DE REFORMATIE
IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592—1620
8. Oldebroek.
De oorspronkelijke kerk van Oldebroek was gewijd aan de H. Lambertus. In 1866 is de kerk belangrijk verbouwd. Vroeger stond er ook het Benedictijner klooster. Wie nog meer van het oude Oldebroek verlangt te weten, raadplege het Ned. Arch. v. Kerkgesch., jaargang 1912, blz. 84. Ook staan verschillende dorpen beschreven in jaargang 1852. Wat hier volgt is geput uit de Class, en Prov. Acta.
„De dienaar van 't Oldebroeck" wordt 4 Juli 1592 bij het examen te Harderwijk absent gemeld ; zijn naam is Timannus Elberti (Alberti), en heet in de Prov. Acta proponens, alzoo geen pastoor, want deze blijkt vertrokken, daar Oldebroek de Reformatie is toegedaan.
Twee maanden later, 11 Sept. 1592, is hij op de Prov. Synode te Nijbroek aanwezig, alwaar hij de artikelen van het in Juli gehouden examen onderteekent. De grensregeling der Classis wordt daar ook vastgelegd en Oldebroek ingedeeld bij Neder-Veluwe. De Synode draagt aan de Kerk van Elburg op om de eerstvolgende Classis uit te schrijven te Oldebroek, „opdat Timannus Elberti, proponens aldaar, na zijn examen en gehouden predikatie door. oplegging der handen in zijn dienst bevestigd worde, tenzij dat hij nog niet genoegzaam gekwalificeerd en bekwaam bevonden wierde".
Zoo komt dan de Classis op 14 en 15 Nov. te Oldebroek bijeen. Den eenen dag werd hij geëxamineerd en des anderen daags hield hij zijn preek uit Joh. 20 vers 21 : „Vrede zij met u, gelijkerwijs Mijn Vader Mij gezonden heeft" enz. Het oordeel der Classis was niet gunstig, daar hij in zijn examen te zwak werd bevonden. Derhalve werd zijn bevestiging uitgesteld tot de eerstvolgende vergadering, en werd hij vermaand veel in den Bijbel te lezen en inzonderheid den Catechismus te bestudeeren. Hij werd alzoo in dezen tijd van wording gehandhaafd, blijkt er reeds anderhalf jaar te zijn, daar hij zich beklaagde in al dien tijd niet meer dan ƒ 70.— te hebben ontvangen, waarom hij verzocht of de Classis hem by de Overheid de helpende hand wilde bieden.
In 1593 ontmoeten wij hem als dienaar van Oldebroek op de Synode te Arnhem, waar bijna alle dienaren aanwezig waren en nog niet naar bepaalde afvaardiging.
Op de Classicale April-vergadering 1594 is hij te Harderwijk, alwaar het verzoek is van Garderen om T. Alberti tot predikant te mogen hebben, hetgeen de Classis „uit wichtigen orsaecken" bij provisie toestaat, en waarom hij aan het Hof als zoodanig wordt voorgedragen. Maar hij zal te Garderen niet eerder bevestigd worden, dan na een voldoend examen te hebben afgelegd, (hetzij in de Classis of in de gedeputeerde kerk), en na een goede proefpreek gehouden te hebben. De vacature zal de predikant van Doornspijk voorzien, die daar een week of vier om de veertien dagen zal optreden, waarvoor de Classis aan den Schout van Doornspijk verlof zal vragen. Inmiddels zal de Classis schrijven aan ds. Everhardus Johannis, predikant te Wijdenes in N. Holland, om van hem te vernemen of deze op een beroep naar Oldebroek gesteld is. Winandus Johannis (misschien zijn broer), predikant te Elburg, moest die brief schrijven. Wenschte hij te komen, (dus niet alleen het toeroep te hebben) dan zou de Classis in verbinding treden met het Hof.
In Sept. 1594 was Oldebroek nog vacant, en klaagde Doornspijk dat zij zeer in hun kerkdienst verkort werden doordat hun predikant daar om de veertien dagen telkens was. Derhalve werd in de prediking door twee naburige predikanten voorzien. Die van Oldebroek werden vermaand om in den komenden winter de kerk te repareeren, opdat men in 1595 kans zou maken een predikant te krijgen, die door den predikant van Elburg zou beroepen worden.
Inderdaad blijkt dit gelukt, daar op de Meivergadering 1595 te Hattem aanwezig is ds. Gooswinus Dorr (Dorrhe, Doorh).
Men vroeg hem naar de getuigschriften van Classe en kerk, doch hij had niet anders dan een schriftelijk excuus van eenige predikanten, en de Classis van Oost-Friesland had nog geen attest afgegeven. Niettemin accepteerde de Classis hem en nam hem als lid der Classis aan.
In Sept. 1595 is hij aanwezig te Nijkerk, alwaar aan den predikant van Elburg opgedragen wordt hem in den komenden winter te bevestigen, terwijl verder blijkt dat hij volgens opdracht der Classis, te Elburg het H. Avondmaal heeft gebruikt. Ditzelfde werd opgedragen aan den koster-Schoolmeester van Oldebroek en tevens dat hij wat vlijtiger den kinderen de Catechismus moest leeren.
