De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

14 minuten leestijd

VERWORPEN. (1)
We bedoelen natuurlijk het Reorganisatie-voorstel van de Vereeniging „Kerkopbouw".
De slinger van de synodale klok, die het eene jaar 9—10 telt, laat 't andere jaar 10—9 hooren. Die op het tikken van de klok acht geeft, hoort 't duidelijk, telkens weer : 9—10, 10—9, 9—10 enz.
Ditmaal, in de buitengewone vergadering van Dinsdag 8, Woensdag 9 en Donderdag 10 Januari, was het 9—10. Negen leden zoowat vóór, tien leden zoowat tegen. En toen was het verworpen. Het schip is gestrand vóór het de haven verlaten had. 't Zal niet doorgezonden worden naar de Kerk, naar de Classicale Vergaderingen en de Provinciale Kerkbesturen.
't Verwondert ons geen oogenblik, dat het Voorstel verworpen is. 't Is al meer voorgekomen en 't zal de laatste keer niet zijn. De één is er tegen om die ooRzaak, de ander noemt weer een andere reden en die bezwaarden bij elkaar geteld (hoewel ze overigens bijna in alles verschillen) geeft gewoonlijk net precies een meerderheid. Dan zinkt het schip en het lied is uit. Of begint het straks weer ?
We hebben geen oogenblik een andere gedachte gehad, dan dat het Voorstel verworpen zou worden. Of ja — soms dachten we : men zal het Voorstel, ook al is men 't er niet heelemaal mee eens, aan de Kerk zelve voorleggen, om de Kerk in de gelegenheid te stellen haar meening te zeggen op de Classicale Vergaderingen en de Provinciale Kerkbesturen uit te lokken op-en aanmerkingen te maken, ter verwerping of ter verbetering. Want we hebben nu eenmaal met deze dingen te maken ; ze zijn er en ze laten ons niet los. En daarom had het een mooie gelegenheid geweest de Kerk zelve weer eens te hooren. Maar 't eind van de rekening is toch geworden : verworpen!
We hebben dat verwacht. En we zullen zeggen waarom.
Door bizondere omstandigheden zijn we zoo nu en dan in de kraamkamer geweest. Een vriend van den vader en de moeder van het Voorstel, die trouw bakerdiensten verrichtte, liet ons wel eens even binnen, op voorwaarde dat we heel stil zouden zijn. En we hebben onze mond gehouden en zijn muisstil gebleven. Maar zoo wisten we iets van de pijnen en de smarten en de moeiten, waarmee dit Voorstel geboren is — wat volstrekt geen schande is en heelemaal geen uitzondering in het leven, 't Is zelfs regel. Om der zonde wil en om de wille van onze menschelijke beperktheid en machteloosheid, ook wel om de wille van onze eigenwijsheid, hoogmoed, eigenzinnigheid enz., gaat het gewoonlijk zoo. We willen ons niet door het Woord laten leeren. We willen niet stil zijn en luisteren naar het Woord onzes Gods. God wil de wereld veroveren en Zijn Kerk leiden en leeren met hetgeen Hij „in de Heilige Schriften" (Rom. 1 vers 2) ons geschonken heeft, Rome en Dordt zullen er naar moeten luisteren, om het te gelooven met het hart en het te belijden met de mond, maar wij, menschen, wij willen het altijd beter weten. En dan worden er allerlei pogingen gedaan om het zelf te zeggen ; dan komen we met eigen vinding; en dan loopt 't mis. Laat de Kerk van Christus toch niet anders willen zijn dan een Evangelist, om, zooals Filippus met den Kamerling doen mocht, te spreken naar het Woord, om de Schriften te openen, uit te leggen, te verklaren, toe te passen, waarbij Jezus Christus en die gekruisigd, de Middelaar en Zaligmaker, het middelpunt en het hoogtepunt vormt, tot eere Gods en tot zegening van heel het leven, van Kerk en school, van gezin en maatschappij.
Een van de eerste vragen is en blijft: Wat moet de grondslag, de geloofsbelijdenis van de Kerk, ook van onze Ned. Hervormde Kerk, die niet Roomsch, niet Luthersch, niet Remonstrantsch, niet Doopsgezind, maar Gereformeerd is, zijn ?
En dan beginnen de moeilijkheden. Dat is ook gebleken in de Vereeniging „Kerkopbouw". Er zijn er, die zeggen : we moeten niet de leer over of het Evangelie van Jezus Christus hebben, maar Jezus Christus Zelf, den persoon van Jezus Christus. De leer over en het Evangelie van Jezus Christus is — zegt men — menschenwerk. Maar we moeten Jezus Zelf, den persoon van Jezus hebben.
