De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

NIETSWAARDIGE UITVLUCHTEN.

8 minuten leestijd

Ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken ? Ik heb mijne voeten gewasschen, hoe zal ik ze weder bezoedelen ? , Hooglied 5 vers 3.

Het vers, dat aan bovenstaand tekstwoord voorafgaat, verhaalt ons, dat de bruidegom staat aan de deur van de kamer der bruid, kloppende en roepende, opdat hem worde opengedaan. Ziet, zoo klopt ook Christus aan het hart van den zondaar en roept: doe Mij open! Hij komt met waarschuwende en lokkende stem, met bedreigingen en met. beloften, opdat de deur des harten Hem worde ontsloten, en wijst daarbij op Zijn lijdensgestalte, op alles, wat Hij voor Zijne Kerk heeft doorgemaakt om haar zalig te maken, zeggende : „Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijne haarlokken met nachtdruppels."
Maar welke uitvluchten worden er dan vaak bedacht, om maar neer te blijven liggen op het leger zijner vleeschelijke gerustheid, en de harte-deur gesloten te houden !
De bruid antwoordt : „Ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken ? Ik heb mijne voeten gewasschen, hoe zal ik ze weder bezoedelen ? "
De rok, dat is het wijde gewaad, hetwelk men in het Oosten droeg. Hij werd uitgedaan, als men zich te slapen neerlegde. Die rok was bestoven door het gaan langs den weg en werd afgelegd om den volgenden morgen, gereinigd, wederom te worden aangetrokken. En alvorens men zich op de legerstede neerlegde om te gaan rusten, werden de voeten, die alleen van sandalen voorzien waren, gewasschen.
Zoo had de bruid zichzelve opgefrischt en alles in orde gemaakt om eens heerlijk te rusten. Maar nauwelijks is zij in slaap verzonken, of daar wordt zij opgeschrikt door een geklop op de 'deur van hare kamer en' een geroep : doe mij open.
Wrevelig geeft zij i echter ten antwoord : moet ik dan mijn bestoven rok weder aantrekken en mijne gewasschen voeten dan weer bezoedelen ? Zij wil zeggen : hoe kunt gij zooiets van mij nu verlangen ?
W. L., Wij vinden hier eene verontschuldiging van zeer twijfelachtigen aard. Welk een nietswaardig excuus wordt hier aangevoerd ! Was dan die geringe moeite haar te groot voor haren bruidegom, die zooveel voor haar had doorstaan ?
Maar wordt op zulk een wijze ook niet heden ten dage nog vaak op fatsoenlijke wijze den Heere Jezus de deur gewezen? Er wordt wel eens gezegd, dat Christus niet alleen de deur kan worden uitgeworpen, maar dat men Hem ook met eene buiging de deur uit laten kan.
Wij ontmoeten wel eens op huisbezoek van die menschen, die het openlijk erkennen, dat zij niets voor Gods Woord gevoelen, dat zij geen lust hebben om naar de kerk te gaan en hun eigen weg begeeren te bewandelen. Het zijn dezulken, die er vooral in ongodsdienstige kringen velen gevonden worden, die zeggen : wijk van ons, aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust!
Maar men treft er óók anderen aan, die zich op een andere wijze verontschuldigen. Zij zeggen niet, dat zij van de Waarheid niet gediend zijn ; neen, soms wordt zelfs beweerd, dat men haar gaarne mag hooren verkondigen. Doch men kan er niet tegen, zoo lang in de kerk stil te moeten zitten; daar wordt men zoo duizelig van, en daarom vindt men het maar heter thuis te blijven, om geen opschudding te maken.
Of ook wel, men vindt, dat door predikant en kerkeraad te weinig aandacht aan eigen persoon geschonken wordt. Ja, sommigen doen net, alsof het opgaan naar Oods huis een soort beleefdheidsbezoek is, een tegenbezoek aan den leeraar of de opzieners, en diakenen der gemeente gebracht. Men verstaat het dan niet, dat als de kerkklok luidt, God zelve hen roept om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten.
Anderen geven een vromen schijn aan 't wegblijven uit het huis des gebeds. Zij hebben, zoo zeggen zij, hunne plichten ten opzichte van hun huisgezin te vervullen, die zij niet mogen nalaten, alsof, wanneer er een wil is, er ook niet vaak een weg gevonden kan worden.
Ook zijn er, die zich verre verheven wanen boven hetgeen in de kerk gepredikt wordt; die meenen in hun eigenwillige vroomheid daar niets meer te kunnen leeren, hunne leeraars verre overtreffende in de kennis van den weg der zaligheid.
Maar het kan zijn, M. L., dat, ook al onttrekt men zich niet aan het opgaan naar het huis des Heeren, de kloppende Jezus nochtans buiten de deur des harten gesloten blijft en men weigert om Hem binnen te laten.
Ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe zal ik hem wederom aandoen ? Dat heeft ook een geestelijken zin. Onder het gewaad wordt in de Heilige Schrift wel eens het wezen van den mensch verstaan. Dat is te begrijpen. Onze kleeding is maar niet iets bijkomstigs, maar daarin komt ook uit, in zeker opzicht althans, iets van de geaardheid des menschen.
