HET LEERSTOEL- EN STUDIEFONDS
Hoe zullen zij hooren zonder die Imn prediict ? Rom. 10 vers 14b.
Een der middelen, waardoor de Gereformeerde Bond de Waarheid tracht te verbreiden en te verdedigen, is „de oprichting en instandhouding van een of meer Leerstoelen aan een of meer der Nederlandsche Rijksuniversiteiten", om alzoo wetenschappelijk onderwijs te doen geven in de Gereformeerde Godgeleerdheid.
Waarom zou een fonds tot de oprichting van een of meer zulke Leerstoelen niet slechts wenschelijk, maar ook noodzakelijk zijn?
Om op die vraag een antwoord te geven, is het noodig dat wij ons een oogenblik indenken in het diepe verval van onze Ned. Hervormde Kerk. In hoevele gemeenten onzer Kerk toch wordt de Waarheid Gods niet verkondigd naar de meening van den Heiligen Geest. In hoevele gemeenten strijdt de prediking des Woords met de „Drie Formulieren van Eenigheid", die nog altoos als de Belijdenis onzer Kerk kan worden aangemerkt. Niet slechts wordt door onderscheidene predikanten onzer Kerk het plaatsbekleedende van het dierbaar lijden en sterven onzes Heeren Jezus Christus geloochend, maar hoevelen zijn er niet, die zelfs de waarachtige Godheid van den Middelaar durven aantasten, om nu nog maar te zwijgen van allerlei andere meer of minder grove ketterijen, die allerwegen worden gehoord.
De oorzaak van dezen droeven toestand kan wel worden nagespeurd.
Zeker, eensdeels ligt deze in de verkeerde bestuursinrichting onzer Kerk, in de z.g.n. Synodale Organisatie, waardoor het de Kerk onmogelijk is haar Belijdenis te handhaven. Maar anderdeels ligt deze in de opleiding, die onze aanstaande dienaren des Woords aan de verschillende Hoogescholen genieten. Behoudens enkele uitzonderingen toch, is niet slechts de inrichting, maar ook de geest van dat onderwijs met de Belijdenis onzer Kerk in onverzoenlijken strijd. Wanneer wij dan ook denken aan de tegenstellingen der valschelijk genaamde wetenschap, die aan onze Universiteiten ten aanhooren van zoovele toekomstige dienaren der Kerk worden aanvaard, dan is het waarlijk niet te verwonderen, dat zoovele leiders van ons volk in den grond der zaak niet anders dan verleiders zijn. Immers ook van de dienaren des Woords geldt het: hoe zullen zij hooren zonder die hun predikt ? Hoe zullen zij anderen leiden in de paden van Gods Woord, indien zij zelve op die paden niet geleid zijn ? Hoe zullen zij anderen leeren strijden den goeden strijd des geloofs, indien zij zelve niet met hun beide handen omklemd hebben het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord ?
Het is dan ook van het allergrootste belang, dat de aanstaande dienaren onzer Kerk wetenschappelijk onderlegd zullen worden niet in strijd, maar in overeenstemming met de Belijdenis der Kerk, die zij straks zullen dienen.
En nu moeten wij niet zeggen — hetgeen wel eens door sommigen gezegd wordt — dat kan de Heere wel doen, dat moeten zij op de school des Heiligen Geestes maar leeren. Immers aan de eene zijde is dat volkomen waar. Ook wij wenschen dat niet te weerspreken, dat het niet genoeg is alleen de aardsche Hoogeschool bezocht te hebben, indien men op de Hoogste aller Scholen, n.l. op de School des Heiligen Geestes, een vreemdeling bleef.
Maar wij moeten een penning altoos aan beide zijden bezien. En ook deze penning heeft een keerzijde, waarvoor wij niet blind mogen zijn.
