WISSELING DES JAARS
Psalm 102 : 28. Maar Gij zijt dezelfde en Uwe jaren zullen niet geëindigd worden.
Hoe treffend schoon en juist zijn de beelden, waarvan Gods Woord zich bedient om ons het bijzondere, wezenlijke karakter van onzen levensgang ons af te malen. Zoo vergelijkt Mozes den voorbijgang onzer jaren met den slaap. In een oogwenk is de nacht bij den gezonden slaap aan ons voorbij. Zonder dat we het merkten, waren vele uren aan ons voorbijgegaan, die op den dag ons, vooral als wij er vóór staan, lang, en als wij vergeefs moesten wachten, eindeloos zouden schijnen. Als een slaap zijn zij. Dat is wonderlijk, hoe heden en toekomst ons langzaam slechts naderen en hoe de dag van gisteren, als hij voorbijging, slechts een gedachte ons toeschijnt. Zoo is het met de jaren van ons leven. Toen wij kind waren, en pas ontwaakten voor het leven, en de begeerte om eenmaal „groot" te zijn als vader of oom, in ons opleefde, hoe ver scheen toen die toekomst af. En als wij man of vrouw geworden zijn en de bloeitijd aan ons reeds voorbijging en de avond des levens daalde, hoe gansch anders zien wij dan op wat achter ons ligt, op dat leven met zijne zorgen, moeite en strijd! Het gaat als eene schaduw aan ons voorbij, en wij zullen het wederom Mozes moeten nazeggen : „Wij brengen onze jaren door als eene gedachte." Inderdaad, dit is het wezenlijke in onzen levensgang, dat wij slechts het ondeelbare heden kennen als eene gedachte, die ons bewust wordt en reeds onder die bewustwording bezig is voor ons weder te verdwijnen. Zoo doorleven wij eigenlijk slechts het oneindig kleine, ondeelbare heden, terwijl al wat achter ligt, als een vaag herinneringsbeeld voor ons treedt.
Zoo is het ook met dit nu weer voorbijgegane jaar. Nauwelijks ingetreden, treden wij al weder uit naar den jaarkring, die volgt. Onvoorstelbaar snel verdwenen de dagen en de maanden voor onze oogen, en eer wij er bij stil stonden, waren de twaalf maanden weder heengevloden en wachten wij reeds weder op het nieuw begin.
Maar toch, hoe de maanden ook henen zijn gespoed, hoe wonderbaar snel gevleugeld de jaren ons als „jachtschepen" voorbij zijn gevaren, toch geschiedt er zooveel in de korte spanne tijds, dat die dagen een belangrijkheid toekent, die oneindig grooter en gewichtiger is, dan wij meestal meenen. De snel voortvarende tijd verschijnt in het licht der eeuwigheid, onze levensdaden in het licht van het eeuwig recht. De mensch trekt over zijn levensweg op naar zijn eeuwig huis.
Het ondenkbaar kleine heden is voor den mensch toch moment in het eeuwige licht. Als naar Gods beeld geschapen, blijft hem ook van dien oneindig kiemen tijd de rekenschap van zijn rentmeesterschap. Wat hij was, wat hij dacht, wat hij sprak en wat hij deed of naliet te doen, de Heere stelt het voor Zich in de vierschaar van Zijn goddelijk recht. En daarom is dat snelle, voortvliegende leven, hoe klein wij overigens als menschen zijn, toch van oneindige beteekenis. Wij zullen rekenschap geven van de jaren onzes levens, van al wat de Heere ons schonk, en wij zullen moeten verklaren wat wij deden met dien levenstijd en met de gaven, ons bereid. In eeuwig licht verschijnt het menschelijk leven. En de Oudejaarsavond is er om ons daaraan te herinneren, opdat wij voor Gods aangezicht zullen komen, bij die voorbijgegane jaren zullen stilstaan en met Job onzen Rechter om genade bidden zullen.
Veel geschiedt er in een jaar, vooral in dezen tijd, nu het crisis-spook rondwaart onder de volken. De oorlogen roept het op, de geruchten van oorlogen verspreidt het. Welk een nameloos leed kent deze moderne wereld met haren wonderen rijkdom van techniek, met hare weelde en ellende, met hare industrie en hare armoede. Nimmer heeft de menschheid zoo algemeen, zoo diep geleden. En nimmer ook besefte zij zoo weinig van de gronden harer eigene ellende. Zij leeft zoo oppervlakkig en daarom gloeit zoo fel het vuur der revolutie in den diepen ondergrond van het leven der menschheid, zonder dat zij de werkelijkheid van haar eigen staat zoekt te doorgronden. Donker gaat dit jaar ander, zooals het donker aangevangen is. Nergens schier klaren aan den horizon de nevelen op en spreekt een schijnsel van licht over hoopvoller dagen. En het ergste onder dit al is de onaandoenlijkheid der massa, die voortleeft zonder eenig besef van de gevaren, die dreig: en, en van de eindelijke ontwrichting, die langzaam, maar zeker tot hare ontknooping vaaderen zal.