En waarmee komt men dan zelf aandragen ? Immers met niets anders, dan wat de moderne mensch, naar den aard der moderne wetenschap en naar den eisch der moderne religie, er van maakt. En dan heeft men weer een leer over Jezus, een Evangelie van Jezus ! Alleen maar, 't is in alles anders dan wat de Heilige Schriften (Rom. 1 vers 2) ons leeren ; heel iets anders, dan de belijdenis der Kerk leert.
De moderne mensch van 1935 gaat óók over Jezus spreken. En als Jezus ooit bestaan heeft (wat voor velen nog lang niet zeker is, de discussie van „Kerkopbouw" tegenover de modernen heeft het nog weer eens in het licht gesteld) komt de moderne mensch met zijn „Christelijk getuigenis." En dat moet genoeg zijn. Het gaat tenslotte „niet om de leer, maar om den Heer", zegt men. Waarbij men weer niet al te serieus vragen moet welke „Heer", welken Christus men dan bedoelt. Waarbij men niet al te ernstig om een antwoord moet aandringen pp de vraag : Wat dunkt u van den Christus ? Het religieus subject moet vooral vrijheid behouden !
In den kring van „Kerkopbouw" is, blijkens Artikel 1 en 2 van het Ontwerp, over deze dingen veel en langdurig en telkens weer gepraat.
We zien ze zitten, de heeren : prof. Kohnstam, prof. Scholten, prof. Brouwer, ds. Noordmans, prof. Wagenaar, ds. Eilerts de Haan, ds. Beversluis, de heer Van de Pol, ds. Wagenaar, ds. Van Paassen, prof. Wagenaar enz. 't Gaat over de vraag, wat de geloofsgrondslag, wat het geloofsgetuigenis zijn moet voor een Ontwerp van Reorganisatie der Kerk, in te dienen door de Vereeniging „Kerkopbouw".
Zal men spreken van Gods Woord ? of van de Heilige Schrift ? Zal men spreken van de historische belijdenis, de 12 geloofsartikelen, de belijdenis van Nicéa, die van Athanasius ? Zal men gewag maken van de Drie Formulieren van Eenigheid : de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelb. Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt ?
Maar dan krijgt men weer een „leer" en het moet gaan om den „Heer" — zegt men. En dus zoo weinig mogelijk formuleeren.
Bovendien is de historische belijdenis niet meer over te nemen en te aanvaarden. De Schriftbeschouwing van die belijdenis, het Kerkbegrip, de leer der Sacramenten, de leer aangaande de verhouding van de Overheid tot de Kerk enz. enz., is niet meer van kracht voor de Christenen van 1935, die bij de moderne wetenschap en 'bij de moderne religie groot geworden zijn.
En daarom bleef het bij een „Christelijk getuigenis", waarbij men ten slotte wilde gewag maken van „aansluiting te zullen zoeken bij de historische belijdenis".
't Kon blijkbaar niet lijden, om te spreken van Jezus Christus, den Zone Gods; of van den Christus der Schriften ; öf van Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, of zoo iets. Al vraagt de Heiland Zelf : „Wat dunkt u van den Christus ? " en al spreekt Hij Zelf van de rots, waarop de Kerk met die belijdenis gebouwd moet worden — dat komt er alles blijkbaar minder op aan. En men heeft een „Christelijk getuigenis" (geen belijdenis of iets dergelijks, maar een „Christelijk getuigenis") gekozen, met bijvoeging eenerzijds „in aansluiting aan de historische belijdenis" (wat verstaat men daaronder? ) en anderzijds natuurlijk (zooals dat in die kringen gewoonte is, met mannen als A. en B. en C, met name genoemd) „met zeer groote differentiatie" of zeer groote verscheidenheid en onderlinge verschillen. Want het religieus subject moet vóór alles „vrij" gelaten worden.
In het Ontwerp van de Commissie, indertijd door de Synode zelve benoemd (welk Ontwerp Jan. 1930 door de Synode is verworpen, maar daarna door „Kerkherstel" is overgenomen) lag de historische belijdenis der Kerk ten grondslag aan heel de regeering, aan heel de samenstelling en het leven der Kerk.
Naar de Drie Formulieren van Eenigheid werd telkens verwezen, als zijnde de historische belijdenis. Dat de Hervormde Kerk die belijdenis heeft, werd beschouwd als iets, dat onder ons vaststaat. Er werd eenvoudig van uitgegaan bij alles. In Artikel 4 van dat Ontwerp b.v. werd voor „de regeering der Kerk" verwezen naar Artikel 30 Nederl. Geloofsbelijdenis, als de meest gewone zaak in onze Hervormde Kerk. In Artikel 9 (ons tegenwoordig Artikel 11 ongeveer, om de continuïteit der Kerk te bewaren, gehandhaafd) wordt verwezen bij „de leer der Kerk" naar Artikel 7 Ned. Geloofsbelijdenis en naar Zondag 6 van den Heidelb. Catechismus, als de meest gewone zaak van de wereld. Immers het is toch een feit, dat de Ned. Hervormde Kerk een eigen belijdenis, een eigen leer heeft; en die kerkelijke belijdenis, die Hervormde leer is dan : wat in de Drie Formulieren van Eenigheid vervat is en daar is uiteengezet. De Hervormde Kerk heeft immers die belijdenis van ouds bewaard, ook door de droeve gebeurtenissen van 1816 heen ! En nu moeten we met die belijdenis beginnen !
