De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

ONZE TAAK.
Met het verschijnen van het eerste nummer van »De Waarheidsvriend« wenschen wij het zonder eenig voorbehoud en als onze vaste overtuiging uit te spreken, dat ook in de kolommen van ons blad ruimte behoort te zijn voor het bespreken van de belangen van „Staat en Maat­schappij." Wij staan niet op het standpunt en gaan niet van de meening uit, dat in een blad, waarin de Gereformeerde beginselen worden voorgestaan, gelijk wel eens beweerd wordt, alleen maar plaats is voor stichtelijke lectuur, voor zaken, het kerkelijk leven betreffende, of voor dergelijke onderwerpen meer, zoodat alles wat niet tot die dingen behoort, of er niet onmiddellijk mede in verband staat, contrabande zou zijn.
Deze beschouwing is niet de onze. Het is niet het beginsel, waaruit wij leven, en waarmede wij accoord gaan. En wel eenvoudig hierom, omdat het niet overeenkomstig het Woord Gods is. God de Heere is Koning op alle terrein van Kerk, School en Gezin; maar ook voor Staat en Maatschappij hebben wij naar Zijne ordinantiën te vragen en naar die ordinantiën te leven. Dit is de eisch, dien de Heere ons doet hooren.
Ook onze Gereformeerde Vaderen hebben steeds zoo gedacht. Zij schreven in Artikel 36 der Geloofsbelijdenis:
»Wij gelooven, dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts. Koningen, Prinsen en Overheden verordend heeft, willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles met goede ordonnantie onder de menschen bega.«
Vooral op dit: „dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën" komt het hier aan. Die wetten en politiën hebben ons niet onverschillig te laten. Integendeel, wij hebben ze te prijzen en mede te werken, dat ze in hunnen grondslag overeenkomstig het Woord zijn en niet tegen de Goddelijke ordinantiën, in dat Woord vervat, ingaan.
En de opstellers van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis staan hier in hun meening niet alleen. Ook Calvijn sprak in denzelfden geest. Zelfs zegt de groote Hervormer het veel sterker nog, als hij in zijne „Institutie" opkomt tegen de eerste tegenwerping der Wederdoopers, luidende : „dat de burgerlijke regeering een Christenmensch niet past." Calvijn voert daartegen dan aan :
De uitzinnige menschen, die vermaak en behagen hebben in eene ongebonden vrijheid, roepen en pochen wel aldus: Nademaal wij door Christus den elementen dezer wereld gestorven zijn en in het Rijk Gods overgezet zijnde, zitplaats hebben onder de inwoners des Hemels, zoo betaamt het ons niet, en 't is verre beneden onze waardigheid, onszelven bezig te houden met deze onheilige en onreine bekommeringen, dewelke de handelingen dezer wereld betreffen en van dewelke de Christenen zeer verre vervreemd, en afgezonderd zijn moeten.«
Daartegen nu voert de groote Hervormer aan :
»Maar gelijk wij kort voor deze geleerd hebben, dat deze wijze van regeering (burgerlijke regeering) onderscheiden is van het geestelijk en inwendig Rijk van Christus, alzoo moeten wij óók weten, dat ze tegen elkander niet strijden.
Calvijn gaat dan verder met te spreken over de vrucht en nuttigheid dezer burgerlijke regeering, om daarna de taak en de roeping der Overheid vast te stellen.
De opstellers der Gereformeerde Geloofsbelijdenis, zoowel als Calvijn — en er ware gemakkelijk nog tal van uitspraken van Gereformeerde schrijvers aan toe te voegen, om van eene zelfde meening te doen blijken — staan dus zonder eenige reserve op dit standpunt, dat krachtens de Gereformeerde beginselen geen onverschilligheid mag bestaan voor het staatkundige en maatschappelijke leven, dat we in de burgerlijke regeering en in de Overheid, inzettingen Gods hebben te zien en dat het onze roeping is, dat ook op dit publieke terrein overeenkomstig het Woord worde gehandeld.
Wij kunnen en mogen ons daarom niet terugtrekken of ons afkeerig toonen, om in Staat en Maatschappij voor de eere van Koning Jezus op te komen. Dit doende, zouden wij de Schrift terzijde stellen en op eigen gekozen wegen gaan wandelen. Daaraan doen wij niet mede, en daarom zullen wij, onder beding van Gods gunste, ook op die punten de lezers van de Waarheidsvriend blijven voorlichten.
3 December 1909.

DE BEWAPENINGSWEDLOOP.
Het vraagstuk der landsverdediging heeft, zooals te verwachten was, bij de behandeling van de Defensiebegrooting in het centrum der belangstelling gestaan.
De bewapeningswedloop der mogendheden ; de vervolmaking van de oorlogsuitrusting der strijdmachten ; het uittreden van Duitschland uit den Volkenbond als gevolg van de verbittering van dat land over de rechtsongelijkheid, geschapen door het vredesverdrag van Versailles ; het mislukken van de verschillende ontwapeningsconferenties te Geneve en niet het minst de voor het behoud van den Europeeschen vrede zoo netelige Saarkwestie, waren toch alle onderwerpen, die ditmaal de bijzondere aandacht vestigden op den toestand, waarin op dit oogenblik leger en vloot hier te lande verkeeren.
Reeds deed de Troonrede mededeeling van de groote bezorgdheid der Regeering voor de toekomst der menschheid, omdat moest worden vastgesteld, dat bijna allerwegen de drang naar sterke bewapening herleefd is.
Deze mededeeling der Regeering geeft een juist beeld van den internationalen toestand, gelijk deze zich in de defensiepolitiek der mogendheden ontwikkelt.
