VRAGENBUS
Vraag. De apostel Paulus schrijft: „Want wij hebben niets in de wereld gebracht, en wij kunnen ook niets van deze wereld meenemen bij ons sterven — maar als we voedsel en deksel hebben, moeten we daarmee vergenoegd zijn" (1 Tim. 6). Volgt daaruit, dat we niets meer noodig hebben in dit leven dan „voedsel en deksel" en dat we niets boven dezelve begeeren mogen ?
Antwoord. Paulus wil in dit verband letten op de godzaligheid en noemt dat een „groot gewin met vergenoeging". Dat is de schat welke ons rust en vree geeft. Godzaligheid als gezindheid des harten ; vervuld en vol van de vreeze Gods. Godzaligheid óók zich openbarend naar buiten in een godvruchtigen wandel en betrachten van Gods geboden. Dan worden we door den H. Geest verzekerd van het eeuwige leven en van harte gewillig en bereid gemaakt om voortaan voor den Heere te leven (Catechismus Zondag I). Godzaligheid is vroomheid des harten en vroomheid des levens. En dat is een zaak „van groot gewin met vergenoeging".
Dat zet Paulus tegenover het „gewin" van aardsche goederen waar 't de valsche leeraars en de geestelijke klaploopers om te doen is. Eten, drinken, kleeding, geld en goed. En bij dat jagen naar aardsch gewin zegt de apostel tot de vromen en oprechten, dat we altijd maar bedenken moeten, dat „voedsel en deksel" te beschouwen zijn als onverdiende genadegaven, waarvan we ten slotte niet leven kunnen voor de eeuwigheid ; waarom de godzaligheid alles overtreffend Is en alleszins begeerlijk voor de oprechten en vromen van hart en wandel, „'s Werelds vreugd gaat ras voorbij ; maar de liefde van mijn Heiland, maakt mij altoos rijk en vrij." Dien schat moeten we zoeken. Verzamelt u geen schatten op de aarde, maar vergadert u schatten in den hemel. En waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn !
Hierbij hebben we te bedenken : dat we niets in de wereld gebracht hebben en niets mee kunnen nemen. Als we nu maar „voedsel en deksel" hebben, dan is 't genoeg — zegt de Apostel.
De Heere heeft den mensch „voedsel en deksel" beloofd. Wel moet de mensch, om der zonde wil, in het zweet zijns aanschijns werken. Maar dan heeft de Heere toch beloofd : „dan zult gij uw brood eten". Dat ligt als een belofte van Gods algemeene liefde over de menschheid. Verdreven uit het Paradijs krijgt de mensch de „broodbelofte" mee ! En in dat „brood" ligt het „levensonderhoud".
Als we zeggen :" iemand heeft goed z'n „brood", dan bedoelen we ook, dat zoo iemand een goed inkomen, een goede verdienste tot levens-onderhoud heeft. Zeggen we ; "dat geeft iemand een goede boterham", dan bedoelen we een goed levensonderhoud. God geeft den gevallen mensch dan ook Zelf brood en kleeding (rok van beestenvellen in den beginne), dus levensonderhoud.
Zoo mogen we ook bidden : „Geef ons elken dag ons dagelijksch brood". En dan wil dat zeggen : Geef ons, Heere, wat we noodig hebben voor ons levensonderhoud, voedsel, kleeding, woning, huisraad enz.
En aangezien de Heere Zelf onderscheiden beroep, werkkring, stand en positie in de wereld geeft (aan Abraham een andere positie dan aan zijn knecht Eliëzer, aan Koning David een anderen stand dan aan z'n onderdanen, aan den priester een andere positie dan aan den leviet enz. enz.) zit ook in dat „voedsel en kleeding" de onderscheiding naar stand en beroep en positie in de wereld. De een heeft andere dingen noodig dan de ander. De een heeft ook méér noodig dan de ander. De hoogepriester had andere kleederen noodig dan de levieten ; de koning een andere woning, andere spijze, andere geldelijke middelen dan de soldaat of de landman ; de heer staat in een andere positie dan de knecht, enz. enz.
Wat Paulus hier dus schrijft is allereerst: dat het gaat om de godzaligheid In hart en levenswandel, vol van de vreeze Gods en het bezit van zaligheid en vree in Christus, door den Heiligen Geest. Die dat mist, mist alles. De rijke is dan zelfs arm.
En voorts bedoelt Paulus, dat rijk en arm moet beseffen dat we vergenoegd, tevreê, dankbaar moeten zijn, als de Heere ons, een ieder naar z'n stand en naar z'n werkkring en naar z'n positie, voor ons en voor onze kinderen „voedsel en kleeding", dat is: levensonderhoud wil geven; dat is : woning, huisraad, kleeding, eten, drinken, geld en goed dat noodig is voor ons levensonderhoud naar den stand waarin de Heere ons, naar Zijn voorzienig toestel, gebracht heeft.