In 1597 kwam wederom de tractementskwestie aan de orde. Classis, Schout en kerkmeesters dienden samen te werken dat ds. Dorr een behoorlijk onderhoud genoot. Dit is jarenlang een moeilijk punt. In Juni 1600 is hij op de Synode te Arnhem, alwaar hij klaagde dat men zijn tractement met twee mud rogge had verminderd en hem dreigde nog honderd gulden te zullen afhalen. Derhalve had hij den dienst tegen Maart 1601 opgezegd. De Synode verstond, dat hij stichtelijk was in leer en leven, en daarom Oldebroek niet verlaten mocht om een tractementskwestie, maar 'het met de Classicale broeders tot dat einde moest trachten te richten, dat de zaak in orde kwam. De Classis toehoorde hem te helpen, en zoodoende moest de kerk van Elburg den Schout van Oldebroek aanspreken om den dienaar de twee mud rogge niet te onthouden.
Inmiddels klaagde hij in 1600 op de Classicale April-vergadering te Epe over den koster, dat deze zijn ambt niet naar behooren waarnam, en tevens dat de kerkgangers nog weinig in getal waren, en ook, dat hij nog „geen kercke offte gemeint opgericht" had. Dit laatste zal beteekenen dat hij of nog niet zelfstandig H. Avondmaal vierde, óf nog geen kerkeraadsleden vinden kon.
Voor het laatst ontmoeten wij hem op de April-vergadering te Hattem in 1601. De tractementskwestie is niet tot oplossing gekomen, waar door hij, evenals zijn voorganger, verlof kreeg van de Classis om te vertrekken.
Daarna kreeg Oldebroek een nieuwe predikant, te weten Johannes Heesius, die wij voor 't eerst ontmoeten op de April-vergadering 1602 te Nijkerk. Hij had goede getuigschriften en werd na gehouden examen, door deputaten afgenomen, bevestigd. Het volgend jaar hield hij voor de Classis te Barneveld een preek en van de critiek nam hij goede nota. Wegens ziekte was hij in 1604 niet ter vergadering te Heerde, en blijkt in 1605 reeds overleden te zijn. Zijn weduwe kreeg een jaar van gratie.
In 1606 zien wij als predikant van Oldebroek Chrisitianus van Elstrodt, die wel wordt erkend, doch daar er nog geen handopening was, werd zijn bevestiging uitgesteld. We zien hieruit, dat alles nog lang niet overal naar vorm en eisch verliep. In 1607 werd echter zijn bevestiging aan den predikant van Elburg opgedragen, hetgeen in 1608 nog niet geschied is, omdat ds. Van Elstrodt, gelijk zijn voorgangers, er te kampen had met de tractementskwestie. Hij gaf te kennen, dait waar de betaling „seer onseecker staat, hij onseecker is van zijn gedurig verblijf." Weer werd de predikant van Elburg er bij geroepen, ten einde met den Schout te spreken tot afdoende regeling „tot meerder verseckerheit end vasticheit sines dienstes aldaer." Indien het dan ook niet geschiedde, zouden de Classicale deputaten Oldebroek in het oog houden.
Het baatte echter niet, weshalve de predikant, die van de wind niet leven kon, in 1609 vertrok, na goede getuigschriften van de Classis te hebben verkregen.
In 1610 heeft Oldebroek weer een nieuwe predikant, n.l. Assverus Florentii Sergius. We zien hem op de April-vergadering der Classis. Zijn stukken waren in orde en zijn examen had een vlot verloop, waarop de bevestiging volgde. Ook toonde hij op de Classis een stuk van het Hof, waarbij hij vrij verklaard was van trouw-beloften, die hij eertijds aan een jongedochter te Harderwijk, Henrickje Henries genaamd, gedaan had. De Classis zeide, dat men als zoodanig daar eigenlijk niet mee te maken had, en hem derhalve in zijn dienst niet wilde beletten. Echter was ds. Assverus om dit avontuur met Henrickjen leelijk in opspraak gekomen, daar zij te kennen had gegeven, vele brieven van hem te hebben ontvangen, waaruit „sijn goede affectie ende liefde tegens haer" duidelijk bleek. Ja, toen Assverus nog student was, had hij veel en vrij met haar geconverseerd. De Classis had aan het gepasseerde een mishagen, en berispte derhalve Assverus, die echter ontkende dat hij Hendrikje ooit in haar eer had gekrenkt. Niettemin had hij volgens de Classicale bestraffing zich als een godzalig predikant te gedragen en zich van verdere onbehoorlijkheden te onthouden. Dit laatste zouden zij hem in 1618 nogmaals zeggen.
Ook deze predikant verviel in de ellendige tractementskwestie. Hij klaagde over het sobere onderhoud en over de ƒ 50.— toelage, welke aan de vorige dienaren als een extra bijdrage was toegezegd, doch die hij nimmer kreeg.
In 1611 begon hij te Oldebroek des Heeren H. Avondmaal te houden, waaboij voor het eerst de predikant van Doornspijk aanwezig moest zijn.
Tenslotte staat in het Class. Acte boek nog een omstandig verhaal over een voorval, dat zich afgespeeld heeft in 1618 op de vergadering te Harderwijk, waar de predikanten van Oldebroek en Doornspijk zich na den maaltijd zeer onbehoorlijk hebben gedragen.
Assverus kon het n.l. met den waard niet eens worden over de betaling, en daarop naar boven gaande, liet hij zich flink wat brandewijn inschenken door de dienstmaagd. In zijn dronkenschap is hij tegen den waard te keer gegaan, vergreep zich aan gereed staande spijzen en verwekte door dit alles een groot tumult. De Classis heeft hem hierover scherp berispt, welke bestraffing hij „in de vreese Godts heeft aengenomen", waarna de zaak met ds. Straatman van Doornspijk aan de orde kwam.
(Wordt vervolgd).
Vaassen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's