De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

BEZUINIGING BIJ ONDERWIJS.
In aansluiting aan hetgeen wij de vorige week over het beleid van den Minister van Onderwijs schreven, laten wij thans enkele opmerkingen volgen uit dat gedeelte van de goed verzorgde redevoering, welke professor Vlsscher hij de Onderwijsbegrooting in de Tweede Kamer hield en wiens beschouwingen over dat onderwerp parallel loopen met de opmerkingen, die wij toen maakten.
Terecht constateerde de hoogleeraar, dat de Minister daarom een buitengewoon moeilijke taak te volbrengen heeft, omdat de groote weelde In ons onderwijs, jarenlang een gewoonte, het probleem der bezuiniging juist op dit gebied zoo ingewikkeld maakt. Uit dien hoofde — zoo vervolgde de professor — is het noodig, dat er een alomvattende reorganisatie van geheel ons onderwijs komt. Zonder deze kan er geen daling komen naar lager niveau. Het onderwijs moet goedkooper worden, met name ook voor die kringen in de maatschappij, die den belastingdruk en den crisisdruk het zwaarst voelen. En dat kan alleen, wanneer de kosten zelf dalen. En die daling is slechts mogelijk bij vereenvoudiging.
Na deze algemeene opmerking, die gevolgd werd door een verwijt aan den Minister, dat deze, wiens ministerieele taak zoo geweldig groot en zwaar is, dat hij alle arbeidskracht opvordert, zich liet verlokken om op den zijweg van het spellingsvraagstuik af te dolen, kwam de hoogleeraar bot de bezuiniging op de Onderwljsbegrooting zelf. Daartoe stelde hij de vraag : geeft de Onderwijsbegrooting waarlijk blijk van het streven naar bezuiniging, dat wij mogen verwachten ? Die vraag werd echter ontkennend beantwoord.
Laten wij nu professor Visscher in zijn belangrijke rede verder aan het woord.
Hij zeide :
Deze begrooting is leerzaam, want zij toont klaar, dat de weg, door den Minister ingeslagen, ons er niet kan brengen. Laat ik het in twee vragen samenvatten. Kan men tot in het oneindige voortgaan met de inkrimping van salarissen ? Kan men tot het oneindige de klassen vergrooten ? Neen, dat kan men niet. Het accres der bevolking en zelfs het nieuwe panacee der concentratie, het zijn alle middelen, die zeer spoedig uitgeput zijn. Zoolang de Regeering dit systeem van wetgeving handhaaft, zal haar bezuinigingsstreven slechts weinig resultaten afwerpen. En dat niet alleen, maar als zij dit systeem blijft vasthouden en blijft streven daaronder tot bezuiniging te komen, dan zal de ervaring leeren, dat zij dit alleen kan doen door diep in het leven zelf te snijden. Bezuinigen met handhaving van dit systeem doet denken aan den berooiden edelman, die om zijn weeldevol kasteel te blijven bewonen, zijn personeel en eigen gezin moet laten hongeren. Een ander, eenvoudiger wetgeving behoeft bovendien nog niet slechter onderwijs te beteekenen, evenmin als eenvoudiger levenswijze voor de gezondheid nadeel brengt. Er is, (helaas, in onze wetgeving heel wat franje, die zonder wezenlijk nadeel kon worden gemist, en ook is er in ons onderwijs heel wat overlading, die wezenlijk schade berokkent aan de opvoeding van ons volk. De intellectualistische hypertrophie bij achterstelling van het nijverheidsonderwijs, dat verkommert, bewijst hoezeer wij zijn afgedoold van het pad, dat tot gezonde volksopvoeding leidt. Het is met ons onderwijs als met tal van andere gebieden. De Staat bleek de groote al doorwroetende, al verslindende grootheid, die alleen door steeds verder gaande centralisatie zijn nimmer stilIende bemoeizucht bevredigen kan. En dat proces is bureaucratisch duur.
Voor de gezondheid van het volksleven brengt het schade, want het drukt de vrije ontplooiing van krachten en vooral het doodt de zelfverantwoordelijkheid der burgers. Het wil het leven regelen naar theorieën. En zoo hebben wij den paedagogischen wedloop kunnen zien, die de strekking had allen, begaafd en onbegaafd, te heffen op een peil, waarop de maatschappij topzwaar werd onder het intellectualistisch gewicht. Op alle scholen wordt geklaagd over overlading. Met leedwezen zien de ouders den lijdensweg hunner kinderen, die worstelen moeten om vroegtijdig een doel te bereiken, dat zij bij gezonder vorming, later, misschen nog niet eens later, even goed en beter bereiken zouden. En was nu onze volksontwikkeling van hooger gehalte dan die van andere volken, die veel minder uitgeven voor hun onderwijs dan wij, er zou nog reden zijn om met eenige zelfbevrediging op de rijker vrucht te wijzen. Doch daarvan is mij elders niet gebleken. Integendeel, wie uit den vreemde het land binnenkomt, wordt onmiddellijk getroffen door de tuchteloosheid der jeugd, haar vernielzucht en verwording.
Indien er een beteekenisvolle besparing zal worden bereikt, dan zal dit slechts kunnen door een oplossing te zoeken in de richting eener decentralisatie. Zeker, dan zal er ook gezegd worden, dat de Minister vitale onderwijsbelangen treft. Dat wordt steeds dan gezegd als ambtenaarsbelang in het geding komt. Maar de wezenlijke belangen der volksopvoeding behoeven niet te lijden, al worden zij niet meer van uit een onderwijs departement bestuurd. Als de Overheid leiding geeft en steunt, is het genoeg. Als wij geen afzonderlijk Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen hadden, was Nederland niet ongelukkiger en waren de kinderen niet minder ontwikkeld.