Maar „Kerkopbouw" heeft dat niet kunnen en, welbewust, niet willen doen. Dat streed tegen het beginsel der Vereeniging. En het gevolg is geweest, dat Artikel 1 van het Ontwerp luidt:
„De Nederlandsche Hervormde Kerk, als deel van de Eene Algemeene Christelijke Kerk, gebouwd op Jezus Christus als eenig fundament, heeft tot doel, in aansluiting aan hare historische belijdenis, het Woord Gods te verkondigen".
Met dat „Christelijk getuigenis" heeft men volstaan.
Ten opzichte van Jezus Christus — de grootst mogelijke differentiatie.
Ten opzichte van het Woord Gods — de grootst mogelijke differentiatie.
Ten opzichte van de historische belijdenis — de grootst mogelijke vrijheid.
En het gevolg is nu geweest, dat velen gezegd hebben : neen, hier laten we de draad van onze kerkelijke geschiedenis niet afknappen; hier laten we de continuïteit onzer Hervormde Kerk niet verbreken ; neen, hier laten we onze belijdenis niet los, om met allerlei vaagheden in zee te gaan. We willen meer zekerheid hebben aangaande de Christusbelijdenis, aangaande de kerkelijke confessie. En men heeft gezegd, alléén al om de wille van Artikel 1 en 2 is dit Ontwerp van reorganisatie der Nederlandsche Hervormde Kerk voor ons onaannemelijk.
En dat is één van de oorzaken, dat het Ontwerp in de Synode Woensdag 9 Januari j.l. (we zeggen hier met opzet „in" de Synode en niet „door" de Synode) is verworpen.
't Was niet de éénige oorzaak van het afwijzen door de meerderheid, want er waren ook nog andere motieven in 't spel.
Doch daarover de volgende week D.V.
(Wordt voortgezet).

DE KERKELIJKE VERKIEZINGEN.
De N. Rott. Ct. geeft een artikel over de jaarlijksche stemmingen voor het Kiescollege in de Hervormde Kerk, voor zoover ze nu achter ons liggen. In welken toon dit artikel is geschreven, blijkt uit dit ééne zinnetje genoegzaam. „Het valt de orthodoxie nu eenmaal zelfs bij de beste bedoelingen moeilijk, de vrijzinnigheid in de Kerk als een rechtsgeldig en gelijkwaardig bestanddeel te beschouwen en haar pogingen tot toenadering dragen min of meer het karakter, dat wij kennen bij de politici, die andersdenkenden op hoffelijke wijze als gasten willen aanvaarden, maar er zich met hand en tand tegen verzetten, ze als medeburgers te erkennen".
De vrijzinnigen moeten daarom strijden en zijn daarbij op eigen krachten aangewezen ; maar — aldus de N. Rott. — de omstandigheden dwingen tot gewapenden vrede, omdat de Kerk toch al zoo lijdt aan innerlijk verval en aan onverschilligheid bij de buitenwereld. „Het vertoon van verdeeldheid zou haar nog weer op nieuw verlies van sympathie komen te staan." Intusschen blijven de vrijzinnigen waakzaam. „Een goed veldheer verwaarloost de getalsterkte en het peü zijner troepen niet, ook niet in perioden, waarin het leger een waardeloos instrument schijnt te zijn".
„Het heeft z'n nut op enkele representatieve verschijnselen uit den stembusstrijd van dit najaar de aandacht te vestigen. Ook deze verkiezingen hebben nogmaals bewezen, dat de strijd tenslotte eigenlijk slechts gaat tusschen orthodox en vrijzinnig".
In „zware" gemeenten — aldus de medewerker van de N. Rott. Ct. — gaat het dikwijls tusschen orthodoxen over en weer, maar in „lichtere" gemeenten plegen Confessioneelen en Gereformeerden samen te gaan tegen de Ethischen. Doch als daar de modernen eenige kans maken, vereenigen alle drie soorten orthodoxie zich tegen den gemeenschappelijken vijand van het ware geloof. Een voorbeeld van zulk een „eenheidsfront" levert Delfshaven en de orthodoxen verslaan de modernen met 1960 tegen 650 st.