Daarbij „vergenoegd" te zijn is een heerlijk voorrecht.
En daarvoor mogen we dagelijks ons gebed opzenden tot den Heere, om Hem, in Jezus Christus te zoeken met ons vragen en smeeken : „Geef ons heden wat we voor ons levensonderhoud, tot het vervullen van onze levensroeping en tot het bereiken van ons levensdoel, met ons gezin noodig hebben aan voedsel en kleeding, aan woning en huisraad, aan geld en goed."
Ernstig, heel ernstig volgt dan de vermaning en de waarschuwing van den Apostel : „Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad ; tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken" 1 Tim. 6 : 9, 10. „Daarom, o mensch, vlied deze dingen en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid ; strijd den goeden strijd des geloofs en grijp naar het eeuwige leven."
Vraag. Mag een jongen, die verloofd is, 's Zondags naar z'n meisje gaan ?
Antwoord. Waarom zou men 's Zondags niet verloofd mogen zijn en bij z'n meisje mogen zijn ? Wij vonden het altijd heerlijk om 's Zondags in 't gezin van onze verloofde te verkeeren en wij hebben er nooit spijt van gehad. De Zondag is toch geen „strafdag" ? Als het meisje nu eens 's Zondags bij haar verloofde in den huiselijken kring is en dan de jongen weer eens bij z'n meisje thuis, dan is dat voor de jongelui en voor de wederzijdsche ouders prettig.
Vraag. Wat beteekent het als in Art. 1 van de Ned. Geloofsbelijdenis gezegd wordt, dat God een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen is ? Wat wil dan dat woordje „eenvoudig" zeggen ?
Antwoord. Die uitdrukking „een eenvoudig Wezen" wordt niet altijd goed begrepen. Eenvoudig beteekent hier natuurlijk niet zoo iets als : nederig, in tegenstelling van trotsch.
Een eenvoudig man is een niet hoog-gevoelend man. Maar dat moeten we hier niet hebben. Eenvoudig wil hier ten opzichte van het Goddelijk Wezen heel iets anders zeggen.
De „eenvoudigheid" Gods behoort bij Zijn Wezen, niet bij Zijn eigenschappen (die later in Art. 1 genoemd worden), 't Geldt hier de bestaanswijze Gods, dus Zijn Wezen. En dat Wezen Gods is niet „samengesteld", bestaat niet uit allerlei „deelen". En dat nu wordt nader aangeduid en uitgedrukt en omschreven met het woord „eenvoudig". God is dus een eenvoudig geestelijk Wezen d.i. een geestelijk Wezen, dat niet is samengesteld in deelen. Men kan dus 't beste zeggen : „eenvoudig" beteekent in Art. 1 van de Ned. Geloofsbelijdenis, als behoorend tot het Wezen Gods, „niet samengesteld". De eigenschappen Gods mogen dan ook niet als „deelen" Gods beschouwd worden.
Vraag. Mag iemand die ongehuwd is tot diaken gekozen worden ? Is dat niet in strijd met wat Gods Woord zegt b.v. met 1 Tim. 3 : 12 „dat de diakenen eener vrouwe mannen zijn" ?
Antwoord. Die gedachte komt meer voor. Als jongen hoorde ik er ook al over praten, toen iemand, die vrijgezel was, tot diaken gekozen was. Een bezwaarschrift bij den Kerkeraad bleef niet uit. En later heb ik er nog wel eens meer van gehoord. Hierin ligt een les voor ons. Wij zeggen wel eens meer : dit of dat is in strijd met Gods Woord. Maar dan moeten we voorzichtig zijn. Lees 1 Timotheüs 3 : 2, 4 en 12 eens nauwkeurig. Wat ziet men dan ? Dat een ouderling en een diaken slechts één vrouw mochten hebben, en dus niet meer vrouwen tegelijk, zooals in de wereld, waar de eerste christen-gemeenten zich openbaarden, dikwijls voorkwam. Dat mochten de christenen niet doen, schrijft de apostel. Niet de polygamie d.i. niet de leer voorstaan, dat een man vele vrouwen mag hebben (zooals onder de heidenen en blijkbaar ook onder de christenen uit de heidenen wel voorkwam), maar het monogame-huwelijk, d.i. het huwelijk van één man en één vrouw, zooals het van den begirme af aan door God gewild is en ook de natuur ons leert. Als dus de Apostel in de z.g.n. pastoraalbrieven (de brieven van herderlijken aard) over deze dingen schrijft, zegt hij met geen woord, dat iemand die ongehuwd is geen ouderling of diaken mag zijn. De kwestie gaat niet over gehuwd of ongehuwd. De kwestie raakt alleen : het huwelijk tusschen één man en één vrouw of het huwelijk van één man met meer dan één vrouw. En dat laatste veroordeelt de Apostel natuurlijk. Uit zulke mannen, die dat doen, moet men geen ambtsdrager kiezen. Maar dat een ongehuwde niet verkozen mag worden lezen we niet. Nooit is dan ook in de Christelijke Kerk een verbod in dezen opzichte uitgegaan en geen enkele bepaling dienaangaande is ooit gemaakt.
