De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

11 minuten leestijd

Genesis 6 : 17. Want Ik, zie Ik breng eenen watervloed over de aarde, om alle vleesch, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven : al wat op de aarde is, zal den geest geven.

3e Serie.
XXXI.
Het ware, levende geloof is een geloof op God, waaraan de bloem der hope zich ontplooit. Dat geloof vindt zijn eindpunt in God, die Zijn Woord spreekt. Gods kinderen hooren Gods Woord en gelooven dat Woord, onderwerpen zich in gehoorzaamheid aan dat Woord, omdat zij er God Zelven in hooren spreken. Het geloof in Gods Woord, zooals het met name door Calvijn geleerd wordt, heeft dan ook niets gemeen met een willekeurig als waar erkennen, dat de wereld soms ons toedicht, als ware de Bijbel voor de Kerk en voor hen, die het ware leven der Kerk deelachtig zijn, een, zooals men smalend zegt, „een papieren Paus". Niets is minder waar dan dat. Het geloof in Gods Woord, de erkenning van den plicht tot gehoorzaamheid aan dat Woord, is er niet als een van buiten door vreemde macht aan ons opgelegd gezag. Maar de ziel van Gods kinderen hoort er zelve de sprake Gods in, die als Gods sprake, met gezag bekleed, tot ons komt. En daarom is er dat geloof dan ook, zonder dat er een doorzicht is in het gevolg. Het ware geloof leert niet redeneeren over den uitslag, leert zelfs niet er naar te vragen. De ziel desgenen, die gelooft, is alleen maar vervuld met den heiligen eerbied voor Hem, die spreekt, gaat daarin op en heeft voor niets anders meer aandacht. Denk slechts aan Samuel, als hij neerlag eer de lamp Gods werd uitgedaan in den tempel des Heeren, waar de ark Gods was. De Heere riep Samuel tot tweemalen toe, doch Samuel kende den Heere nog niet en het Woord des Heeren was nog niet aan hem geopenbaard. Daarom onderwijst hem Eh. Deze gaf hem, om zoo te zeggen, les in het geloof, leerde hem de wegen des Heeren met de ziel Zijner kinderen kennen. En als dan Samuel voor de derde maal geroepen wordt, dan luidt zijn antwoord eenvoudig : „Spreek, Heere ! want Uw knecht hoort". En dan lezen wij niet, dat hij, als de Heere spreekt, ook maar iets anders doet dan hooren. Hij legde zich te luisteren, nam de woorden Gods in zich op, deelde later op Eli's aandrang hem mede, wat de Heere gesproken had, maar over den inhoud dezer Godswoorden houdt hij geenerlei beschouwing. Hij aanvaardde eenvoudig deze woorden in geloof. En zoo is het ook dan, als de Heere aan Zijne knechten eene roeping geeft. Dan komt het voor, dat Hij Zelve hun die roeping uitlegt, er eene verklaring van medegeeft, opdat zij den weg zullen weten, waarlangs zij zullen moeten treden, maar zij blijven als een Jesaja staan bij dat gehoorde Woord : „Toen zeide ik, zie, hier ben ik", en hij voegt daar als het bewijs zijner gehoorzaamheid er aan toe : „Zend mij henen." En dan legt de Heere hem verder zijne roeping uit. En alzoo dééd de Heere met Jeremia, dien Hij stelde voor eene geweldige roeping, zoodat Jeremia er zijne onbekwaamheid onder gevoelen moest, maar het einde is, dat de Heere tot hem zegt : „Ik geef Mijne woorden in uwen mond." En daarmede was het genoeg. Het geloof rust in de woorden Gods, omdat zij Gods woorden zijn, die als zoodanig hun eigen gezag meebrengen, de ziel Zijner kinderen overheerschen, tot een gehoorzaam luisteren brengen. En zoo is het nu met alle Godsmannen geweest, die, door den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben gesproken. Tegenover die drijving des Geestes hadden zij slechts te zwijgen en hield de redeneering van het natuurlijk verstand op. En zoo is het nu met het waarachtig geloof van Gods kinderen evenzoo. Als zij des Heeren stem hooren door Zijn Woord, dan luisteren zij gehoorzaam.
