KERSTMIS
Johannes 1 : 11. Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
De eeuwen door klinkt deze beschuldiging in de ooren van allen, die het Evangelie hebben gehoord, zonder dat het met geloof was gemengd. Allereerst hebben de Joden geroepen : „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen." En die sprake is tot den huldigen dag aan Israël vervuld. Zij hebben Hem niet aangenomen, schoon Hij tot hen, als tot de Zijnen, was gekomen. Van de kribbe tot het kruis was Hij verworpen, , een smaad van menschen, veracht van het volk. Het bloed van Christus hebben zij onrein geacht en zonder het zelven te beseffen, profeteerden zij aan den voet des kruises van het ontroerend leed, dat over Israël komen zou en ook gekomen is. Vooral in onze dagen, waarin het Antisemitisme van zich doet spreken, bij onze Oosterburen vooral, staat Israël in het centrum der belangstelling. Het oude volk staat als een mysterieus probleem in de geschiedenis der wereld. Dat was het van den dag aan, waarop het verscheen in de rij der volkeren, dat is het tot heden nog. Het is merkwaardig, maar de eeuwen door gaat er van dit kleine volk een geweldige invloed uit. Het wekte een schier onuitroeibaren haat, al verdiende het zich anderzijds eerbied door de groote geestelijke gaven, die het, hoewel verstrooid over de gansche aarde en zonder zelfstandig volksbestaan, in staat stelde soms zelfs eene heerschende, maar altijd een invloedrijke positie zich te verwerven. Israël heeft eene wondere smijdigheid, waardoor het zich aanpassen kan aan vrijwel alle volkeren der wereld, terwijl het echter tevens eene zelfstandigheid bewaart, die het overal verspreid, toch Israël blijven doet. Daarom stelt het een historisch probleem, wijl geen enkel ander volk het ooit heeft kunnen evenaren in deze de eeuwen en de omstandigheden overlevende handhaving van zijn eigen volkskarakter. Het werd bloedig vervolgd, prikkelde door zijne ondeugden tot heftige vijandschap, werd dikwijls uitgebannen uit de volken, in wier midden het zijne tenten opgeslagen had en toch bleef het in de verstrooiing als een zuurdeesem in de historie. Alle andere volken der oudheid zijn verdwenen. Hunne verre nageslachten schiepen zich culturen, nieuwe levensvormen, en tot onherkenbaar wordens toe ontaardden zij van hunnen oorsprong. Babyloniërs en Assyriërs, die eenmaal de oude wereld' overheerschten, zijn heengegaan van het wereldtooneel, maar Israël bleef niet alleen, maar bleef ook zichzelf, al breidde de menschheid op voorheen ondenkbare wijze zich uit over het rond der aard. En scheen het ook onder ons, dat in dezen modernen tijd zelfs de Jood zich moderniseerde, dreigde ook Israël geabsorbeerd te worden door het materialisme, dat het zelf heeft voortgebracht, toch leerde de historie ook onder ons, dat het Jodendom onuitroeibaar is en werd met de verzwaring van den druk der vervolging het Joodsche probleem opnieuw te voorschijn gebracht. Israël verschijnt als een mysterieuse grootheid, die de machtigste volken niet zonder meer terzijde schuiven kunnen. De haat, die den Jood treft, wortelt niet alleen in de bijzondere eigenschappen, goede zoowel als kwade, waarvan hij drager is en waardoor hij in staat was zich dikwijls als een geheimzinnige macht te doen gelden, die de volken voelden als een juk, soms zwaar om te dragen. En desondanks bleek het Joodsch genie eene inspireerende factor in de Westersche cultuur. De wijsbegeerte, die den modernen geest beheerscht heeft, werd door de Joden, Spinoza en Marx, getypeerd. Zelfs kan men zeggen, dat in den worstelstrijd van het Dultsche Nationaal Socialisme de Joodsche geest zich wreekt, daar heel de Duitsche wijsbegeerte van Schleiermacher tot nu toe, niet uit Arischen, maar uit Semitischen wortel stamt. Het Nationaal Socialisme zelf, , dat den Jood zoo bitterlijk vervolgt, is niet vrij van Semitischen zuurdeesem.
