De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GRETSKE „DE FREULE"

EEN LEVENSTRAGEDIE

5 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
„Kan u mij ook zeggen waar Gretske woont, vrouwtje ? " — vroeg dominé op vriendelijken toon. Aanstonds richtte de aangesprokene zich op en keek met groote oogen, waarin verwondering te lezen stond, dit onverwachte bezoek aan.
„De dominé, " — stotterde Trui. En daarop zich eenigermate herstellend : „U moet het mij niet kwalijk nemen, mijnheer, maar ik schrok zoo. Ziet uwes, wij als arme menschen zijn dat niet gewoon dat hier zulk een deftig bezoek komt. Buiten de armmeester en de dokter komen hier geen heeren. En dan eens in het jaar de heeren voor de inspectie. U moet weten dat dit zooveel beteekent als om te zien of alles nog goed op orde is en wij de huizen goed bewonen. Maar elk mag bij mij er wel in komen al zeg ik het zélf, want ik houd van zindelijkheid. Maar het is van zélf, wij zijn maar arm, en een arm mensch kan lang niet wat hij wel wil. Als de dominé misschien eens een goed woordje bij de heeren doen kon om hen te vragen of er ook nog een kleinigheid je over schoot "
Zoo pratende werd Trui al vrijmoediger, totdat de predikant aan zijne beweging duidelijk merken liet, hiervoor nu eigenlijk niet te zijn gekomen.
„Maar dus mijnheer wil naar Gretske toe" — aldus vervolgde zij, van onderwerp veranderend, — „nu Gretske is een beste vrouw. En vroom of zij is ! Dan moet uwes d'r oude Ka maar eens over hooren. Aan die heeft zij den hemel wel verdiend, zooals zij die bij dag en bij nacht verpleegt, als was het haar eigen zuster. En dan moest uwes eens weten, hoe Ka haar wel gepest heeft. Ik heb altijd gezegd : „Niet doen, Gretske is een sloof", maar uwes wéét het niet wat een mensch, die het goede wil, hier soms verduren moet. 'k Wou wel dat uwes het eens hoorde of zag! Ik heb vaak tegen Gretske gezegd : stil maar oude, houd je maar koest. Als 't er aan toe komt zal Trui wel oppassen dat geen mensch je te na komt, maar o, ik moet er soms zoo wat over hooren !"
Bij deze laatste woorden, welke hoofdzakelijk op fluistertoon gesproken werden, waarbij 't niet aan de noodige handbeweging ontbrak, dwaalde de blik van de spreekster telkens naar de ramen der overige buren om te zien of men wel merkte hoe zij in een intiem gesprek met den dominé was. Soms kwam zij tot vlak bij hem, zoodat hij onwillekeurig een stap achterwaarts ging.
„Nu, dat is flink van u ; wij zijn ook in de wereld geplaatst om elkander het leven te veraangenamen en voor elkaar ten zegen te zijn. En dus woont Gretske in dat derde huisje ? " — vroeg hij, om een einde aan het gesprek van de praatgrage vrouw te maken.
„Om u te dienen, dominé ; uwes ziet wel, waar die mooie bloemen voor de ramen staan en met die geverfde deur. En als mijnheer er dan eens om denken wil of hij iets voor ons dóen kan, want ziet u, elk kan wel begrijpen, met zoo'n paar centen als wij hier krijgen kan een mensch onmogelijk fatsoenlijk door den tijd komen."
„Dag vrouwtje, ik dank u wel hoor; we zullen eens zien wat wij kunnen."
Meteen keerde hij zich om en ging rechtstreeks op het kamertje van Gretske toe. Nauwelijk was hij binnen, of daar buiten werden de hoofden bij elkaar gestoken. De Scheele had al lang achter de half geopende deur op den luister gestaan en nu en dan een enkel woord opgevangen. Vooral dat laatste van den dominé maakte haar geweldig nieuwsgierig. Ook de Goudvink had alles wel opgemerkt, maar bleef op ettelijke passen achterbaks, zoo hij het noemde, omdat hij niet van die zwartrokken hield, die daar binnen altijd den boel zochten open te halen. Wat aan buurvrouw de opmerking ontlokte, dat zulks wel komen zou, omdat hij niet zuiver aan de graat was, en hem weer aanleiding gaf om haar dit woord met rente terug te betalen.
„En wat moet heer-oom ? " — vroeg hij aan Trui.
„Even een visite bij de freule brengen. Maar ik heb hem gezegd, dat wij óók menschen waren, en het óók wel eens wat beter in de wereld willen hebben, en of hij daar niet eens wat aan doen kon."
„En wat zei hij ? "
„Hij zou zijn best eens voor ons doen, want hij vond ook, dat het hier geen leven voor ons was. Maar als dat nu zoo komt, dan hebben jullui met elkaar dat aan mij te danken, omdat ik een goed woordje voor ons allen gedaan heb."
„Je bent een lieverd hoor !"
„'k Wou wel eens weten wat daar nu bij de freule verhandeld werd" — hervatte de Scheele weer. „Zou zij ons ook over den hekel halen ? "
„'t Zal wel, en zelf natuurlijk de vrome uithangen. Dat heb je van die lui. Maar o wee, als ik het gewaar word ! Dan zal 't haar zoó zuur bekomen. Wij zullen dan nog eens zien wie hier de oudste brieven heeft" — dreigde Trui.
„Die heeft Ka" — viel de Goudvink in.
„Maar die heeft niets meer te commandeeren" — aldus de Scheele.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's