Duitschland is, naar de buitenlandsche pers bericht, gereedgekomen met den bouw van de grootste vliegtuigenfabriek ter wereld, waardoor het mogelijk wordt in zeer korten tijd aan de groote militaire luchtvloot van onzen oostelijken nabuur nieuwe eskaders vliegtuigen toe te voegen. Blijkens de mededeeling, die in het Engelsche Lagerhuis Winston Churchill de vorige week deed, zouden de Duitsche strijdkrachten, die van Engeland op het eind van 1936 met 50 percent en op het eind van 1937 met 100 percent overtreffen. Duitschland bezit, zoo vervolgde het Engelsche parlementslid, 200—300 handelsvliegtuigen, die in bombardeervliegtuigen veranderd kunnen worden. Een en ander is oorzaak geworden, dat ook Engeland zijn luchtvloot opnieuw gaat uitbreiden. Aangekondigd werd, dat tot den bouw van 300 nieuwe toestellen zal worden overgegaan. Daarnaast staan de verhoogde Duitsche oorlogskredieten ten dienste van de bewapening der defensiemiddelen ter zee en te land, aan welke kre­dieten onlangs weer nieuwe millioenen zijn toegevoegd. Tevens doen geruchten de ronde, dat Duitschland doende is om zijn staande leger van 100.000 man, te veranderen in een leger met korten diensttijd van 300.000 man, de eisch, dien het stelde, toen het uit den Volkenbond te Geneve trad.
In Frankrijk is 3 milliard (drie duizend millioen) francs gevoteerd geworden ten behoeve van de uitbreiding, versterking en betere uitrusting van de strijdkrachten. De Minister van Luchtvaart te Parijs gaf opdracht tot den aanbouw van 60 nieuwe oorlogsvliegtuigen.
In Zwitserland is een buitengewoon krediet van 82 millioen Zwitsersche francs, dat is 40 millioen gulden, toegestaan voor bewapening en uitrusting van het leger, en dat terwijl de Zwitsersche defensieuitgaven per hoofd van de bevolking reeds aanmerkelijk hooger zijn dan die van Nederland en in dat land een marine ontbreekt.
In Zweden zijn in den loop van dit jaar door verschillende groepen van Rijksdagafgevaardigden niet minder dan 11 initiatief-voorstellen ingediend tot verhooging van de defensiebegrooting van 1934.
In Denemarken heeft de opperbevelhebber van land-en zeemacht voorstellen bij de Regeering aanhangig gemaakt ter verbetering en ontwikkeling van het leger.
In Rusland deelde de Volkscommissaris van Defensie op 15 September in een vergadering te Smolensk mede, dat in de laatste jaren het leger tot een schitterend geheel was opgebouwd, en dat het Russische leger thans het modernste leger was, dat gebruik maakte van de meest recente ontdekkingen van wetenschap en techniek.
In België worden naast de gepantserde verdediging van de oostelijke grens geen kosten gespaard om ook de kracht van het veldleger zoo hoog mogelijk op te voeren. Hetzelfde geldt voor de bewapening en de uitrusting der weermacht. Bekend is, dat de sterkte der lichting dienstplichtigen in België tweemaal zoo groot is als de sterkte der lichting hier in Nederland en dat wat de encadreering van het Belgische en Nederlandsche leger betreft, de officiersencadreeringen zich verhouden als 3 : 1, 4236 Belgische officieren tegen 1314 Nederlandsche officieren, en de onderofficiers-encadreeringen eveneens als 3 : 1, 9106 Belgische onderofficieren tegen 3100 Nederlandsche onderofficieren.
Al deze gegevens en cijfers, die met meerderen zouden zijn aan te vullen, wijzen op een bewapeningswedloop der mogendheden, welke tot gevolg heeft vermeerdering van oorlogsgevaar.
Het spreekt van zelf, dat Nederland in verband met zijn centrale ligging en met de kans om in een eventueelen nieuwen oorlog betrokken te worden, tegenover dezen drang naar sterkere bewapening geen onverschillige houding kan en mag aannemen.
Het is toch niet zooals b.v. de ontwapenaars beweren, dat ons land geen aanval heeft te duchten, wanneer wij maar zeggen ons niet te zullen verweren of wel, dat, wanneer Nederland aangevallen wordt en wij zelf geen hand naar behoud uitsteken, andere mogendheden zich haasten zullen om ons uit de gevaren te verlossen.
Het moge juist zijn, dat de houding van Nederland moet gericht zijn op medewerking aan de internationale rechtshandhaving door den Volkenbond, maar wat zou Nederlands positie zijn, wanneer bij het uitbreken van een oorlog de Volkenbond niet den invloed zou blijken te bezitten om tot een gemeenschappelijk optreden der mogendheden te geraken en ons land beschikte dan niet over een krachtige, goed uitgeruste weermacht ? Dan was het met ons zelfstandig volksbestaan al spoedig afgeloopen.
De ligging van Nederland te midden van de West-Europeesche Rijken maakt het noodig, dat ter handhaving van de neutraliteit en voor het behoud van de zelfstandigheid over een weermacht wordt beschikt, die in staat is het land zoo krachtig mogelijk te verdedigen tegen een inval van vijandelijke legerscharen. Zou de Regeering nalatig zijn in het organiseeren van een dergelijke weermacht en Nederland dientengevolge een krachtig leger moeten missen, dan zou daarvan het gevolg zijn, dat ons land bij het uitbreken van een oorlog in West-Europa, het operatieterrein werd van vijandelijke legers.
Het was goed dat bij de behandeling van de Defensiebegrooting ditmaal het vraagstuk der landsverdediging in het centrum der debatten werd gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's