Er is geen teeken, dat wijst op bekeering tot God en op wederkeer naar de paden van ouds. En daarom is er ook niets, dat wijst op wat de grondtoon is, waaruit deze psalm is gezongen. Hij wordt ons gegeven als „het gebed eens verdrukten, als hij overstelpt is en hij zijne klacht uitstort voor het aangezicht des Heeren." In die diepte der ontdekking, in die worsteling met God, ging hem het licht over den Eeuwige op. Deze psalm is een crisis-psalm, waarin Gods Kerk worstelt met de angsten harer ziel, met de eenzaamheid van haar leed, met de smarten, die de vijanden haar aandoen. Ja, zij voelt zich als een gevangene, als kinderen des doods. Zij verkeerde dus in toestanden, zooals in onze dagen heerschen. Wanneer zij de wereld aanzag, te midden waarvan zij leefde, dan was de horizon donker en scheen nergens heil te dagen. Maar zij had het groote voorrecht, dat zij met God worstelde en dus den uitweg tot het leven kende. En juist daarin mag ons dit gebed tot eene leering zijn in de donkerheid des tijds, nu alles in dorheid en doodheid schijnt verzonken. Want indien er iets te betreuren valt als een der bangste teekenen, dan is dat zeker wel de biddeloosheid en de geestelijke ver dorring, waarin zelfs de massa verzonken is dergenen, die nog schijnen te vragen naar de dingen van het Koninkrijk Gods.
De Oudejaarsavond spreekt ons van de vergankelijkheid, van het al-verglijdende in ons leven, zooals deze bidder des Ouden Verbonds dit niet slechts aanschouwde in de wereld rondom hem, maar ook zelve ervaarde in eigen bestaan. Hij voelde, dat ook zijn eigen leven hem als ontglipte, hoe hij sterven ging langzaam, maar zeker, en hoe hij dreigde te bezwijken onder den last van de nooden, die diep hem nederdrukten. Het scheen hem, als brak alles af bij de hand, als zonk hij allengskens weg in den afgrond des verderfs. En daarom Klaagde hij : V; , Wijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen."
Hij voelde nog zijne levenskracht, al vreesde hij den ondergang. En zoo moesten wij eigenlijk ook staan op den Oudejaarsavond, ook al beluisteren wij nog in ons den polsslag des levens.
Deze zelfde avond spreekt ons immers van den ondergang van een jaar, dat in den oceaan der tijden verzonk, dat niet zal wederkeeren en aftelt van de ons toegemeten spanne tijds. Ook ditmaal zijn er velen, die met ons niet meer het Oudejaar verlaten, hoewel zij het blijmoedig met ons binnentraden. Allen herinneren wij er ons, die wij uitdroegen naar den akker der dooden en allen kennen wij er in onzen kleinen levenskring, wier ledige plaats ons het hart met weemoed vervult op dezen Oudejaarsavond. En ja, dan verstaan wij, waarom deze bidder smeekte,
„dat hij toch niet mocht worden weggenomen in het midden zijner dagen." Wij kleven aan zooveel, dat het leven ons geschonken heeft, aan ons gezin en aan onze levenstaak en aan onze levensidealen. De dichter wist zich mede opgenomen in dien allen meevoerenden stroom des tijds, en hij wist het, dat ook dit komende jaar hem kon brengen naar den akker der dooden. En zoo smeekte hij om toch zijn leven geheel ten einde te mogen brengen, zijn levenswerk te mogen afmaken, al was het hem ongetwijfeld ook wel bekend, dat dit een karaktertrek is van den mensch in dit leven den dood verre van zich te stellen, door al maar weder nieuwe idealen zich te scheppen. En toch, onder dat alles, dat ons van nature eigen is, voelde hij zijne eigen vergankelijkheid zoo diep, dut het hem angstig werd om het hart en zijne smeeking opklom, „dat hij toch niet mocht worden weggenomen uit het midden zijner jaren." Zeker, dat mogen wij van den Heere vragen op den Oudejaarsavond. Doch dat zullen wij eerst dan kunnen doen, als ons oog open gaat voor den Heere Zelven, als wij Hem mogen kennen als den Eeuwige, die niet verandert, die niet vergaat, die niet wordt meegevoerd gelijk wij door den immer voortwentelenden stroom des tijds. Als wij Hem kennen als onzen God en Vader, die in den Heere Jezus Christus Zich openbaarde als eeuwig in Zijn recht, maar ook als eeuwig in Zijn genadevol ontfermen.