En dit was nu ook zoo bij Noach. Hij hoorde de woorden Gods, nam ze eenvoudig aan, hoewel hem nog niet bekend was, waartoe hij dit groot gevaarte moest houwen. De geloofsgehoorzaamheid leefde in zijne ziel, dus was hij eens willend met den Heere, vast besloten, afgezien van alles, ook van zijn eigen vragen, naar de woorden Gods te handelen. Maar ook hier blijkt nu weder, dat de wegen, die de Heere met Zijne kinderen neemt, de leering, die Hij hun verstrekt, nooit onredelijk zijn, want Hij gaat nu voort aan Noach licht te geven aangaande de dingen, die komen zullen. Hij verklaart aan Noach het oordeel, dat aanstaande is. Had Hij voorheen gesproken van het berouw en de smart over de schepping des menschen en aan Zijne oudste Kerk een inzicht gegeven in het oordeel der gerechtigheid, dat aanbreken moest, zonder dat Hij de bijzonderheden daarvan openbaarde, nu ontdekte God Noach's oog voor den aard van het strafgericht, dat Hij voltrekken zou. Nadat eerst het bouwplan der ark was bekend gemaakt, werd nu met het vonnis ook het doel der ark aan Noach verklaard. De Heere licht de gegeven opdracht toe en legt daarbij grooten nadruk op de geweldige tegenstelling, waarin de toenmalige oude wereld verkeerde voor Gods aangezicht. „Want Ik", zoo zegt Hij, „zie. Ik breng eenen watervloed over de aarde." „Ik, Ik", zoo zegt Hij tweemalen, opdat Noach een diepen indruk zou ontvangen van hetgeen er nu zou gebeuren. Hij moest goed weten, dat in de groote catastrophe, die over de aarde gebracht zou worden, er niet meer alleen sprake was van een natuurverschijnsel, niet slechts van een wild, chaotisch spel van krachten, dat naar toeval zou verderven, maar van een werk Gods. Noach moest er met volle klaarheid Gods hand in zien. Dat wordt hem op het hart gedrukt; de groote werken des Heeren zou hij er in moeten aanschouwen. Daardoor kreeg dus alles een geheel bijzonder karakter. Ook de voorzegging zelve stelt dit in het licht. Zoo draagt dus de historiebeschouwing, die in Gods Woord hier aan Noach en daarmede aan de oude Kerk werd voorgehouden, een geheel ander karakter dan die van de volken rondom, een ander karakter ook dan die der moderne wereld.
De Heere legt er nadruk op, dat Hij een watervloed brengt. Daarmede is de mythologische voorstelling, waarin de goden des hemels, zoowel als die der wateren, een rol spelen, afgesneden, gelijk er ook geen plaats is voor de god-looze beschouwing der natuur, die de moderne wereld kenmerkt. Hier verschijnt God in de majesteit Zijner scheppende macht, in Zijne souvereine heerlijkheid, evenals de dichter van den 29en Psalm Hem bezingt: „de Heere heeft gezeten over den watervloed, ja, de Heere zit. Koning in eeuwigheid." Hij verschijnt er als die God, die de hemelen met wolken bedekt, en voor de aarde regen bereidt, die de winden waaien doet en de wateren vloeien heen. Zijne werken in de natuur vermelden de heerlijkheid Zijns Koninkrijks en spreken Zijne mogendheid uit. Zoo heeft dus de oudste gemeente met de eenheid ook de souvereiniteit Gods en Zijne almachtige werking in, door en over de natuur gekend. Maar omdat zij, krachtens het licht der bijzondere openbaring ook eene diepe, levende kennis heeft gehad van het deugdenbeeld Gods en het daarin stralend licht Zijner zedelijke heerlijkheid, in Zijn recht en Zijne genade beide, daarom verschijnt hier de scheppende werkzaamheid Gods in de natuur ondergeschikt en in dienst van de gerechtigheid. Als Hij dan ook tot Noach zegt, dat Hij een watervloed brengen zal over de aarde, dan wordt het daardoor duidelijk, dat de oudste traditie der eerste Kerk in voor-historische tijden, het volk Gods in Zijne bijzondere openbaring reeds een klaar inzicht heeft gehad in de verhouding waarin God staat tot de natuur. Hij verwerkelijkt in het natuurgeschieden Zijne Godsgedachte, Zijn Raad, en deze gedachte Gods staat in onafscheidelijk verband met Gods gerechtigheid. God is hier dus geen natuur-godheid, zooals bij de volken, maar de Almachtige, die in eene zedelijke betrekking staat tot de wereld, zooals deze in eene zedelijke roeping tegenover God staat. Zoo was er dus de grond gelegd voor een klaarder inzicht in de verbondsbetrekking tusschen God en wereld, die haar hoogtepunt bereikt in de verhouding van God en mensch. De lagere schepping, de natuur, wordt alzoo dienstbaar aan de geestelijk zedelijke schepping, aan de menschheid, dienstbaar namelijk aan de Godsregeering over de geestelijk-zedelijke schepselen, inzonderheid aan de regeering der menschenwereld.