„Er zijn onder de links-ethischen, die met de vrijzinnigen mee voor Evenredige Vertegenwoordiging ijveren en dan tegenover het orthodoxe eenheidsfront komen te staan. Dit is b.v. het geval in Haarlem, waar de onderlinge verhouding tusschen partijen dit jaar vrijwel gelijk is gebleven aan die van het vorige jaar. Het eenheidsfront behaalde thans 1186—1195 stemmen tegenover Evenredige Vertegenwoordiging 681 — 690. Zooals in vele gemeenten, is hier dit jaar veel slechter gestemd dan het vorige jaar. Dordrecht, dat Indertijd door het combineeren van de voorstanders van Evenredige Vertegenwoordiging aan de orthodoxie is ontrukt, heeft thans met 904 tegen 832 het vrijzinnig karakter gehandhaafd. Enkhuizen, waar de partijen zoowat tegen elkaar zijn opgewassen, bracht eensklaps de vrijzinnigheid een stuk naar boven, zoodat de verhouding nu 820 links tegen 725 rechts is. In Alkmaar, eenmaal ook terrein van fellen strijd, onthouden de orthodoxen zich thans geheel van de stemming. De vrijzinnigen zien echter in deze schijnbare moedeloosheid een krijgslist en blijven voor een overrompeling op hun hoede. Zoo is ten vorigen jare het vrijzinnige Deventer bijna door de orthodoxie overrompeld ; de schrik heeft de vrijzinnigen wakker gemaakt, zoodat ze thans met 700 man meer opkwamen en met 1283 tegen 584 de reëele verhouding demonstreerden.
Belangrijke stemmingen zijn geweest die te Drachten, Culemborg, Gorinchem, Oudshoorn, Rijswijk en Enschedé, waar de vrijzinnigen hun meerderheid handhaafden ; te Naarden, waar ze deze terugwonnen ; te Hengelo, waar het vorig jaar de partijen nog ongeveer gelijk stonden, maar thans de orthodoxen met 981—988 tegen 845 — 848 een grooten voorsprong behaalden, waardoor zij in het Kiescollege een overwegende meerderheid hebben ; te Sneek, tot voor kort vrijzinnig, dat ook dit jaar weer aan rechts een meerderheid (van 1122 tegen 790) opleverde ; te Boskoop en Breda, waar de vrijzinnigheid allengs geheel wegknabbelt; te Zuidwolde, waar evenals het vorige jaar slechts enkele stemmen den doorslag gaven ten bate van de orthodoxie.
Het voorbeeld van den sportleven wedloop leverde ook dit jaar wederom het Friesche dorpje Morra, waar alle stemgerechtigde leden, op twee patiënten na, aan den strijd hebben deelgenomen, die ook ditmaal weer tot het laatste toe buitengewoon spannend bleef. De vrijzinnigen wonnen met 102 tegen 99 !"
Het is wel eens goed om zulke „persstemmen" te beluisteren.
Men kan er hier en daar z'n voordeel nog mee doen.
Boskoop, Sliedrecht, Sneek, Hengelo, Breda, zijn mooie momenten geweest.
De teleurstelling in Deventer en Naarden was pijnlijk.
Haarlem heeft wel eens slechter gestaan. Ja, we zijn in de strijdende Kerk.
En het gaat voor of tegen den Christus. Die loochent, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, is niet uit God geboren en heeft geen recht op een plaats in de Kerk.

HET OPENBARE ONDERWIJS DUURDER DAN HET BIJZONDER ONDERWIJS.
De frontmakers van de Openbare School, die over al te groote bescheidenheid niet te klagen hebben, vergeten, dat het Openbaar Onderwijs veel duurder is dan het Bijzonder Onderwijs. Een School met den Bijbel is veel goedkooper dan een Gemeente-school. Pas nog is officieel uitgemaakt, dat een leerling van de Bijzondere School ƒ 104.— kost per jaar en een leerling van de Openb. School ƒ 135.—. Dat scheelt dus maar even 25%, dat het Christelijk Onderwijs goedkooper is !
Daar praat men altijd maar overheen !
En daarbij komt, dat in doorsnee bij het Christelijk Onderwijs geen kleine schooltjes zijn, zooals bij het Openbaar Onderwijs, terwijl per onderwijzer het aantal leerlingen op de Bijzondere School hooger is dan bij het Openbaar Onderwijs.
Op de 146 Openbare Scholen, die eerst opgeheven zijn, gingen 4469 leerlingen en waren 213 onderwijzers. Er waren dus per school nog geen 30 leerlingen ! En per onderwijzer gerekend, had ieder nog geen 21 leerlingen !
En van de 155 scholen, die daarna werden opgeheven, was 't totaal aantal leerlingen 12.000 en ongeveer 700 onderwijzers. Wanneer men dat uitrekent, waren dat dus scholen met minder dan 77 leerlingen en voor elke 17 kinderen was er een onderwijzer of onderwijzeres !
Is het dus zoo vreeselijk, dat er een paar honderd Openbare Scholen nu minder zijn ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's