak, dat zij als eenig levensdoel nastreefde. Zij had genoeg aan haar materialistische cultuur. Zij vierde hare bruiloftsfeesten, leefde voor eene, naar haar meening, wolkelooze toekomst, kende geen zorg en geen vrees. Haar hemel scheen wolkeloos, terwijl zij zich niet kon voorstellen, dat de donkere nevelen reeds opdoemden aan den horizon. Noach en zijne ark, Noach en zijn profetisch woord waren haar een dwaasheid, zoodat zij Hem verwierp, die waarlijk tot haar sprak. En daarom, zij kon niet behouden worden, omdat zij haren ondergang niet vermocht te zien. Alzoo wordt ook die oude maatschappij het blijvend voorbeeld van de toekomst der wereld, die in het booze ligt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's