MEDITATIE
KOSTELIJK BEDENKEN.
Zoo Gij, Heere ! de ongerechtigheden gadeslaat ; Heere ! wie zal bestaan ? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.Psalm 130 vers 3 en 4.
'k Denk aan U, o God, in 't klagen.Uit de landstreek der Jordaan.
Menigmaal hebben we dit reeds gezongen. Het heeft u als mij wellicht dikwerf ontroerd, wat daar opklinkt in die bekende verzen van den twee-en-veertigsten Psalm. Een ziel, die een zwaren tijd doormaakt en in den nood, waarin zij verkeert, aan God denkt!
Leerden wij dit ook ? Ging ons hart in den nood, waarin we kwamen naar Boven ? Is het niet veel anders ? Is het niet maar al te veel zóó, dat we te laag zien ? Blijven we niet rondzien naar alles wat oorzaak mocht zijn van onze ellende ? Blijven we niet gedurig weer zien op het moeilijke, waar we zoo zwaar door getroffen zijn? Blijven we niet jammeren over wat we moeten hebben, wat ons moest of zelfs weer moest overkomen ? Zeker, we behoeven de oogen niet te sluiten voor de tegenheden en de smarten, welke ons overkwamen, dat mogen we zelfs niet. Wat voor kwaad is er toch in de stad, dat de Heere niet doet ? En alle daden des Heeren zijn gewis onze overdenking waard. Als we er dan echter maar meer bij stil stonden, dat het van den Heere kwam ! Dan konden de overleggingen wel eens komen, waar ze bij den Psalmist kwamen, dat we hoop en moed kregen en uitriepen : Maar de Heere zal des daags Zijne goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn. Dan kan het gebeuren, dat we ondanks alle moeiten en verdriet het hoofd mochten opheffen en moedig voorttreden op het pad, waar onze voeten staan.
Zóó was het ook bij den dichter van den honderddertigsten psalm. Hij was op zijn reize naar Jeruzalem, naar den tempel, waar God in het midden van zijn Israël wilde wonen. Het was een moeilijke gang. De reis was lang en vermoeiend. Veel bezwaarde zijn gang. De overdenkingen drukten ter neder. Alles scheen tegen. Het scheen wel alsof er geen bestaan mogelijk was. Juist zooals het zoo menigwerf de ontmoeting der menschenkinderen is op het pad des levens, zooals het zeker met name in onze tijden zoo menigeen wedervaart. Smart en rouwe moeten telkens doorgemaakt. Teleurstelling en mislukking is in onze crisistijden aan de orde van den dag. Het leven wordt dan zoo moeilijk. In meer dan één zin vermenigvuldigen daar de diepten, waar het zoo bange wordt en benauwd.
Gelukkig, wanneer we dan uit de diepten onzer ellenden mogen roepen tot God, wanneer we in die diepten leeren opzien naar Boven. Niet, dat het dan maar meteen alles vlak is. Verre van dien ! Hoort maar hoe het den dichter verging. Zoo Gij, Heere ! de ongerechtigheden gadeslaat. Heere ! wie zal bestaan ? Naar Boven ziende zag de reiziger verband tusschen zijn diepten en Zijn ongerechtigheên. Dat zal altijd het geval zijn, wanneer we in onze moeiten opzien naar God. Dan zullen de dingen recht worden gezet. Dan zullen we verstaan, dat onze ongerechtigheden oorzaak zijn van onze wonden. Zooals Jacobus het zegt, we worden niet van God verzocht, maar van onze eigene begeerlijkheden. Daar begrijpen we ook met den psalmist : o God ! als Gij met mij naar recht kwaamt doen, dan was er geen bestaan, dan kwam ik ganschelijk om. Daar wordt het eigenlijk een wonder, dat we nog niet geheel vernield zijn, zooals Jeremia dat zag. En dat geldt u en het geldt mij. We hebben allen gezondigd. Er is niemand, die voor God goed doet, ook niet één. De een mag grooter zondaar zijn dan de ander, we zijn voor God allen zondaars. De dichter zegt dan ook niet: Zoo Gij Heere ! de ongerechtigheden gadeslaat — of zooals ook vertaald wordt: de ongerechtigheden in gedachtenis hield — dat is : naar de ongerechtigheden kwaamt doen — Heere ! ik kan niet bestaan ! Neen, hij verstaat: Heere, wie zal bestaan ? Hij predikt dus : Niemand zal bestaan ! — O, begrijpen we dit toch in onze ellenden, in onze smarten, in onzen druk des tij ds. Leve het toch in de dagen, waarin we geslagen worden, in den crisistijd, waarin het leven zoo moeilijk wordt! Begrijpen we toch, leve het toch, dat als de Heere door komt trekken met Zijne straffen, met Zijne oordeelen naar dat we verdiend hebben, het omkomen wordt voor Zijn aangezicht met een algeheel verzinken ! Dan verzinken we in het oordeel door niemand minder dan door Jezus 'Zelve zoo ernstig genoemd de buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden !
