De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

AVONDMAALS OVERDENKING.

6 minuten leestijd

„Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden". (II Korinthe 8 vers 9).

Dit woord uit den tweeden Korinthenbrief is van rijke beteekenis zóó vervuld, dat wij daarover zouden peinzen kunnen, urenlang. En dan nóg zou het ons blijven een rijk woord, dan nóg zou het ons roepen tot verder overdenking. Dit verwondert ons niet, want de apostel voegt het tusschen de andere woorden van dit hoofdstuk in, om de gemeente te wijzen op haar fundament, wanneer hij spreekt over haar christelijke roeping. Daarom moet het wel een woord zijn van diepen inhoud.
Als er gevraagd wordt, wat de waarachtige gemeente van Christus eigenlijk is — en : waarom zij dit is, dan zegt onze tekst het met duidelijke woorden.
Wanneer Christus de Heere zegt: „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen", dan ligt de verklaring daarvan in de Schriftwoorden, die in deze ure ons vóórgaan in het naderen tot des Heeren tafel.
Als de Heiland de armen van geest welgelukzalig noemt, dan is dit niet omdat zij arm van geest zijn en verder niets hebben te hopen ; neen : welgelukzalig zijn zij, omdat juist zij burgers zijn van Gods Koninkrijk. Maar hoe zullen zij nu ook zichzelf welgelukzalig prijzen ? Hoe zullen zij bewustheid van deze zaligheid in het eigen hart ontvangen ? Door het oog, waarmee zij de schuld van zichzelf aanschouwen, op te heffen naar Boven. Door het oor, waarin beschuldiging en veroordeeling, ja zelfs verdoemenis klinkt, thans te leenen aan de belofte van het evangelie.
Zonder dit zullen zij de ware rust nooit vinden. Zonder kennis van de belofte van het evangelie is er geen vrede voor het verontrust gemoed. Daarom vangt de tekst aan met daarop te wijzen : „Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus."
En welke nu die genade is, hooren wij in de volgende woorden : „Dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden." Twee staan dus hier tegenover elkander : Christus, Die rijk was, doch arm werd voor de Zijnen. En zondaren, die arm zijn, doch rijk worden door Hem.
In deze armoede hebben wij niet anders dan eeuwige rampzaligheid te hopen, indien niet verzoening wordt teweeggebracht van Gods heilige majesteit. En deze verzoening is genade, omdat een Ander die onverplicht gaf. Genade is steeds onverdiend. Nooit is zij een verschuldigd loon naar werken, want dan is de genade geen genade meer. In Zijn genade ziet God ons niet aan naar onze boetvaardigheid, maar naar onze ellendigheid. „Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was."
Christus is arm geworden, daar Hij rijk was. Wij worden dus rechtstreeks geleid tot wat herdacht wordt op de Kerstdagen. Daarin aanschouwen wij het begin, in de kribbe van Bethlehem. Het vervolg zien wij in den ganschen tijd van Zijn leven en lijden op aarde. Want Zijn gansche leven was lijden, omdat Hij bij den Vader heerlijkheid had, eer de wereld was. En het einde zien wij in Zijn sterven aan het kruis, waar God Zijn heilig Kind Jezus overgeeft in den dood. Christus arm, daar Hij rijk was.
Hij was rijk. Alle aardsche goederen waren Zijne, want Hij was God, boven allen te prijzen in eeuwigheid. Hij werd arm. Zóó arm, dat Hij zeggen moest: „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet, waar Hij het hoofd neerleggen kan."
Hij was rijk in de gemeenschap met God. Zóó rijk, als alleen de eeniggeboren Zoon Gods zijn kan. Die in den schoot des Vaders was. En Hij werd arm. Zóó arm, dat Hij aan het kruishout, in het dieptepunt van Zijn armoede, het uitriep: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? "
Ja, waarom .
Omdat voor Gods gemeente dit evangelie onontbeerlijk is : „God was in Christus de wereld met Zichzelf verdienende, hun zonden hun niet toerekenende." Ter verzoening was het noodig — kon het, niet anders, dan dat de Zone Gods, de allerrijkste, werd tot de allerarmste in hemel en op aarde. Ter verzoening, want nooit zal één mensch tot God gebracht worden, tenzij er verzoening is. Daar is de zonde der wereld, voortvloeiend uit' de zonde van den eersten mensch, zoodat wij allen, door den vloek daarvan, in zonden ontvangen worden en geboren. Daar is de zondigheid van ons hart, waardoor wij zoo gewillig instemmen met die eene zonde van den eersten mensch. Daar zijn onze vele zondige gedachten en daden, zoodat wij de schuld nog dagelijks grooter maken.
„Om uwentwil".
Voor Zichzelf behoefde Christus niet te lijden. De grootste werkheiligen van Zijn tijd zag Hij in de oogen. Hij doorzag hen. Hij noemde hen witgepleisterde graven en Hij wierp hun de vraag voor : „Wie uwer overtuigt Mij van zonde ? " Maar voor anderen leed Hij. Daarom kon Hij ook anderen bedienen uit de volheid der verzoening, die Hij aanbracht. Hij heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht.
En nu is dit het wondere: Hij was te voren rijk, want van eeuwigheid was Hij God. Hij werd arm, maar onder deze Zijn menschelijke armoede bleef Hij rijk naar Zijn Godheid, zoodat aan Zijn werk oneindige, eeuwige waarde werd verleend. Al Zijn armoede liet Hij op de aarde, toen Hij verrees uit het graf en opvoer tot de heerlijkheid, waarin Hij ook tevoren was en waar Hij nu de gedachtenis aan het werk, dat Hij in armoede volbracht, als reukwerk in gouden schalen voor het aangezicht plaatst van Zijn Vader.
Uit die volheid ontvangen Gods kinderen allen genade voor genade. Zijn werk bereikte het doel. Christus zeide : „Het is volbracht." Zoo zal het ook in ons het doel moeten bereiken door den Heiligen Geest, Die Christus vertegenwoordigt, d.i. tegenwoordig maakt, opdat ons hart „Amen" zegge op de woorden van onzen tekst: „Om uwentwil". (De apostel Johannes schrijft: „Hetgeen waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig".
„Gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus." Dat bedoelt niet het koude, verstandelijke weten. Dat kan niet bedoeld zijn, want er volgt: „opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden." Alleen door den levenden band van het geloof, dat met Christus vereenigt, wordt de vrucht van Zijn werk geplukt. Hier is dus sprake van een geloofskennis, die het werk is van den Heiligen Geest. Deze vrucht van het werk van den Middelaar wordt ten deel ook aan den allerkleinste in het geloof. Welgelukzalig, die arm zijn naar hun geestelijk bestaan, want juist zij zijn burgers van het Koninkrijk Gods. Hoe zouden wij door de armoede van Christus kunnen rijk worden, wanneer wij niet in onszelf arm zijn ? Dit te weten is noodig en blijft ook steeds noodig. Steeds dieper moeten wij dit leeren verstaan, opdat er meer behoefte .zij aan, meer gebed om den rijkdom, dien Christus, arm zijnde, kocht. Het waarachtig gebed: „Zone Davids, ontferm U onzer !" dwingt het goddelijk, vredegevend antwoord van den hemel af: „U geschiede naar uw geloof." Amen !

Hierden

C. van Dop

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's