Indien wij Hem zoo leerden kennen in ons leven, dat achter ons ligt, dan zal op den Oudejaarsavond in ons geboren worden een vasthouden aan Hem, „ziende", zooals van Mozes staat geschreven, „den Onzienlijke." Zoo ook kende hem de psalmist. En daarom, toen hij werd neergedrukt onder den last zijner zonden, stortte hij zijne klacht uit voor des Heeren aangezicht en werd in dat gebed zijn oog ontsloten voor het eeuwig onveranderlijk Wezen onzes Gods, tegenover Wien de grootste schepselen, hemel en aarde, in het niet verdwijnen. Hij aanschouwde het alles als Gods schepsel, hemel en aarde en al wat daarin is, en daarom niet slechts als afhankelijk, maar ook als vergankelijk. En tegenover dat alles verscheen hem de Heere als de Eeuwige, die niet moede, noch mat wordt. Wiens jaren niet geëindigd worden, maar die eeuwiglijk Dezelfde is. De wijze, waarop ons dit in den grondtekst gezegd wordt, duidt nog klaarder dan in onze vertaling de absoluutheid van Gods Wezen aan. Zijne eeuwige, onveranderlijke, maar ook vrijmachtige Wezenheid wordt alzoo voor het zielsoog van dien bidder ontdekt. Hij krijgt dan ook, hoewel hij zichzelven kent als medegezogen door den stroom der vergankelijkheid, een houvast des geloofs aan het eeuwig Wezen Gods. Zoo wordt hij opgeheven uit den stroom der vergankelijkheid, wordt hij met zijn beide voeten geplant op den Heere, die zijn Rotssteen is geworden, zoo wordt hij opgevoerd boven den tijd uit en gesteld met zijn gansche leven, met al zijn levensnooden, met al zijne moeiten en zorg en strijd, in het eeuwig licht van Hem, die de getrouwe Bondsgod is, die de werken Zijner handen niet laat varen en ook niet zal toelaten dat Zijne kinderen de verderving zien. Zoo belijdt hij van zijn God : „Maar Gij zijt dezelfde en Uwe jaren zullen niet geëindigd worden."
Hoe schoon zou ons de Oudejaarsavond worden, als wij door des Heeren Geest geleid werden in dien levensweg, zooals de dichter ons dien hier beschreven heeft. De tijden zijn donkerder dan ooit. Ook het jaar, dat voor ons ligt, ontsluit slechts donkere perspectieven. Langzaam, maar zeker glijden de volken van Europa dieper weg naar oorlog en ellende. Men spreekt, niet zonder grond, van een structureele crisis, die de wereld doormaakt in dezen tijd. Een structureele crisis, dat is in den grond der zaak een ander woord voor eene groote, geweldige, allesomvattende revolutie, die de volken voert naar geheel andere levensvormen op schier elk gebied. Dat is dus de naam voor de barensweeën van een nieuwen tijd, dien wij wel allen zien naderen, maar dien toch niemand zich precies kan voorstellen. Daarom juist sluit dit jaar zoo donker, zoo somber, zoo angstig zelfs voor velen, daar niet kan worden doorzien, ook niet bij benadering zelfs, wat de naaste toekomst in haar schoot draagt. Doch juist daarom is er meer dan ooit reden, op dezen Oudejaarsavond des Heeren aangezicht te zoeken. „Zoekt mijn aangezicht", zegt Hij, „roept Mij aan in den dag der benauwdheid". En dan zal Hij Zich aan onze ziel openbaren als de Eeuwige, die niet laat varen de werken Zijner handen en in de harten Zijner kinderen een geloof legt, dat hen leert belijden : „Ja, ik ben als een man, die niet hoort en in wiens mond geene tegenredenen zijn, als de nood zal neerdrukken, want op U, Heere, hoop ik, Gij zult verhooren, Heere, mijn God !" Zoo wordt de Oudejaarsavond tevens ingang in het nieuwe jaar en blijft de zekerheid, dat Hij, die de Eeuwige is, ook eeuwig is in Zijn ontfermen, wanneer de onbekende jaarkring zich opent voor onzen voet. Hij wekke in ons de zekerheid, dat geen schepsel, zelfs de dood niet, ons kan scheiden van de liefde Gods, die in Christus Jezus is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's