KERKELIJKE RONDSCHOUW
ZIJN ALLE DINGEN VOOR ONS NIEUW ?
ZIJN ALLE DINGEN VOOR ONS NIEUW ?
Op Oudejaarsavond moeten wij er iets van voelen, dat alles aan ons onrein is; dat niets van ons voor God bestaan kan ; dat alles op één hoop moet worden geworpen, naar het Woord des Heeren : „al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed."
Onder het oude volk van Israël deed de Heere, die de groote Opvoeder is, bij alles voelen, dat men met de onreinheid der dingen rekening moest houden. Overal ontmoette men de onreinheid en men moest er acht op geven, altijd weer.
Denk eens (we leven in de dagen vlak na de geboorte van den Heiland) aan de geschiedenis van Maria. Zeven dagen was zij onrein na de geboorte van het Kind. En dan nog moest zij drie en dertig dagen binnenshuis blijven ; niet in het heiligdom Gods mocht zij naderen en niets dat heilig was mocht zij aanraken, want zij was onrein. (Lev. 12).
Natuurlijk had dat zinnebeeldige beteekenis. Heel het leven, van de geboorte afaan, heeft iets, dat onrein is, onheilig en gansch verachtelijk en verwerpelijk. En niet alleen bij de geboorte, maar ook bij het sterven. Vooral bij het sterven. Dan is de ontbinding daar. De gestorven mensch kan in den kring der levenden niet blijven. De doorwerking en de straf der zonde komt uit in den gestorvene en het komt uit hoe onheilig de mensch voor God is.
Onder Israël verontreinigde de geboorte van een kind, welke onreinheid in de moeder moest uitkomen en door haar gedragen worden. En onder Israël verontreinigde de aanraking van een doode, wat heel ernstig werd aangerekend. En zoo stond de onreinheid aan het begin van het leven en op het eind kwam dit weer bijzonder voor den dag.
Ieder voelt wel, dat dit zinnebeeldig was. Want op zichzelf zal de zondige vrouw niet zondiger worden door haar kind ; en de onreine mensch zal niet onreiner worden door het aanraken van een dood lichaam. Zelfs moeten deze dingen geschieden. Het kind kan niet geboren worden zonder de moeder, en de gestorvene kan niet zonder de aanraking van de levenden. Maar, we voelen wel, de Heere wilde Zijn oude volk, in de kinderjaren van Zijn Kerk, zoo klaarlijk onderwijzen in deze dingen, opdat men diepe indrukken zou krijgen van de zondigheid aller dingen, van de onreinheid en verwerpelijkheid van alles wat tot ons menschenleven behoort.
Van de geboorte afaan moest de Wet der reiniging worden betracht.
En bij het sterven was het niet anders.
Hierin ligt voor ons dit goddelijk onderwijs : dat ons menschelijk leven van de geboorte tot 't sterven onder de zonde ligt, ontbinding, dood, verderf, onreinheid in zich draagt en alles voor God verwerpelijk is. Waarbij maar één weg, één middel ter ontkoming is : te mogen deelen in de verzoening met God, die in Christus is. Dat is het eenige Zoar, wanneer zwavel en vuur van den hemel de landstreek van Sodom en Gomorra verdelgt. Dat is de eenige, maar ook zoo veilige en zalige wijkplaats voor den armen, met zonde voor God bezwaarden, onreinen en wegstervenden mensch : Christus en Zijne gerechtigheid ; de verzoening en vrede met God, die in Hem is voor een iegelijk, die oprecht tot Hem vlucht. Door de gemeenschap met Hem alleen is er voor ons ontkoming, is er voor ons een verlossing van den dood en van het verderf, die ons in het dagelijksche leven overal omringt en aankleeft. En in Christus is er het deel van de erve der heiligen met vrede en blijdschap. Omdat Christus onze onreinheid gedragen heeft — Hij is geworden uit eene vrouw, geworden onder de Wet — is er voor degenen, die uit een vrouw geboren zijn en onder de Wet waren, verlossing. En het is alles in Sions Borg en Middelaar, opdat wij de 'aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. (Galaten 4).
Heeft de wisseling des jaars ons iets gebracht van deze heerlijkheid ? Zijn alle onze gerechtigheden voor ons geworden als een wegwerpelijk kleed en mag Christus' gerechtigheid nu de mantel zijn, die ons om de schouders geworpen is ?
Heeft de wisseling des jaars ons iets gebracht van de wisseling van al het onze met hetgeen van Christus is ? Dan wil Christus voor arme zondaarszielen, die niets uit en van zichzelf bezitten, zeggen en waar maken : „Ik maak alle dingen nieuw".
De Heere geve er ons iets van te kennen, tot troost bij alles wat vóór ons ligt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's