Daar is in deze historische ontwikkeling eene ontroerende verborgenheid, want de Jood staat in het middelpunt dezes tijds als het groote vraagstuk, dat allereerst doet denken aan de vervulling der profetische woorden : „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen". In den Christus Gods vindt het zijne verklaring, want Christus is de spil in deze geschiedenis. Met, in en door Christus treedt Israël op den voorgrond. Christus, dat leert ons het Kerstfeest, is uit de Joden, de beloofde aan de Vaderen, de Spruite uit Davids geslacht. En het Christendom zelf draagt zijn Joodschen oorsprong als een merkteeken op het voorhoofd, ook al is 't erkend, dat.terwijl het Evangelie in de geheele wereld verkondigd werd, Israël zelf tot het geloof niet is gekomen. En zoo spreekt ook hier de apostel Johannes over het groote wonder van de vleeschwording des Woords, waaraan wij op Kerstfeest gedenken, van Israels ongeloof : „Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen." Israël was verkoren, opdat het Hem zou voortbrengen, die gegeven was tot een verbond des volks en tot een licht der heidenen. En datzelfde Israël, dat Hem voortbracht, heeft Hem gekruisigd niet alleen, maar weigert, na Zijne opstanding Hem te erkennen als zijn Koning en Heere. Dit is het ontroerende, het wondere in de geschiedenis, dat in Gods Woord ons wordt voorgesteld in het licht der vrijmachtige, eeuwige, verkiezende daad. Israël uit alle volken geroepen om eene bijzondere functie te vervullen in de verwerkelijking van den genade-Raad Gods, die op zijne beurt de strekking heeft aan de gevallen menschheid te openbaren de grootheid van Gods liefde en de onkreukbaarheid van Zijn recht. De menschheid zal door en in Christus God kennen in de vrijmacht van Zijn genade-wil. Niet al wat uit Israël is, kan Israël worden genoemd. En Israels ongeloof, dat reeds onder het Oude Testament werd aangekondigd, treedt bij Christus' eigen verschijning in het volle licht. Christus komt tot het zijne en de zijnen nemen Hem niet aan. Dat ééne feit heeft reeds op den apostel Paulus zulk een diepen indruk gemaakt, dat de vraag bij hem opkwam : „Heeft God Zijn volk verstooten ? " Met groote klaarheid was hem de nederbuigende liefde Gods ontdekt, daar hij aanschouwde, hoe de Heere den ganschen dag Zijne handen uitgebreid had tot een ongehoorzaam, tegensprekend volk. Hij kende bij ervaring de vijandschap en wrevel van dat volk. En zoo rees de vraag, of het dan eigenlijk geen verworpen volk was. Doch dan wijst hij op zichzelven en zegt : Dat zij verre !" Immers, ook hij is Israëliet, uit "Abrahams zaad, uit Benjamin's stam. "Nee" zoo herhaalt hij : „God heeft Zijn volk niet verstooten'*, dat Hij te voren gekend heeft dat volk heeft nog eene bijzondere historische taak. Ook over Israël gaat de verkiezende genade. Hetgeen Israël zoekt, heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden. Ook dit historisch verloop heeft echter een genaderijke bedoeling, dewijl het leiden moet tot de zaliging van alle kinderen Gods. De verharding komt voor een deel over Israël, totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Het gansche ware Israël wordt zalig, want het volk, dat onder de ongehoorzaamheid besloten lag, zal barmhartigheid bewezen worden.
In het groote heilsplan Gods heeft dus Israël nog eene functie voor de voleinding van Gods Kerk. En het lot, dat het draagt, verscheen aan de eerste discipelen en ook aan den apostel Paulus als eene verborgenheid, die in het laatste der dagen zal worden opgeklaard. En in deze opklaring zal bevestigd worden, dat de Heere rechtvaardig is, rechtvaardigende die van Christus zijn. Van het lot, dat Israël drukt, gaat alzoo eene prediking uit, die ons den vollen last onzer verantwoordelijkheid oplegt. En vooral in dezen tijd, nu de vervolging, waaraan Israël wordt blootgesteld, weder de aandacht trekt, moeten wij er bij stilstaan en merken op de roepstem Gods, die ook daardoor in de geschiedenis onzer dagen zoo luide in onze ooren klinkt.
