WAT WIJ NIET WILLEN
Nadat we nu met 'n enkel woord gezegd hebben wat wij willen, n.l. verzamelen blazen in het midden van onze Ned. Hervormde Kerk, om zoodoende meer een band te mogen leggen tusschen Broeders en Zusters, die saam de Gereformeerde Waarheid belijden en liefhebben, om langs dien weg van eendracht en saambinding meer invloed te kunnen uitoefenen in het midden van de Hervormde Kerk — ons Vaderlijk erfgoed — en zoo mede te kunnen werken aan het herstel van hare muren, die jammerlijk verbroken liggen, willen we nu in dit tweede artikel op eene zaak wijzen, die we n i e t willen. We willen niet werken met de leuze : Volkskerk, maar we spreken om bijzondere redenen van de Gereformeerde Kerk.
En wel, daar naar ónze meening het woord Volkskerk te veel de gedachte op den voorgrond plaatst: dat héél het volk, burgerlijk genomen, in de Kerk moet worden opgenomen, waarvoor de Kerk dan maar wat door de vingers moet zien en dus wat water in den wijn moet doen, wat prediking. Sacramentsbediening en Kerkregeering betreft, daar anders héél het volk in ééne Kerk niet bij elkaar te houden is.
Deze meening en deze gedachte mogen wij niet opwekken bij de menschen, en deze redeneering — bij velen gevonden — moeten we bij onze Bondsactie van den beginne af aan op een verstandige manier en met redenen omkleed, tegen gaan.
Want een Kerk, die zich zóó zou willen inrichten en die dat als het hoogste ideaal najaagt, zou hoogstens een Evangelisatievereeniging kunnen genoemd worden, maar den naam van Kerk van Christus zou zij verbeuren.
Wij willen — gelijk het Gereformeerd Protestantisme ons dat leert — uitgaan van de Schrift. En de Schrift spreekt er altijd van : dat de Kerk des Heeren Jezus Christus als haar eenig Hoofd en Gods Woord als haar eenige Wet heeft te erkennen ; haar belijdenis heilig houden moet, waken tegen allerlei leugenleer en dwaling, waken ook tegen het trouweloos schenden van Gods Verbond, en de Sacramenten nooit mag bedienen op grond van vleeschelijke redeneeringen, maar naar de instelling van Jezus Christus.
Dat moet in onze Kerkbeschouwing vóór alles uitkomen. En we mogen niet de barmhartige spelen, met loslating van hetgeen de Heere in Zijn getuigenis duidelijk heeft geopenbaard.
Onze Gereformeerde Vaderen hebben dan ook nooit gesproken van Volkskerk, maar altijd gezegd, dat de Kerk in dezen lande zich als de Gereformeerde Kerk had te openbaren, met Gereformeerde belijdenis en Gereformeerde wijze van Kerkregeering.
Fier namen onze Vaderen positie in op de Dordtsche Synode tegen de leugenleer, die uit het midden van het volk opkwam, te kort doende aan Gods vrije genade, aan de kracht van Christus' zoendood en aan de zondigheid des menschen. En zeer zeker zouden de Gereformeerde Kerken van Nederland meer dan eens na 1618— '19 in Classicale Vergadering, in Provinciale Synode, maar ook in Nationale Synode vergaderd hebben om de belijdenis der Waarheid naar Gods Woord te verdedigen en de leugenleeringen te onderzoeken en te veroordeelen, ware het niet, dat de Overheid, door een geest van heerschzucht en valsche verdraagzaamheid bezield, vijandig staande tegenover de Gereformeerde Waarheid, de Kerk met geweld op het doode punt had gehouden, door aan de Kerk beslist te verbieden in eigen, wettige vergadering bijeen te komen.
En op dat punt vastgezet, is het voor de Kerk geworden een indommelen en verachteren wat de Waarheid betreft, waardoor de verwarring hoe langer hoe meer is toegenomen, 't Eene is een gevolg van het andere. Wanneer men den weg van Gods Woord moedwillig verlaat, wijkt Gods Geest en neemt de verwarring toe.
De Geest zoekt steeds het Woord. Waarom ook de beminnaars van Gods Woord vrijmoedigheid bekomen om den Heere te smeeken van Zijn Geest uit te storten, de belofte hebbend, dat de Heere hen niet zal beschamen. Bewaren we Gods Woord niet als onzen hoogsten schat, en weigeren we om onze wegen te richten naar dat Woord, dan zal de Geest van ons wijken en Hij zal niet onder ons bevonden worden tot leven en vrede en vreugd. Dat bewijst de geschiedenis van onze Vaderlandsche Gereformeerde Kerk.
Men heeft Gods Woord verlaten, en de Geest Gods is geweken — waarbij men niet maar kan volstaan met te zeggen : „het ontbreekt aan de werking des Geestes, en die Geest zal eerst terug moeten komen, dan zal ook de Kerk weer gaan bloeien." Want dan vergeet men één ding, en wel : dat de Geest Gods, Gods Woord zoekt en dat het bidden om den Heiligen Geest gepaard moet gaan met een wederkeeren tot des Heeren inzettingen. Men ziet dit laatste zoo dikwijls over het hoofd. Men spreekt maar over den Geest, alsof Gods Geest los staat van Gods Woord. En men vergeet, dat de belofte, den Heiligen Geest te zullen ontvangen als men om Hem bidt, alléén vervuld wordt aan de beminnaars van des Heeren Woord, die lust betoonen in Gods weg te willen wandelen. „Heer, ai maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend" bidt de Psalmist.