De zaak staat dan ook niet zóó, dat wie de Hoogeschool des Heiligen Geestes kent, de Hoogeschool dezer aarde wel missen en desnoods verachten mag. Althans dat mag niet als regel gesteld. Zeker, er zijn op lederen regel weer uitzonderingen. De Heere blijft altoos vrij, en om dat te toonen, zijn er in de geschiedenis der Kerk wel menschen geweest, aan wien de Heere zooveel inzicht in de Waarheid en zooveel „singuliere gaven" geschonken had, dat zij zonder wetenschappelijke opleiding toch nuttig in de bediening des Woords gearbeid hebben. Maar door deze uitzonderingen is de regel niet te niet gedaan, dat de mannen van beteekenis, die de Heere in den loop der eeuwen aan Zijn Kerk schonk, mannen waren, die niet slechts op de Hoogeschool des Geestes, maar ook op de Hoogeschool der aarde hun opleiding hadden gehad.
Of zou het ons niets te zeggen hebben, dat b.v. Paulus, de groote heidenapostel, die het waarlijk niet uit hoogheid des harten gezegd heeft, dat hij overvloediger gearbeid had dan de anderen, aan de voeten van Gamaliel onderwezen was ? En zou het ons ook niets te zeggen hebben, dat onze meest beroemde Gereformeerde geleerden, als Calvijn, Voetius, a Marck, Comrie en anderen, niet slechts inwendig op de School des Geestes, maar ook verstandelijk op de aardsche Hoogescholen zijn gevormd ?
Geheel in overeenstemming daarmee is ook, wat onze Heidelbergsche Catechismus leert in de 38ste Zondagsafdeeling ter verklaring van het 4e gebod, „dat niet alleen de Kerkedienst, maar ook het predikambt en de Scholen onderhouden moeten worden."
Ook daaruit blijkt duidelijk, dat onze aanstaande dienaren des Woords niet slechts geestelijk, maar ook wetenschappelijk gevormd moeten worden. Zij moeten zichzelf en anderen ook wetenschappelijk rekenschap kunnen geven van de verschillende vraagstukken, die aan de orde komen.
Niet het minst in onze tegenwoordige dagen, waarin de wetenschappelijke vragen zich vermenigvuldigen, moeten zij door woord en daad kunnen toonen, dat metterdaad de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid, het beginsel van alle ware wetenschap is.
Laten wij dus niet meenen, dat wij ons van deze zaak kunnen afmaken door te zeggen: „de Heere zal het wel doen", of „op de Hoogeschool des H. Geestes moet het geschieden."
Immers wie dat zegt, hij heeft nog maar de ééne zijde van den penning bezien, hij heeft dus nog maar een halve waarheid uitgesproken, en als hij dan de andere helft verzwijgt, dan kon het wel eens blijken, dat ook die halve waarheid in zijn mond een leugen was geweest.
Daarom kunnen wij er niet genoeg op aandringen, bij degenen, die in onze Kerk de Waarheid liefhebben, dat zij toch ook in dezen de twee zijden der Waarheid zullen bezien. En dan zullen zij 't aan de ééne zijde een voorrecht achten, wanneer daar dienaren des Woords zijn, die het met den apostel getuigen kunnen : „hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u", maar aan de andere zijde zullen zij ook eischen, dat de dienaren der Kerk mannen zijn, die op de wetenschappelijke vragen van hun tijd het antwoord niet behoeven schuldig te blijven.
En wanneer gij dien eisch, op grond van Gods Woord, aan uwe dienaren stelt, zoudt gij dan niet de pogingen steunen die door den Gereformeerden Bond worden aangewend, opdat aan dien rechtmatigen eisch meer en meer zal worden voldaan ?
Immers alléén in den weg van de zuivere bediening des Woords zal de Waarheid Gods oók met betrekking tot ons kerkelijk leven, en onze droeve kerkelijke toestanden meer en meer worden verstaan en alleen door die Waarheid kan onze Kerk vrij worden, en zal zij weer worden, wat zij nu in zoo menig opzicht niet is, een stad op een berg die niet verborgen kan zijn.
Dat allen die onze Kerk liefhebben dus doen wat hunne hand vindt om te doen om mede te werken tot versterking van ons Leerstoelfonds en van ons Studiefonds ; en dat onze gemeenschappelijke bede dan mocht opklimmen tot Hem, die, als wij geplant en natgemaakt hebben. Zijnen goddelijken wasdom daarop schenken wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's