Is dat troosteloos ? Het is de Waarheid Gods ! De Heere zegt het ons niet anders in Zijn Woord. De ziel ervaart het niet anders, wanneer zij in waarheid uit haar ellenden opziet naar God ! Doch ook daar zal zij met den dichter juist bijzonder kunnen leeren : Maar bij U is vergeving ! Dat is de rijke overgang in de woorden van den honderddertigsten psalm. Als de reiziger begrijpt, dat er naar recht voor niemand heil is, maar voor allen omkomen, dan gaat zijn hart er voor open, dat God een God van menigvuldige vergeving is. Daarvoor had hij immers lessen te over. De geschiedenis van Israël is er vol van, dat God gedurig weer uit genade het goede wilde schenken, waar naar recht het kwade moest ontmoet. Als God sprak, dat Hij lang genoeg geduld had gehad met het weerstrevige volk, dat Hij het van voor Zijn aangezicht verdoen zou, dan heeft Hij het op Mozes gebed telkens weer in genade gered, bewaard. Hoe sterk ook had God Zijn belofte van heil dat bijzondere volk geschonken, belovend den Heilbrenger. Maar hoeveel te meer hebben wij dan niet de boodschap van de vergeving bij God, nu we weten, dat God alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe ! Jezus ! Dat predikt toch de barmhartigheid Gods in de rijkste sprake. Hoe teeder komt dat tegen in het kindeke in Bethlehem's stal, hoe ontroerend in den Man van Smarten op Golgotha's kruis !
Dat daar het oog van alle lijdenden, van alle zuchtenden heen mocht! Dat het gehoord en begrepen werd hoe groot een vergeving er is bij God in Zijnen Christus. De geschiedenis van Jezus kennen we van onze jeugd aan. Hebben we echter zóó reeds begrepen dat we met heel ons hart den psalmist naspreken : Maar bij U is vergeving ? Heffen we daarmede ons hoofd reeds waarlijk op in onzen druk ? Waar het aan hapert, wanneer we dit niet echt doen ? Hieraan, dat we onder onze ellenden, welke ze ook zijn, niet nederbuigen in de erkentenis : Uw doen is rein. Uw vonnis gansch rechtvaardig ! Dat we niet van heeler harte erkennen : o God ! komt Gij doen naar wat wij deden, we moesten vergaan voor Uw aangezicht voor tijd en eeuwigheid ! Verdiend een oordeel kan ontvankelijk doen zijn voor onverdiende vergeving !
Zegt nu niet: Ja, maar ik kan niet gelooven, dat er voor zulk een zondaar, zondares als ik ben nog vergeving is, mijn zonde is zoo groot, mijn ongerechtigheid zoo zwaar. Bedenk toch : God vergeeft nooit om dit of dat in den mensch. Ook hier bedenken we : Bij den Heere is geen uitneming des persoons. Hij doet het alleen om Zijns Zelfs wille. Dat zegt ook de dichter. „Opdat Gij gevreesd wordt", zoo vervolgt hij toch. Dat is niets anders immers dan : opdat Gij een volk hebt, dat U prijst en looft, dat U mint en dient voor zooveel onverdiende genade ! En dan weet ge toch ook wel, dat juist de grootste zondaren het hoogste lied des Konings zullen zingen, wanneer zij van genade roemen mogen. Denkt alweer aan het Woord van Jezus zelve in het huis van Simon met het oog op die zondares : zij heeft veel lief omdat haar veel vergeven is ! Neen, de zonden, hoe groot ook, staan den Heere niet in den weg, Hij heeft ze juist noodig — met gepastheid gezegd — om een volk te hebben, dat Zijne deugden zal verkonden, dat ijverig zal zijn in goede werken, in één woord, dat Hem het danklied eeuwig blijde en op z'n sterkst zal doen tegenklinken !
Geve de Heere maar voor het eerst of bij vernieuwing, dat we een dood-en doemschuldig volk ons weten onder Zijne oordeelen, om te begrijpen het Evangelie van vergeving in Jezus Christus ! Dan kunnen we voort ondanks alles, met goeden moed voort, want dan weten we : er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot,
de Bilt
H. A. d. Geus
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's