Zoo heeft dus de gemeente Gods der voor-historische wereld reeds een wonder diepe inleiding genoten in de kennis Gods, waardoor zij zich principieel onderscheidt van de menschheid, die onderging in de Kaïnitische cultuur. Maar evenzeer onderscheidt zij zich nu ook van de godlooze natuurbeschouwing der moderne menschheid. De moderne cultuurmensch kent de natuur slechts als een samenspel van mechanische krachten, die in oorzakelijken samenhang de natuurverschijnselen oproepen. Zoo wordt dus alle betrekking tusschen het geestelijk-zedelijke en hetgeen op het gebied der natuur geschiedt, geloochend. En met deze loochening gaat teloor de wezenlijke eenheid der natuur. En met het verlies van die eenheid gaat gepaard de ondergang der zedelijke wereldorde. Het leven der wereld splijt dientengevolge op in eene veelheid van levensgebieden, die los naast elkander bestaan, allen samenhang derven. Daarom is het, dat deze moderne wereldbeschouwing onder het licht eener evolutionistische wijsbegeerte geboren, in den diepsten grond wortelt in het domme, onverklaarbare toeval. Hoe groot ook de bekoring moge zijn, die er van uitgegaan is, hoezeer zij ook geroemd werd als de eenige, die recht had op den eerenaam der wetenschap, toch is zij wezenlijk even oppervlakkig als die der oude Epicureën, welker evenbeeld zij is. En de wereldbeschouwing dezer moderne menschheid, die den sleutel van alle wereldverklaring dacht te vinden in de leuzen van : de strijd om te bestaan en den triumph der sterksten, ontbreekt de eenheid, want zij kent God niet, heeft voor Hem geene plaats overgehouden, omdat zij haar eigen godheid is geworden.
Hoeveel dieper, maar ook waarachtiger, hoe meer ook bevredigend de behoefte der rede is dan de religieuse wereldwaardeering der Heilige Schrift en die der oudste, praehistorische en dus prae-Schriftuurlijke gemeente Gods! In hare wereldbeschouwing is de gansche schepping één, ligt het wereldleven gebonden aan de wet der hoogste Rede Gods, die in en door al het wereldgeschieden haren eeuwigen inhoud verwerkelijkt. Hier verschijnt het natuurgeschieden als verwerkelijking van den Raad des Almachtigen. Naar het woord van Jesaja worden wij opgeroepen onze oogen op te heffen naar omhoog en te zien, wie deze dingen geschapen heeft. „In getal brengt Hij hun heir voort en Hij roept ze alle bij name en vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is, wordt er niet één gemist". Maar diezelfde, die daar in de hemelen dus Zijn eeuwig denken en Zijne aanbiddelijke wijsheid openbaart, is het ook die vraagt: „Waarom zegt gij dan, o Jacob ! en spreekt o, Israël! mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat van mijnen God voorbij ? " Diezelfde, die de natuur draagt en in haar Zijn Raad verwerkelijkt, is ook die God, die de wonderheid Zijner genade openbaart en de heerlijkheid des rechts handhaaft. En daarmede nu verschijnt de God der Schriften van den beginne in Zijne bijzondere eigenheid, waardoor Hij onderscheiden is van alle goden, die de heidenen kennen. Doch dientengevolge overtreft ook de wereldbeschouwing van Gods Woord alle uit de natuur opgekomen wijsbegeerte der eeuwen.
Daarvan nu blijkt in Gods Woord tot Noach, wanneer Hij zegt: „Want Ik, zie. Ik breng een watervloed over de aarde". Gods kinderen moesten het verstaan, dat als straks de stormen zouden woeden en de wateren bruisen, daarin niet de goden der volken hun spel speelden van menschelijke willekeur, genotzucht en vermaak, of van booze hartstocht en toorn, maar de stem des Heeren er in beluisterd zou worden, die in de redding der Kerk Zijne verkiezende genade, in de overweldigende verschijnselen der natuur Zijne rechtvaardigheid openbaren zou. Niet de blinde mechanische krachten der natuur, maar de eeuwige Schepper van de einden der aarde zou Zijn arm ontblooten met macht. Hij was het, die den watervloed brengen zou en Zijne stem zouden zij hooren en Zijne daden daarin zien, opdat Gods uitverkoren kinderen Hem zouden verheerlijken en Zijne getuigen zijn, opdat zij het zouden weten. Hem gelooven en verstaan, dat „Ik Dezelve ben, dat voor Mij geen God geformeerd is en na Mij geen zijn zal." Daarom gaat door alle eeuwen heen Zijne prediking : „Ik, Ik ben de Heere, en er is geen Heiland behalve Mij".
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's