En daarom moet er alles op worden gezet, dat in het midden van de Kerkeraden, Classicale Vergaderingen, Provinciale Synoden en Nationale Synoden, Gods Woord weer terug komt, om tot regel gesteld te worden voor leer en leven, om saam weer te bukken voor Gods getuigenis en saam onze Gereformeerde belijdenisschriften weer ter hand te nemen als leidraad voor prediking, sacramentsbediening en kerkregeering. De Kerk moet weer onder de tucht van Gods Woord komen en als het ons waarlijk droefheid mag worden, dat wij Gods Woord verworpen hebben en Gods wegen verlaten en Gods geboden geschonden, dan zal niet gevraagd worden naar menschengunst en er zal niet gevreesd worden voor menschengeweld — dan zal begeerd worden, om alles weer te mogen inrichten naar Gods bevelen en de dwaling zal bestreden worden met de waarheid, de ongehoorzamen zullen vermaand worden in liefde, de ongeregelden ingetoomd met kracht, de wederstrevers buiten gesteld met ernst — wetende, dat zij, die dan, na ernstig vermaan, óf naar een ander Kerkgenootschap overgaan, óf als „niet behoorende tot eenig Kerkgenootschap", wenschen voort te leven, niet door de Gereformeerde Kerk willekeurig zijn afgesneden, maar naar eisch van Gods Woord.
Ze gaan dan uit, omdat ze, na ernstig vermaan, zich weigeren te bekeeren tot den levenden God en blijven volharden in het booze.
We mogen geene Kerk hebben, waar alles geoorloofd is, waar alles mag worden gepredikt en alles wordt toegelaten in zake de Sacramentsbediening.
We mogen geene Kerk hebben, waartoe de Overheid allen dwingt in te gaan.
We willen eene Gereformeerde Kerk, met Gereformeerde belijdenis. Gereformeerde prediking. Gereformeerde bediening der sacramenten. Gereformeerde tuchtoefening — waar dus alles ingericht wordt naar uitwijzen van Gods Woord, gelijk onze Vaderen dat in de Drie Formulieren van Eenigheid zoo schoon hebben uiteen gezet, 't welk wij nog gaarne beamen.
Om dan als Kerk des Heeren van dezen lande, waarbij zich allen te voegen hebben, die den Heere begeeren te dienen naar Zijn Woord, de heerlijke en rijke schatten van Zijn genadeverbond te verkondigen, aan duizenden dergenen die Zijne geboden onderhouden, en zoo in het midden des volks te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid, binnen uitdeelend, wat de Heere belieft te geven, en naar buiten inwerkend op hen, die nog vervreemd zijn van den weg der zaligheid, hen roepende tot bekeering.
En dat willende, wenschen wij niet bij voor-' keur te spreken van „Volkskerk" en „héél de Kerk en héél het volk", zooals de anderen wel doen.
Dat kunnen we niet, dat mogen we niet, dat willen we niet.
Niet uit zucht tot partijschap of scheuring. Geenszins !
Maar om der waarheid wil mogen we dat niet doen.
Bij eene presbyteriale Kerkregeering hoort geen Volkskerk, met héél het volk burgerlijk genomen, in haar midden.
Wanneer men waarlijk reorganisatie wil en men wil komen tot eenen presbyterialen Kerkvorm, dan moet men naar den eisch van Gods Woord en naar uitwijzen van onze Gereformeerde belijdenis, eerlijk en rond den volke bekend maken, dat onze Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk weer moet worden de Gereformeerde Kerk van Nederland, waarin voor Remonstranten en allen die in aard en wezen de leer der Kerk verwerpen en het Evangelie van Gods vrije genade in Jezus Christus, Zijnen lieven Zoon en Sions Borg en Middelaar, haten en tegen staan, geen plaats is. Men moet óf Gods Woord vasthouden en scheiding maken tusschen waarheid en dwaalleer, of men moet alles bij elkaar houden, maar dan ook zeggen: „We durven het met Gods Woord en onze Gereformeerde belijdenis niet te wagen."
Eén van tweeën.
En dat laatste willen we niet.
Waarom onze Gereformeerde Bond ook liever niet spreekt van „Volkskerk", maar verlangend en biddend uitziet naar het herstel van onze Vaderlandsche Gereformeerde Kerk, wetende, dat die Kerk de voortzetting zal zijn van onze aloude Gereformeerde Kerk van Nederland. Waarbij ons wenkt de belofte Gods : „Ik zal U zegenen, indien Gij vlijtiglijk zult hooren naar de stem des HEEREN, uws Gods", Zach. 6 : 15b.
En die Kerk vergeet het volk des lands niet, noch de heidenen aller einden der aarde. Neen, waarlijk niet!
Dragende hemelsche gaven in een aarden vat, wenscht zij, onder de gunste Gods, uitdeelster te zijn van 't geen de Heere haar schonk.
Maar voor alles moet zij zelve dan bezitten de woorden des eeuwigen levens en vóór alles geldt voor haar : „Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's