Vraag. Is het zonde per vliegtuig door de lucht te gaan ?
Antwoord. Men zegt wel eens : het water is voor de visschen en het land voor den mensch.
Zoo zegt men ook wel eens : de lucht is voor de vogels en de begane grond voor den mensch.
Maar dan vergist men zich natuurlijk. Ons Nederlandsche volk weet heel goed, dat het water voor de visschen is ; maar ook, dat het water en de visschen voor den mensch is. Men heeft het nooit zonde geacht de zee te gaan bevaren en over de oceanen naar andere werelddeelen te gaan ; ontdekkingsreizen te ondernemen enz. Dat berust trouwens ook op Gods scheppingsordinantie. Gen. 1 : 28. De Heere heeft alles geschapen en heeft toen nadrukkelijk den mensch gesteld tot een heer en koning over alles. Vandaar dat de mensch doordringt in de diepste diepten der aarde en de schatten der schepping verovert. Hij duikt in de wateren onder de aarde, om de edelste parels van den bodem der zee te zoeken. Hij bevaart de wijdste zeeën, om andere landen te bezoeken en te vangen de visschen, groote en kleine, welke de Heere den menschen gegeven heeft tot spijze. En we weten allen nog wel, dat men 't vroeger geen zonde achtte, om met een zeilschip te varen ; men maakte dan gebruik van de natuurkrachten, die van God zijn; maar men achtte het wel zonde toen men stoombooten ging maken. Dat was God verzoeken, zei men. En wij weten het nog uit onze eerste jaren van predikant zijn, dat een moeder in Israël het zonde vond, dat de fiets gebruikt werd, want dat was een uitvinding van de hel; omdat — zoo zei ze ons persoonlijk, niet om onzentwil, want wij hadden geen fiets, maar in 't algemeen — omdat een fiets „niet zelf staan kan". Een paard kan staan en een wagen kan staan, zelfs een kruiwagen was een ding dat staan kon, maar een fiets kan niet staan — zei ze ; en dat was voor haar bewijs, dat de fiets een uitvinding van de hel was, van den mensch der zonde, zoodat een christen niet op de fiets mocht rijden (historisch).
Zoo kan men zich vergissen ; vroeger en nu. Want met een zeestoomer over den Oceaan te varen is geen zonde, evenmin als het zonde is een fiets te hebben, of een radio, of de piano. Als jong dominé hoorden we meer dan eens zeggen : in een pastorie hoort wel een orgel thuis (hoewel er ook wel waren, die het zonde achtten te zijn), maar een piano was uit den booze. Wat natuurlijk niet waar is.
En zoo is het nu ook met de luchtvaart. God heeft alles in de schepping, op de aarde, onder de aarde, boven de aarde, alles aan den mensch onderworpen en aan den mensch gegeven, opdat hij over alles heerschappij zal voeren en alles aan zich zal onderwerpen. En zoo is er nu ook de luchtvaart. En hetzelfde volk, dat als koene vaarders over de zeeën ging, eeuw vóór en eeuw na, werpt zich nu op de luchtvaart, niet uit waaghalzerij (hoewel dat er soms óók bij komt, helaas !), maar als prestatie van menschelijk kennen en kunnen. En zoo is de luchtvaart geen zonde te achten. Net zoomin als de zeevaart.
Of wij persoonlijk niet mee durven of niet mee willen gaan, doet niets ter zake. Onze grootmoeder verkoos ook niet met den spoortrein te reizen. En of er met vliegtuigen en met de luchtvaart in oorlogstijd en ook in vredestijd niet veel zonde kan worden bedreven, doet ook aan de zaak zelve niet af. Met hoeveel schepen wordt geen ongerechtigheid bedreven.
Of de mensch met al de uitvindingen gelukkiger wordt ? Och, met of zonder de uitvindingen is en blijft de mensch een diep ongelukkig mensch, als hij vervreemd van God is en blijft. Met z'n geld, maar ook zonder z'n geld ; met z'n geleerdheid, maar ook als hij dom is; met een piano, maar ook zonder piano, enz. Eén ding is ons noodig !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's