GRETSKE „DE FREULE"
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
„En wil je buurvrouw ook wel luisteren als ge haar van den Heere Jezus spreekt" — vroeg hij. „Oude Ka is bang voor den dood en wil graag naar den hemel, en de anderen laten haar aan haar lot over. Daarom luistert zij met eerbied, als ik eens iets uit het Boek lees."
„Het Boek ? Welk Boek, Gretske ? "
Toen nam zij haar Testament en streelde het met een teerheid, zooals eene moeder haar eerstgeborene streelt.
„Is je dat zoo dierbaar, Gretske ? " — vroeg dominé.
„'t Is mijn alles, dominé. Hierin vond ik rust voor mijn hart."
Nog veel meer werd daar gesproken. De minuten vlogen om. Nu en dan kwam er een hoofd buiten de deur om te zien of het bezoek haast niet heen ging en allerlei veronderstellingen werden er gemaakt, die natuurlijk kant noch wal raakten. Gretske dacht er niet aan, haren nood te klagen, noch minder om te vragen om iets voor haar aardsche leven. Zij had een rijken Vader in den hemel, die wel zorgen zou dat het haar niet aan het noodige kwam te ontbreken, maar haar ziel dorstte naar het levende water, en hier had zij den man, die met wijsheid haar wist te leiden tot de Bron, welke nooit kan worden uitgeput. Tenslotte volgde een roerend gebed, waarin twee zielen tot één werden, en zich uitgoten voor het Vaderhart Gods.
Eindelijk stond de leeraar op. „Ik moet weg, Gretske" — zei hij — „m'n arbeid roept mij elders. Maar ik hoop eens terug te komen, en zeg tegen je buurvrouw, dat wanneer zij verlangt dat ik ook haar bezoek, men mij dat dan maar even heeft te doen weten."
Toen reikte hij haar de hand. Waren zij niet samen door één geloof verbonden met eenen Heer ? Schuchter nam Gretske die aan als iets teers en zeide toen : graag dominé."
Met diepen eerbied nam de Goudvink zijn pet af, toen de predikant zijn deur passeerde, doch nauwelijks was hij om den hoek verdwenen of daar kwamen zij, de oude bekenden, tot zelfs de stoelenmatter en zijn vrouw, om nog eenmaal met elkander het groote nieuws te bespreken, dat Lombok bezoek had gehad van een dominé.
Gretske bleef binnen. Zij begreep maar al te goed wat het onderwerp van het gesprek daar buiten was en had geen behoefte aan dat gezelschap. Maar in haar hart jubelde het, omdat zij een dienaar Gods in haar need'rige woning had mogen hebben, die met haar sprak van zeer heerlijke dingen, die 't eeuwige Koninkrijk aangaan. En dat, waar zij niet eens lidmaat van de Kerk was !
Intusschen werd in de pastorie met verlangen naar de thuiskomt van den man en vader uitgezien. Hoe hij het daarginds bevonden had ? Als men hem maar geen kwaad deed. D'r woonden zulke bandieten in die buurt. En dominé was lang niet opgewassen tegen zulk ruw volk. Eindelijk, daar zag men hem naderen. Een der oudste kinderen liep hem tot het tuinhek tegemoet, en vroeg al aanstonds : „Hoe is 't, vadertje ? " Maar dat bleek wel uit de heele houding. Daar lag iets vroolijks over zijn gelaat, gelijk dat er ook zijn kon, wanneer hij 's Zondags naar den kansel ging om daar het Woord des levens te verkondigen.
„Best, kind, hoe zoo ? "
„Wij maakten ons thuis haast ongerust, omdat u zoo lang uitbleef".
Hier moest hij toch even lachen. „Dachten jullie haast dat ik in een roovershol verzeild was, waar men mij alleen tegen een hoog losgeld zou willen vrij laten, zooals wel eens in de boeken staat ? "
„Neen, maar men wist 't soms niet. Men hoort een enkele maal van zulke vreeselijke dingen."
Daarop kwamen ook de anderen toeloopen. In den koepel stond de koffie gereed. Meer dan één paar oogen keken hem nieuwsgierig aan, alsof zij wilden vragen : „Vertel u ons nu eens iets."
Toen sprak hij : „Ik ben vanmorgen bij een Koningskind geweest."
Ja, zoo kon hij zeggen, en dan wist men meteen in welk 'n stemming hij verkeerde. Daarop volgde een kort verhaal van het gesprek, met Gretske gevoerd. Al het andere, de heele omgeving waarin zij verkeerde, viel weg — het ging alléén om het groote, het eenige, waar het bij allen om gaan moet, het eeuwig zieleheil.
Met stille aandacht werd geluisterd naar hetgeen deze arme vrouw verteld had over hare toebrenging tot het geloof en hoe zij in allen eenvoud dit uitleefde, 't Was heel gewoon. Niets bizonders of iets dat aan een roman deed denken. Maar waar. Omdat het léven was.
„En zal zij nu ook met de andere menschen van die buurt naar kerk ? — vroeg een der kinderen.
Daarover hebben wij het nog niet gehad, maar dat komt later wel, naar wij hopen."
„'k Ben van achteren tóch blij, dat je gegaan bent" — zei mevrouw — „het zijn toch óók menschen."
Hoofdstuk XII.
LEVENSRAADSELEN.
Het kwam anders dan gedacht werd. Na enkele weken van ziek zijn, knapte oude Ka weer op, en mocht al eens een paar uur voor het raam zitten. „Onkruid vergaat niet" — zei manke Trui tegen „de Scheele". Niet zonder spijt, vooreerst, omdat zij gehoopt had op de attractie van dé begrafenis : koffie met zwarte klontjes en echte Deventer koek met krakelingen, en dan, omdat het hare begeerte was het kamertje van Ka te betrekken, waar het minder rookte en de zon meer naar binnen kwam. Zoodra de oude dood ging, zou zij zorgen de eerste bij den Armmeester te zijn met de vraag, of hij een goed woordje voor haar wilde doen bij de voogden, opdat zij de woning van Ka kreeg, en nu had het er alles van dat zij opnieuw ging inhuren, zooals de buren zeiden.
„'t Valt je niks af, hé ? " — nijdigde Ka met iets venijnigs in hare stem, toen op zekeren morgen buurvrouw met iets teleurstellends in haar oog, een blik bij haar naar binnen wierp. „Je dacht zeker met al de anderen, dat ik plan had mijne matten op te rollen, maar zóóver is het nog niet. Ka hoopt eerst nog een poosje te genieten van haar pensioentje !"
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's