Ik ben dus van oordeel, dat de methode om tot versobering te komen, niet de juiste is. Ik prijs gaarne den ijver, die wordt ten toon gespreid, beklaag mij niet over harde maatregelen, als zij noodig blijken, maar alleen daarover, dat het vraagstuk niet van uit het juiste oogpunt wordt benaderd. De gevolgen daarvan zullen te eeniger tijd schadelijk blijken voor de volksopvoeding. En wat in de gegeven omstandigheden naar mijn meening nog erger is: het doel, de daling op een lager peil, kan op deze wijze niet worden bereikt. En, Mijnheer de Voorzitter, daartegen gaat mijn waarschuwing uit. Wij weten, dat deze Regeering haar lot heeft verbonden met den goud-gulden. De Minister-President heeft bij de algemeene beschouwingen gewezen op de mogelijkheid van het streven naar een andere Regeering met meer phantasie. Met dat eigenlijk dreigend woord stem ik in, want ik ben er van overtuigd, dat in de gegeven omstandigheden niets gevaarlijker is dan phantasie. De werkelijkheid, de waarheid, beslist ten laatste. Daarom moet zij het uitgangspunt zijn. Als de Regeering nu blijft staan op het standpunt, dat zij den gouden gulden moet handhaven, terwijl zij ten slotte naar het land van de phantasie moet vluchten, dan zou de teleurstelling daarom zooveel grooter en pijnlijker zijn, omdat de gouden gulden, waarop zij rekende, alsdan wel eens zou kunnen blijken te zijn een chocolade-tablet met goudpapier omwikkeld. Ik zeg dit, omdat naar mijn oordeel de verantwoordelijkheid van dezen Minister daarom zoo igroot is, omdat deze begrooting van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zulk een hoogte heeft bereikt.
Ik hoop, dat de Minister van die verantwoordelijkheid steeds dieper zal worden doordrongen.
Onze lezers zullen ongetwijfeld met belangstelling van dit woord van professor Visscher hebben kennis genomen. De professor deed goed om aan den aandrang naar bezuiniging op de onderwijsuitgave nog enkele leerzame opmerkingen toe te voegen.
Dat de antirevolutionaire afgevaardigde het oor van de Kamer had, laat zich begrijpen.

RUIMERE ARMSLAG.
De aandrang, welke van de drie groepen der rechterzijde van de Tweede Kamer op de Regeering is geoefend geworden om meer soepelheid te verkrijgen bij het verleenen van aanvullenden steun aan de gezinnen der werkloozen, door de Diaconieën en de particuliere liefdadigheid, is niet zonder succes gebleven.
Zooals bekend is, wordt bij het genieten van aanvullenden steun, sommige gevallen uitgezonderd, deze steun in zijn geheel afgetrokken van de hulp, die uit de Overheidskassen wordt verstrekt, waarvan het gevolg is, dat de werklooze, zoo hem van particuliere zijde al eenigen geldelijken steun wordt verleend, er financieel niet beter van wordt.
Deze regeling houdt èn de Diaconieën èn de particulieren er dikmaals van terug om den werklooze en zijn gezin eenige geldelijke handreiking te doen.
Bij het optreden van den tegenwoordigen Minister van Sociale Zaken bestond de bepaling — en dit was een der uitzonderingen — dat van de Ouderdomsrente van inwonenden slechts 2/3 in rekening behoefde te worden gebracht. Van de ƒ 3.— pensioen mocht het gezin van den werklooze dus in zoo'n geval ƒ1.— boven den genoten steun behouden. Deze bepaling is thans in dier voege uitgebreid geworden, dat ook dezelfde maatregel zal gelden voor het geval e» inkomsten uit de Invaliditeits-en Ouderdomsrente verkregen worden.
Toch blijft deze toestand onbevredigend.
Vandaar, dat aan de Regeering verzocht werd om aan de kerkelijke-en particuliere liefdadigheid „geen wezenlijke belemmering in den weg te leggen", en het dus mogelijk te maken, dat b.v. de Diaconieën aan hare werkloozen een toeslag op den steun uit de Overheidskassen kunnen verleenen, zonder dat die toeslag tot vermindering van den steun van Overheidswege zou leiden.
Aan dit verzoek is de Regeering thans door de toezegging van „ruimeren armslag" voor een groot gedeelte tegemoet gekomen.
De remmende bepalingen ten aanzien van aanvullenden steun zijn aanmerkelijk verzacht geworden.
Van een volledige vrijheid voor de particuliere liefdadigheid om geldelijken steun naast dien uit de Overheidskassen te verleenen, kon — en dit is te verstaan — geen sprake zijn.
Voortaan zullen echter als gevolg van den „ruimeren armslag" in gevallen, b.v. om het Minister Slotemaker na te zeggen, dat iemand, die in een werkloozengezin ƒ 10.— op tafel legt, of, werkloos, dien toeslag blijft behouden, d& ze een rijksdaalder toeslag kreeg en die man thans werkloos, dien toeslag blijft behouden, deze bedragen niet meer van den steun uit de Overheidskassen worden afgetrokken.
Diaconieën en particuliere liefdadigheid genieten dus voortaan eenige meerdere vrijheid bij het geven van aanvullenden steun.
Wij zijn den Minister van Sociale Zaken dankbaar voor de wijze, waarop hij aan de gegronde klachten is tegemoet gekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's