Onze kleeding doet ons iets kennen aangaande onzen persoon. Daaraan kan men dikwijls zien, wien men voor zich heeft. Daarom spreekt Gods Woord ook van een gewaad, als van den toestand des menschen gesproken wordt.
Ons wordt gezegd, dat wij den ouden mensch moeten uitdoen en den nieuwen mensch moeten aandoen. Als een kleed moet de oude mensch met al zijne zonde en deugd worden afgelegd, en de nieuwe mensch in Christus als een feestkleed worden aangetrokken.
De bruidskerk meende het al ver gebracht te hebben. Neerliggende op de sponde harer vleeschelijke gerustheid, verklaart zij, dat zij haren rok heeft uitgetogen en zij heeft er geen lust in dien wederom aan te doen.
Dat is die rok, die van het vleesch bevlekt is ; dat is dat gewaad, waarvan wordt verklaard, dat al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Dat kleed van den ouden mensch is onrein.
Wel — zoo wil de bruid zeggen — ik heb mijn zondig leven afgelegd. Ik ben een ander mensch geworden. In onzen tekst is eene ziel aan het woord, die meent den rok der zonde te hebben uitgetogen, en die zegt : gij zult van mij toch niet verlangen, dat ik dien weder aandoe ?
Ja, ik heb mijne voeten gewasschen, hoe zal ik ze weder bezoedelen ! Hier is eene ziel aan het woord, die getuigt: ik heb mijn wandel onbevlekt gehouden na vernieuwing des levens. Ik behoef mijzelf niet meer te beschuldigen wegens een misstap, door mij begaan.
Het kan zijn, W. L., dat zoo spreekt de in zichzelf deugdzame mensch, die als de rijke jongeling geen levende kennis bezit. Het kan zijn, dat zoo hóóg staan zij, die roemen als de Farizeer in de gelijkenis, omdat zij niet zulke zondaren zijn als andere menschen. Zij hebben — zoo zeggen zij — hun onreinen rok uitgetogen. Zij hebben hunne vuile voeten gewasschen. Zij voelen geen lust op te staan van de legerstede hunner vleeschelijke gerustheid, om Christus open te doen. Zij hebben Hem feitelijk ook in het geheel niet noodig. Degenen, die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn en dat ook willen bekennen. Laat de Heere Jezus daar maar staan aan de deur van het hart; zij begeeren niet Hem de deur te ontsluiten om door Hem gereinigd te worden.
W.L., Zulk een gedrag is van den natuurlijken mensch te verwachten. Ook de vrome duivel kan Christus uitwerpen en buitensluiten. Dat kan óók het geval zijn, als men een grond voor zijne zaligheid maakt van een diepe ontroering, van een breken met een bepaalde zonde, van eene bekeering tot de deugd, van een zich voegen bij eene bepaalde Kerk of godsdienstigen kring of van een volgen van de zuivere Waarheid. Men heeft zijn rok — zoo denkt men — uitgetogen ; men heeft zijn voeten — zoo meent men — gewasschen, maar Christus heeft men niet noodig.
Er wordt soms zooveel over den Christen en zoo weinig over den Christus gesproken. Zooveel wordt er vaak geroemd in den mensch en dé Heere Jezus wordt dan niet beleden als het eenig fundament des behouds.
Zeker, wij zeiden : dat is te verwachten van hem of haar, die géén genade kent. Maar in ons tekstwoord is er een aan het woord, die kon verklaren : ik sliep, doch mijn hart waakte. Hier spreekt eene ziel, die een inwendig levensbeginsel bezit, hetwelk niet kan vergaan, en dat is zoo ontroerend.
Ook zij, die leerden verstaan dat een zondaar slechts uit genade om Christus' wil behouden wordt, kunnen nog zoo hooggevoelende zijn. Zijt met de ootmoedigheid bekleed, want God wederstaat den hoovaardige, maar den nederige geeft Hij genade.
Met uitgetogen rok en met gewasschen voeten zal men den kloppend en Jezus niet opendoen. Bij aanvang of bij vernieuwing moet men zich aan Hem vertoonen in arme zondaarsgestalte. Bekleed met het vuile gewaad zijner zonde en schuld. De voeten, die nog zoo dwaalziek zijn, bezoedeld met ongerechtigheid. In zulk een gedaante heeft men behoefte aan Hem, Die reinigt en vernieuwt door Zijn bloed en Zijn Geest. Want Hij roept geen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.
Dat wij dan 7, 06 tot den Heere Jezus leeren komen en op Zijn kloppen en Zijn geroep de deur des harten voor Hem ontsluiten, opdat Hij binnenkome om ons om niet te rechtvaardigen.
Zalig dan zij, die Hem ontvangen als verloren zondaars in zichzelven, om door Hem gered en behouden te worden. En die met den psalmist steeds weer moeten zingen :
»Gelijk een schaap, heb ik gedwaald in 't rond. Dat onbedacht zijn herder heeft verloren. Ai zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond. Want hij volhardt naar Uw geboón te hooren.«
O.-B.

G. ENKELAAR.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's