Wij vieren nu weder Kerstfeest, dat Immanuëls geboorte. Zijn ingang in de menschelijke natuur, ons verkondigt. Het spreekt ons van de wondere liefde Gods tot eene verloren wereld, waardoor Hij zich een volk roept uit de duisternis tot het wonderbare licht. Het predikt der wereld, dat Hij gekomen is om die eeuwige liefde te openbaren in de daad. En het zegt ons ook, hoe Hij, komende tot het zijne, niet werd aangenomen, hoe deze wereld die groote gave Gods verworpen heeft. Want wie zich rekenschap geeft van den geestelijken toestand der Christen-volken, die moet ook van deze erkennen, dat zij wel Kerstfeest vieren, ofschoon ook zij Hem niet aangenomen hebben. Sterker dan voorheen openbaart zich eene ontkerstening, die in steeds driester wordende revolutionaire stroomingen zich baan breekt. Op de onbeschaamdste wijze stellen zich de grootmachten tegen den Christus der Schriften en gaat de Jodenvervolging eenerzijds gepaard met Christus-verwerping anderzijds. Steeds dieper zinken de Christenvolken weg in ongeliaof en bijgeloof, terwijl zij zuchten onder het leed van voorheen ongekenden druk en nood. De eindcatastrophe wordt alzoo ingeluid, zonder dat de massa van hare cultureele decadentie zich bewust is. Het Kerstfeest roept het ons nog toe : „Hij is gekomen tot het zijne", maar jaar op jaar leert het duidelijker, hoe de vijandschap tegen den Gekruisigde wast. De zijnen nemen Hem niet aan. De volkeren verstaan niet, dat zij hun geld uitwegen voor hetgeen niet verzadigen kan. Zij hooren niet naar Hem, Wiens Woord alleen waarachtig. Wiens inzettingen alleen recht zijn.
Door het Zijne is Hij gekomen tot de volken, en allen zeggen zij : Wij willen niet, dat Hij Koning over ons zal zijn. Doch juist daarom ook zuchten zij onder den vloek hunner zonde en dalen zij steeds dieper in den afgrond des verderfs. Smartvolle klachten gaan op uit den smeltoven dezer wereldcrisis, die de menschheid zichzelve heeft berokkend. De Heere voltrekt door dit al Zijne oordeelen, komt daarmede nu tot de volken, daar zij Hem niet aannemen, die tot het zijne is gekomen. En toch ligt ook in dit gericht nog een bemoeienis der genade, die ons belooft, dat Hij Zijne hand tot de kleinen wenden zal.
Hij roept hen op naar de Kerstkribbe van Hem, voor Wien in Bethlehem en in de gansche wereld geene plaats was, opdat zij alsnog zullen komen en aanbidden. Hij roept tot wederkeer, opdat wij den vrede zullen vinden en Gods welbehagen zullen smaken, dat in den Heere Jezus Christus werd geopenbaard. Verootmoediging, besef van zonde en schuld, behoeft onze tijd, want zonder deze kan niemand rijp zijn om Immanuël te kennen en Hem aan te nemen.
Het contrast op het Kerstfeest is dan ook wel groot. De wereld gedenkt Zijner komst en neemt Hem toch niet aan. Christus is wel geboren, en wij ook vieren Kerstfeest. Maar indien wij Hem niet hebben aangenomen, hoe kunnen wij dan het engelen-lied op de lippen nemen ? Wat zal ons Kerstfeest zijn, indien wij het kindeke Immanuël niet nemen op onze armen, indien wij het niet aanbidden in geloof ! Daarom moge onze bede opklimmen tot Hem, die machtig is uit de steenen Abraham kinderen te verwekken en daarom ook tot ons op dit Kerstfeest kan zeggen, dat gij zult leven in Hem, die de gerechtigheid bereid heeft, waardoor gansch Israël zalig worden zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's